In de boekenbijlage van De Morgen werd schrijver en denker Alain De Botton geïnterviewd over zijn nieuwe boek. De architectuur van het geluk gaat over de band tussen een mens en zijn woning. Wie meent dat zijn huis een afspiegeling van zijn persoonlijkheid is, vergist zich. Volgens De Botton zegt onze woonomgeving meer over hoe we zouden wíllen zijn dan over hoe we feitelijk zijn. Hij koppelt daar het succes van de fermette aan en biedt mij zo eindelijk een theorie aan die verklaart dat in fermettes doorgaans geen mensen wonen waar ik weinig sympathie voor heb.
Ik hou immers niet van fermettes. Niet alleen was het lastig opgroeien naast één van de meest afschuwelijke, smakeloze huizen van Haaltert, ik heb ook nooit begrepen waarom iemand iets wil creëren dat er uit ziet alsof het oud is. De fermette is in feite een imitatie van een boerderij/stal waarmee de bewoners graag het landelijke benadrukken. Letterlijk vertaald betekent fermette ook ‘kleine boerderij’. De Botton zegt: ‘Daar wonen echter geen boeren in, maar bedienden die iedere ochtend tegen hun zin naar de stad pendelen.’ Inderdaad. Mijn theorie: de fermettebewoner zou liefst van al dicht bij huis blijven, waar de kans op verrassingen en avontuur beperkt is en ontmoetingen met onbekenden te vermijden zijn. Dit wijst op een conservatieve levenshouding. Meer nog, al zijn de fermettebewoners geen boeren, ze zouden het wel willen zijn. Boeren kunnen hun land en dieren moeilijk alleen laten, maar zijn uiteindelijk ook tevreden met dat houvast. Een fermettebewoner blijft dus graag thuis, waar zijn VTM en zijn Stella staan. Evenementen en sociale gebeurtenissen kosten te veel geld (ook boeren hebben vaak financiële moeilijkheden), en gezellig gaan shoppen is overbodig, want een trainingspak kan voor de meest diverse activiteiten gebruikt worden. Een boer draagt tenslotte ook alle dagen een overall.
Een fermettebewoner maakt dus niets mee en doet geen geld op., grofweg veralgemeend. Daarnaast is er de zaterdagse buitenwijkgewoonte van het grasmaaien en autowassen. De parallellen zijn evident. Het gazon is het veld, de auto de melkkoe of het varken. Een (mannelijke) fermettebewoner heeft nood aan deze traditie om zich verantwoordelijk te voelen.

Verder doet een fermette met zijn dakkapelletjes, kleine ramen, houtwerk en ongelijk gekleurde stenen ook denken aan een kasteeltje. Een huis is voor de fermettebewoner een statussymbool en moet daarom rijkdom uitstralen. Daarnaast zijn kastelen ook moeilijk inneembaar. De fermettebewoner houdt niet van vreemdelingen, en zeker niet op zijn eigen terrein. ‘Blijf weg’ zegt de fermette. Tenslotte zou het opteren voor andere materialen of stijlen voor de woning wijzen op eigenzinnigheid of een alternatieve smaak. En dat moet absoluut vermeden worden omdat anders de uniformiteit verbroken wordt. De fermettebewoner wil immers niets liever dan opgaan in de massa en verkiest dus een verkavelingswijk waar ook alle andere woningen fermettes zijn! Deze conservatieve smaak uit zich ook in het politieke denken van de fermettebewoner.
Uiteraard is deze theorie schertsend bedoeld, maar laat ons eerlijk zijn: kent u veel interessante mensen die in fermettes wonen? Maar al te vaak zijn fermettebewoners zo voorspelbaar als de plattegrond van hun huis zelf! SveN heeft als gewezen jeugdbewegingsleider heel wat ervaring met het aanbellen bij fermettes en durft dus gerust veralgemenen. De pot op met fermettebewoners, en bij uitbreiding ook de bewoners van de meer hedendaagse variant: de haciënda en de woning in pastoriestijl.Voor meer gekanker op de fermettebewoner: Everybody Needs Good Neighbours.
(voor Mija en andere afstammelingen van boeren: laat duidelijk zijn dat boeren hier op geen enkele wijze in een negatief daglicht worden gesteld!)
De criminelen van tegenwoordig hebben de keuze uit een ruim assortiment hippe misdaden: carjacking, homejacking, tigerkidnapping, hacking, ramkraak, noem maar op. Geen zichzelfrespecterende misdadiger dus die nog iets ziet in een ouderwetse kunstroof, zoals er vorige nacht één plaats vond in Groot-Bijgaarden. Meer zelfs, doet het begrip u niet simpelweg denken aan een avontuur van Jommeke of Kuifje? Een Hollywoodfilm desnoods, waarbij in aerodynamische pakjes gestoken filmsterren de laserstralen in het museum acrobatisch ontwijken om een waardevol borstbeeld door een kopie te vervangen? Nee, we kunnen het er over eens zijn: kunstroof is volkomen passé. Een uitgestorven cliché! En aangezien de Jommekes en de Kuifjes samen met de sanseveria, de grammofoonplaat en de hoelahoep opgegaan zijn in ons stoffige cultuurpatrimonium, moeten we ook al niet op een oplossing hopen. De gespecialiseerde bende die vannacht actief was, zit dus met een imagoprobleem.
U zei?