Sommige filmsterren lijken larger than life. In vele gevallen lijken filmsterren me zo onbereikbaar dat ik zelfs twijfel of ze wel echt bestaan. Ik dacht vroeger dan ook dat een ontmoeting met een filmster een ongelooflijk moment moest zijn. Dat op de foto gaan staan met Nicolas Cage of Susan Sarandon onvergetelijk moest zijn. Als kind verzamelde ik ook de adressen van agentschappen in Hollywood die je kon schrijven om handtekeningen te vragen - wat ik nooit gedaan heb. Maar alleszins dacht ik dat een krabbel van Winona Ryder of Dustin Hoffman een te koesteren schat moest zijn.
Maar enkele jaren geleden was Morgan Freeman te gast op het Gentse filmfestival. Ik stond nerveus te wezen in het publiek, toen hij arriveerde, op amper enkele meters. Dit was nu een superster! Een bekende acteur! Een Oscarwinnaar! Een echte celebrity! Ik wachtte met spanning af hoe mijn lichaam en geest zouden reageren. Zou ik in zwijm vallen of de man om de hals vliegen? Zou ik beginnen joelen of starstruck geraken en geen woord meer kunnen uitbrengen? Welnee. Twee minuten later was Freeman binnen en de wereld draaide nog steeds. Tot zover mijn eerste aanschouwing van een filmster.
Ik was meteen een stuk geruster. Dat was dan weer een zorg minder. Zou ik geen levenslange frustratie meedragen omdat ik geen filmsterren kon ontmoeten. Maar in de daaropvolgende jaren bleef er een zekere idolatie aanwezig. Sommige van mijn favoriete sterren had ik toch graag wel een keertje van dichtbij willen aanschouwen, al zou dat geen wereldschokkend moment betekenen. Eén ster in het bijzonder domineerde mijn droom: Kristin Scott Thomas, de ongelooflijk mooie, elegante, stijlvolle en charismatische Britse actrice uit o.a. 4 Weddings and a Funeral, The English Patient, The Horse Whisperer en Gosford Park.


Van zoveel geweldige actrices zowat mijn absolute favoriet. Net iets bereikbaarder - ze woont in Parijs - en niet beroemd genoeg om à la Angelina Jolie ten prooi te vallen aan papparazzi. Wie weet waar haar carrière haar nog zou brengen?
En dan gebeurt het. Anderhalve maand geleden belandt een bericht in mijn mailbox. ‘Kristin Scott Thomas op het Filmfestival van Namen’. Alsof iemand ergens had beslist dat ik eindelijk eens van mijn dagdroom moest verlost worden en ik maar meteen getrakteerd mocht worden op de hoofdprijs. Want evengoed was het Minnie Driver of Julia Ormond geweest, om maar twee andere Britse actrices te noemen wiens Hollywoodcarrière op een laag pitje staat. Ook fijn, maar of het me naar Namen zou krijgen?
Kristin Scott Thomas dus wel. Ze zou een acte de présence geven van anderhalf uur, waarbij ze door een festivalmedewerker geïnterviewd zou worden voor een publiek. Leek me al de moeite. En dus trok ik op een zonnige oktoberdag naar Namen. Zonder enige verwachting eigenlijk. Wie weet zou ze wel komen opdagen? Misschien was er wel vijfhonderd man en kreeg ik haar alleen maar vanop honderd meter afstand te zien. Of ze stapte na tien minuten al op. Bovendien leek het me al bij al nog altijd onrealistisch. Een grote actrice, die geschitterd heeft naast Robert Redford, Sean Penn, Tom Cruise, Harrison Ford, Hugh Grant en zelfs Prince. Die gewerkt heeft met Roman Polanski, Robert Altman, Brian DePalma, … En die zou in Namen enkele fans als mezelf komen groeten?
Ja dus. Ja, ja, ja. Ik heb Kristin Scott Thomas ‘ontmoet’. Om vijf over drie schreed ze binnen, zo stralend als maar mogelijk. Wat aarzelend, een zekere gespeelde timiditeit etalerend die haar nog charmanter maakte. En daar ging ze zitten, op amper twee meter van me vandaan (ik zat op de eerste rij!) en bood ze me de kans om anderhalf uur lang ongegeneerd naar haar te staren. Ze was echt. Ze bestond. Ze zat voor me, die ster die ik al in zoveel films al aan het werk had gezien. En ze voldeed volkomen aan het beeld dat ik door de jaren heen van haar had gevormd, al leek ze verrassend genoeg jonger dan in haar recentste films (ze is 47). Ze was glamoureus en verfijnd, aristocratisch en lieflijk. Ik luisterde naar elk woord, bestudeerde elk handgebaar, keek naar haar afwisselend koud-passionele blik, merkte elke trek op die haar roodgestifte lippen maakten. Vreemd om te merken dat ze een bizarre neus heeft. En dat dicht onder haar albasten huid twee aders over haar gezicht liepen die je op film eigenlijk nooit zag. Dat ze er dus eigenlijk gewoon menselijk uitzag.

Om twintig over vier verliet ze ons. Ze gaf handtekeningen en foto’s, maar dat interesseerde me eigenlijk niet. De handtekening is een onbetekenende krabbel en hoe belangrijk moet je jezelf wel vinden om te denken dat zo iemand met jou op de foto wil? Wat doe je overigens met die foto? Bomagewijs op je bureau plaatsen om anderen te impressioneren? Nee, laat maar. Voor mij volstond de ervaring. Die wilde ik achteraf met enige relativering toedekken. Ik heb niet met haar gesproken. Zo beroemd is ze niet. Ze deed gewoon haar werk. Het zou mijn leven niet veranderen. Maar deze argumentatie had geen effect. Dit was ondanks de trivialiteit van het gebeuren, een geweldig moment.

(Voor wie haar echt niet kent: naast de bovenvermeldde films speelde ze o.a. ook in Random Hearts, Up at the Villa, Life as a House, Richard III, Keeping Mum, Man to Man, Arsène Lupin, Angels & Insects, Bitter Moon en de mini-series A Handful of Dust en Body & Soul.)
Lees hier Starstruck (1).
U zei?