De taal van Thuis (3)

20 03 2009

“Zijde gij bij d’oeren geweest of nie?”

“Ik wil van geen van jullie beiden een nier!”

Lang geleden gruwelde ik met regelmaat om het schabouwelijke taalgebruik in de Thuissoap. Dan maar zoveel mogelijk wegkijken, maar nu ik na een weekje bosklas uitgeput op de zetel neerzak en daarbij bovenstaande flarden scenariowerk van torenhoog niveau opvang, rijst de vraag of deze populaire serie iedere week zo grandioos tussen onbevattelijkheid en absurdisme balanceert. Woont David Lynch in Vlaanderen?





Grotemensenklap

6 11 2008

Als tussendoortje…

kinkycosy1

(NIX)





Herinnering aan een leerling (2)

5 11 2008

Tijd voor een iets minder droevig relaas uit mijn onderwijsverleden.

Mijn eerste jaar als leerkracht bracht ik door op een brave katholieke dorpsschool waar de leerlingen zich neerlegden bij klassieke leertechnieken en de ouders vooral punten belangrijk vonden. In die omstandigheden ontwikkel je als leerkracht niet meer dan wat primaire vaardigheden, maar dat was toen precies wat ik nodig had. Dat de ouders soms nogal nauwdenkend of defensief waren, was wat lastiger.

kontEén van mijn leerlingen was Tamara (fictieve naam), een niet echt verfijnd meisje dat ik op 11-jarige leeftijd al wat te moederlijk vond om goed te zijn, al was het dan een moeder van het bazige soort. Tamara liet zich vooral opvallen in praatmomenten. Dan nestelde ze zich in dorpspraat, dooddoeners, roddels en beschamende huiselijke taferelen, waarbij diverse keren de burenruzies ter sprake kwamen. Ook het feit dat haar vader bij vele feestelijke gelegenheden te diep in het klas keek en dat hij in dronken staat wel eens zijn broek afstak, bleef niet onvermeld. Voor meer essentiële bijdrages hoefden we niet op Tamara te rekenen.

Ik vond haar daarom niet minder aardig. Het was niet meteen een makkelijk kind, dat een zekere onverdraagzaamheid van thuis leek mee gekregen te hebben, maar ze werkte wel goed mee en deed geen vlieg kwaad.

Haar ouders kreeg ik niet meteen te zien, maar op een dag kwam Tamara zwaaiend met haar rapport de klas binnen. Haar procent klopte niet, dat had haar moeder nagerekend. Thuis was dat (niet echt fantastische, maar ook niet slechte) rapport goed bestudeerd en er werd een verklaring gevraagd voor het foutieve procent. Ik schreef een vriendelijk briefje naar de ouders, van wie ik me intussen een beeld had gevormd (mensen met wie je beter geen ruzie had), en legde hen uit dat het digitale rapport meer gewicht toediende aan belangrijkere vakken, waardoor een 10 op muzische vorming minder waard was dan een 10 op taal. Een reactie kwam er niet, maar toen ik Tamara enkele dagen later vroeg wat haar mama van de uitleg vond, liet het kind doorschemeren dat haar ouders wat verongelijkt waren. Hadden zij gehoopt dat die beginnende leerkracht op fouten kon gewezen worden? Jammer voor hen.

Op het eerste oudercontact kwamen de ouders van Tamara niet opdagen. Haar resultaten waren best oké, al waren haar inspanningen zeer beperkt. Je zou kunnen zeggen dat Tamara wat oppervlakkig was en niet per se iets wilde bewijzen. Hoopten haar ouders wellicht dat ze een jaar later de humaniora zou kunnen aanvatten, zag ik haar heel goed gedijen in een technische richting. Zonder die mensen ooit een keer te spreken, kwamen hun (hoge) verwachtingen over de toekomst van hun (enige) dochter tot uiting doorheen de schaarse communicatie en de uitspraken van Tamara (‘Mijn moeder zegt dat ge te weinig huiswerk geeft!’, ‘Ik moet van mijn moeder ook de oefeningen maken die ik van u niet moet maken!’ ‘Mijn vader zegt dat 6 op 10 te weinig is!’). Was mijn gevoel correct dat de prestaties van de dochter rechtstreeks gelinkt werden aan mijn lesgeven? Ik kreeg de indruk dat de meester wel eens ter sprake kwam in huize Tamara.

Halverwege het schooljaar deden we een project rond wereldgodsdiensten. We zouden daarbij eens expirementeren met henna, waarmee we onze handen zouden beschilderen. Ik gaf de ouders vooraf wat informatie mee en vroeg hen eigenlijk ook om toestemming. Ik verklaarde dat het om een natuurlijk product ging en dat de schilderingen hoogstens een week of zo zichtbaar zouden zijn. Alle ouders verklaarden zich akkoord, behalve die van Tamara. ‘Mijn moeder zegt: ‘wat is dat voor ne meester, die u leert tatoeages zetten?!’. Tamara imiteerde daarbij de toon van haar moeder, maar het was me niet duidelijk of ze dat bewust deed en al helemaal niet of ze het met haar moeder eens was.

boosIk zou zo’n uitspraak kunnen koppelen aan een zekere nauwe geest en angst voor het nieuwe en onbekende. Dat zou dan hun probleem zijn. Maar Tamara voegde er ook aan toe; ‘en mijn moeder heeft ook gezegd dat ne meester met zijn poten van de kinderen moet blijven’. Ik vond de moeder van Tamara sindsdien een akelige zuurpruim en stelde me haar voor als een mojjer van het ergste soort. Bovendien was ik niet helemaal gerust in haar uitspraak. De moeder van Tamara was bediende in een supermarkt (‘geen kassajuffrouw, ze moet klanten helpen!’) en ik stelde me haar klantonvriendelijk voor, zuurkijkend achter haar balie en tegen haar collega’s tirades afstekend over die leerkracht waarbij haar dochter niets leerde. In een klein dorp is zoiets al snel groot nieuws, en ik zag me al het middelpunt van verontwaardigde conversaties worden, maar ik heb er verder gelukkig nooit meer iets van gehoord.

Maanden gingen voorbij en de prepuberteit, gekenmerkt door aandacht voor het hoogst onnozele en afkeuring voor alles wat enigszins gewoon is, kreeg Tamara in haar greep. Haar schoolwerk beschouwde ze als een noodzakelijk kwaad en ze was tevreden met het minimale.

Het schooljaar werd afgesloten met een oudercontact waarbij ook twee mensen van het CLB aanwezig waren. De resultaten en vooral de toekomstmogelijkheden van elk kind werden professioneel besproken. De twee medewerkers waren jonge en sympathieke mensen en we hadden ons samen al door een tiental gesprekken geworsteld toen de ouders van Tamara aan de beurt kwamen. Voor het eerst dit schooljaar zou ik ze dus ontmoeten. Beiden kwamen binnen met het gezicht op onweer. Een goeiedag kon er nauwelijks af. Ik stak van wal met het bekijken van de resultaten, die zeer wisselend waren. Meneer Broekaf en Mevrouw Mojjer aanhoorden me zonder een krimp te geven. De communicatie bleef in één richting plaatsvinden en ik ratelde maar door, gesteund door de twee CLB’ers die op de hoogte waren van de wat scheefgetrokken relatie met mensen die ik nooit ontmoet had. Op een bepaald moment wik en weeg ik mijn woorden om duidelijk te maken dat Tamara niet echt actief is. Dan braakt de moeder haar woorden bars, haatdragend en luid uit: ‘Ge wilt dus zeggen dat mijn dochter lui is?!’. Wellicht kromp ik toen wat ineen, maar ingebonden heb ik zeker niet. Dat waren haar bewoordingen, maar de essentie was dezelfde. De vader bleef al die tijd even nors toekijken. Moeder de vrouw toonde zich na haar mini-uitbarsting weer even ontoegankelijk als voorheen. Mechanisch aanhoorden ze onze verdere uitleg en het advies van het CLB. Zonder verder nog één woord te zeggen, verlieten ze de ruimte.

Toen de deur dichtsloeg, beseften we hoe gespannen we erbij zaten. De agressie en onuitgesproken verwijten die in de lucht hingen, waren drukkend. Wapens waren net niet getrokken, maar als blikken konden doden, lagen we nu wel alledrie te creperen. We begonnen de spanning van ons af te lachen en langzaam aan beseften we hoe pijnlijk hilarisch dit oudergesprek eigenlijk geweest was. Toen de volgende moeder binnenkwam – gelukkig een zéér tof mens – moesten we even tot onszelf komen.

Tamara is nu 20. Ik heb haar nooit meer teruggezien en vraag me wel eens af of ze haar moeder geworden is. Een veredelde klapij met een ongezonde sensatiezucht en een Familie-verslaving, lomp en grof, bevooroordeeld en defensief op een verkeerde wijze, zo in te lijven bij de foute politieke partij. Aan de kassa van de supermarkt, misschien? Of heeft ze toch nog het licht gezien en schudt ze wel eens bedroefd het hoofd om zulke kleine ouders?

(lees hier een andere herinnering aan een leerling)





Het ontbrekende zintuig

31 10 2008

Een zelfverklaarde helderziende vrouw moet uit een rijtje van 5 vermomde meisjes één bepaalde meisje halen. Ze kiest er na wat twijfelen iemand uit, het masker wordt afgezet.

Helderziende: (zucht van opluchting en knikt) ‘Altijd hetzelfde met mij, die onzekerheid, die twijfel. Altijd zoeken naar tekens, wat krijg ik door? Maar kijk, dan toch iedere keer weer, blijkt dat ik de gegevens juist interpreteer. Ik weet wat ik kan, ondanks al die twijfel is het dan toch keer op keer juist!’

Presentator: ‘Maar het is niét juist!

Helderziende: ‘Ah, ‘t is niet juist?

Televisie van het allerlaagste allooi.

Het zesde zintuig, iedere donderdag op VTM, 20u40. Lachen of huilen?





Genen Ellowien!

31 10 2007

Een moeder in de supermarkt. Druk bezig boodschappen in te pakken. Twee ukken – één los, één in buggy – maken elkaar het leven zuur. Moeder kaffert hen uit ten overstaan van heel de supermarkt. Ze is een goede moeder en dat zullen we geweten hebben. ‘Wacht maar, ge zult uw straf nie ontlopen!’ krijst ze, meer tegen de rij wachtenden achter haar dan tegen de kinderen zelf. Die er overigens onverstoorbaar onder blijven. En dan, terwijl ze al bijna aan de uitgang zijn ‘Vanavond genen ellowien!’. Wat jammer voor de ettertjes. Maar wat is dat dan ‘geen Halloween’? Wat is ‘wel Halloween’? Zijn er hier mensen die dat echt ‘vieren’?





Qué?

23 05 2007

Big Brother (met vervormde stem, u kent dat wel):

‘Wat ga je doen met die 10.000 euro?’

Kandidate:

‘Mij siliconen laten zetten…

Eerder hoorde ik ook dit uit de mond van een kandidate:

‘Wij allemaal dat bed uit en de bolognaise dansen!’

En er snel nog aan toevoegen dat ik dus niét naar dit programma kijk!





Opgelost

7 05 2007

Het verhaal van één van mijn leerlingen in de praatkring deze ochtend – (op licht sensationele toon):

kaartlegster.jpg“Je weet wel van dat meisje dat vermoord is. Wel mijn opa is daar ver familie van en daarom is mijn mama naar de kaartlegster geweest vorige week. En die heeft gezegd dat ze veel water zag en een plastieken zak en dat hij vuile dinges met haar had gedaan en littekens in haar gezicht had gedaan. En dan hebben duikers haar gevonden en het was waar. En de dader is een 19-jarige drugdealer heeft de kaartlegster gezegd.”

Waar maakt de politie zich nog druk om? De zaak is blijkbaar al opgelost.
Maar al die onzin maakt het er natuurlijk niet minder tragisch op.





Awoe Eddy Wally

13 04 2007

Eddy Wally wordt dit jaar 75. En dat moet gevierd worden, menen bepaalde lui die niets om handen hebben. Maar ik vraag me eigenlijk af wat er zo bijzonder is aan deze derderangs artiest? Hij is ‘een fenomeen’, zo zegt men. Waarom eigenlijk?

In de eerste plaats durf ik stellen dat Eddy Wally niet kan zingen. Hij heeft geen opvallend goede of mooie stem en kan amper toon houden. Daarnaast maakt Eddy géén goede liedjes. Hij heeft weliswaar voor enkele klassiekers gezorgd, monumenten in het Vlaamse muziekpatrimonium, maar dat wil eigenlijk niets zeggen. De Vlaming is nu niet bepaald een groot kunstliefhebber. Het is dus niet omdat iedereen het liedje kent of er veel exemplaren van verkocht zijn, dat het ook een goed nummer is. En daarmee bedoel ik, een knappe compositie, een interessante tekst, een originele melodie, e.d. Nee, de liedjes van Wally zijn gedrochten, net als zijn kostuums. Nietszeggend, onbeduidend gekwek op een kermisdeun gezet. Heeft de man trouwens de laatste twintig jaar nog een lied gemaakt dat (binnen deze context) van enige betekenis is? Ik meen van niet, al ben ik daar niet zeker van natuurlijk, ik ben niet thuis in het genre. Maar de zanger zet gewoon af en toe een beat op een oude hit of brengt een cover van afgedankte sterren, die we vervolgens nérgens te horen krijgen. Toch zou hij naar eigen zeggen de ene hit na de andere scoren.

En dat brengt ons bij de essentie. Eddy Wally is een gigantisch overschat ‘artiest’, en dan vooral door zichzelf. De man noemt zichzelf een wereldster. Hij heeft weliswaar al over de hele wereld opgetreden – zelfs in kitschparadijs Las Vegas – maar wat bewijst dat eigenlijk? Heel wat andere Vlaamse artiesten en groepen (The Confetti’s, K’s Choice, Deus, Zita Swoon en zelfs het onvergetelijke Def Dames Dope!) traden op in alle werelddelen, maar dat wil niet zeggen dat ze doorgebroken zijn, er rijk van geworden zijn en al helemaal niet dat ze daardoor wereldberoemd zijn. Bestaan er beelden van Eddy Wally in uitverkochte concertzalen  – en dan spreek ik over minstens duizend toeschouwers? Alleszins wel van zijn verschijnen in het Britse programma Eurotrash. Dat zegt eigenlijk genoeg. En dan wil ik niet beweren dat Wally liegt over zijn succes, maar wel dat hij geen enkel benul heeft van wat algemeen gezien als ’succes’ wordt beschouwd. Anderzijds: de man kreeg wel een standbeeld en was zelfs even in de running voor De Grootste Belg. Maar een tactiek zit daar niet achter. Als je lang genoeg doordraaft, wordt zelfs een grap ernstig genomen.  

wally1.jpg

Goed, misschien dat Wally als artiest door slechts een minderheid wordt gewaardeerd, maar velen vinden hem zeer entertainend en goed om eens flink uit te lachen. Maar zijn we na al die jaren niet uitgelachen? De clown bezig zien in panels en interviews, levert nu en dan nog wel eens eens hilarische beelden op, maar niemand lijkt zich te realiseren dat Eddy Wally volkomen wereldvreemd is, zich compleet onbewust van het hoe en waarom van het dagelijks  leven. Mensen die dus stellen dat Eddy Wally eigenlijk veel slimmer is dan hij zich voordoet en de grap gewoon meespeelt, hebben het bij het verkeerde eind. Eddy Wally is gewoon een domme oude man, die zich – let er maar eens even op – zelfs niet behoorlijk  kan uitdrukken. Ik vind zijn gestamel en versprekingen al lang niet meer zo grappig. Eerder triestig, vooral dan het feit dat sommige media nog steeds menen dat Wally nog iets te vertellen heeft. Ik zou hem liefst van al nergens en nooit meer aan het woord gelaten horen.

In zijn kielzog treffen we Mariëtte aan, dochter Marina en zelfs kleindochter Vanessa, allemaal extreem marginale figuren die de illusie van Wally als slimme ondernemer, tegenspreken. Te Ertvelde vertoeven ze in een wansmakelijk gedecoreerd villa’tje dat de het absolute gebrek aan stijl van de familie Wally in de verf zet. Ze zijn ook Wally’s vurigste fans. De man vertoeft dus dagelijks in een zelfgecreëerde droom. Met de dwazen en onverstandigen loopt het geluk mee.





Cash*Fresh, come back! (II)

17 09 2006

Nu de transformatie van Cash*Fresh naar Delhaize zo stilaan een feit is in Haaltert, volgt hier – omdat ik zo gefascineerd blijf door het gedragspatroon van de dorpsbewoner – een tussentijdse evaluatie, gebaseerd op ooggetuigenverslagen.

Eerst en vooral blijkt dat de winkel niet alleen leger is ten gevolge van de opruiming, er is ook gewoon minder volk. Dat heel wat producten een hogere prijs toegekend kregen, heeft heel wat klanten misschien doen besluiten ergens anders inkopen te doen. De oma van Lode wist zelfs te melden dat de beschuiten nu 10 cent (‘4 frank!) duurder zijn! Nochtans is haar pensioen hetzelfde gebleven! Het is ons ook ter ore gekomen dat één van de kassiersters zaterdagnamiddag zelfs even niets te doen had. Dat moet een unicum zijn. Feit is dat elk personeelslid dat even niets om handen heeft, nu het gevaar loopt te gaan nadenken. En wie weet wat die plotseling hersenactiviteit tot gevolg zou kunnen hebben.

In de confrontatie met de vooruitgang heeft Haaltert verder eens te meer zijn onbeschaafdheid laten blijken. Wanhopige bejaarden smeken om hulp bij het kiezen uit de diverse broodzakken (die nochtans duidelijk genummerd zijn! En er zijn slechts 3 soorten) en slaken alarmkreten bij het aanschouwen van de broodsnijmachine. Eens te meer is de Haaltenaar iemand die bang is voor het onbekende. Welkom in de 21e eeuw, zou ik zeggen, ware het niet dat de broodsnijmachine nu toch al een tijdje bestaat.

Een derde vaststelling is dat de delicatessen en meer verfijnde producten die je met Delhaize associeert, gewoon blijven liggen. De Haaltenaar heeft geen zin in of geen geld voor zeldzame vissoorten, karaktervolle groenten of ‘nieuwe’ gerechten. Des te meer keuze voor de fijnproever. Het valt overigens ook op dat de zelfbediening in de vleesafdeling meer en meer mensen doet afzien van een aankoop. Vroeger was al wat je nodig had voor een lekker stukje vlees, het aanspreken van de joviale slager. Die is nu verdwenen en de consument moet zelf gaan nadenken en – o gruwel – gaan lezen wat er op de verpakking staat!

Gaat deze supermarkt te snel voor Haaltert? Zal het tijdperk van consuminderen zijn aanvang kennen? Zal het IQ van het personeel alarmerend stijgen? Zal Helga zich tot de kabala bekeren? Leert Bettina A.N. spreken? En sluimert de geest van fiere filiaalhouder Freddy nog rond in de magazijnen van de winkel? Zal hij zich dan alsnog wreken op SveN? En hebt u nog niet genoeg van deze zever? ….





Cash*Fresh, come back!

10 09 2006

De Cash*Fresh Haaltert – sinds jaar en dag een bron van ergernissen en hilariteiten - is sinds kort omgetoverd tot een Delhaize. Aanvankelijk stemde mij dat tevreden. Een sterk merk als Delhaize zou misschien eindelijk eens paal en perk stellen aan de amateuristische wijze waarop hier een supermarkt gemanaged werd. En inderdaad, meteen valt op dat de winkel éindelijk een keer opgeruimd is. De gangen zijn aangenaam leeg en men lijkt eindelijk de opeenstapeling van indoormarketing een halt toegeroepen te hebben.

Een grondige verandering waar de dorpsmens echter meer moeite mee zal hebben, is de omschakeling naar zelfbediening. Groenten, fruit, brood en gebak mag men nu zelf nemen in plaats van te moeten aanschuiven. Ook de vleesafdeling is omgeschakeld naar een zelfbedieningssysteem. Nu kunnen allerlei versleten argumenten bovengehaald worden over het verdwijnen van menselijk contact, maar dat is nu eenmaal vooruitgang en als het winkelen daardoor sneller verloopt, is dat uiteindelijk toch positief. Ook de rijen aan de kassa’s zijn korter en gaan sneller vooruit.

En toch, toen ik die eerste keer in de reeds half vernieuwde winkel rondwandelde, miste ik iets. Geen aanschuiven meer betekent ook dat ik me niet langer kan vergapen aan de occasionele marginaal of de onbeleefde bejaarde (van het soort dat het personeel aanspreekt met ‘dingsken’). Dat ik minder en minder versteld kom te staan door het onvermogen van kassiersters om AN te spreken of simpelweg beleefd te zijn. Dat ik geen Haaltertse dooddoeners meer mag aanhoren (een klassieker is: ‘al 11 uur en nog gene patat geschild!’). Kortom: minder observatiemogelijkheid van het Haaltertspecies. Waar haal ik nu mijn inspiratie vandaan voor het professioneel beledigen van mijn medemens? Zal ik dan toch naar de markt moeten gaan in Haaltert???

Met de Cash*Fresh verdwijnt alweer een stukje cultuurpatrimonium. Straks wordt Haaltert nog beschaafd!





Een dagje VTM’en (2)

3 09 2006

Wat voorafging: SveN is terechtgekomen op de preselecties van een vtm-quiz… (lees hier deel 1)

logo_1en70.jpg

Tijd voor wat actie. Er werd ons meegedeeld dat men toch wel enkele spontane kandidaten zocht. Daarom kregen we de opdracht ons voor de groep voor te stellen. Gezien ik praten over mezelf niet bepaald een zware taak vind, zag ik dat wel zitten. Alleen zou ik ook de 74 andere kandidaten moeten aanhoren en dat leek me andere koek. Het begon al meteen slecht. De eerste kandidaat stelde zich voor als: ‘Meus Jenny’, daarmee mijn terechte en alom bekende aversie tartend voor het plaatsen van de familienaam vóór de voornaam. Ook zo’n 50 anderen stelden zich aldus voor. Sommigen koppelden er meteen ook de naam van hun halve trouwboek en kinderen aan toe, wat me redelijk onnodig leek. Natuurlijk waren heel wat mensen ‘woonachtig’ en ‘tewerkgesteld’. Hobby’s waren er ook, maar puur toevallig bleken zowat alle mensen dezelfde vrijetijdsbesteding te hebben. Biljart, wielrennen, voetbal en … pintjes pakken. Hier werd keer op keer flink om gegrinikt, maar mij kostte het geen enkele moeite mijn gezicht in de plooi te houden. Wie het over voetbal had, mocht overigens ook zijn favoriete club bekend maken. Het kreng vooraan deed dan haar best de rest van de groep op te zetten tegen de betreffende club. De zaal veranderde dan ook tientallen keren in een supporterstribune. Geweldig! Maar niet echt.

Een andere deelneemster – die verdacht veel op de moeder van SveN leek – merkte bij haar voorstelling op dat er net als in de maatschappij al veel te veel over voetbal was gepraat. Dat leverde haar een applausje op. Toen ze zich bekend maakte als liefhebster van moderne kunst, zag mevrouw de producer haar kans schoon om wraak te nemen voor die kritiek. ‘Van moderne kunst weet ik de botten’ blafte ze – hoe kan het ook anders – zo bot mogelijk.

Ook hier kon ik vast stellen dat mensen hun levensloop graag tot in de meest onbenullige details gaan beschrijven. Een vrouw vertelde dat ze 30 kilo vermagerd was. Een ander had het over haar dochter die volgende maand ging trouwen. Iemand was al 23 jaar weduwe. Een ander had een zoon met een ongeneeslijke ziekte. Een ongeval had de sportcarrière van nog een andere kandidaat beëindigd. Twee voormalige schoolvriendinnen vielen elkaar in de armen. Ook de rolstoel en de vrouw die voor haar moeder zorgde, laafden zich aan de aandacht van het publiek en herhaalden hun ellendige levensloop. De rolstoel grapte overigens ook ‘dat haar tong de enige spier was die nog werkte’. Hilariteit alom, maar ik proefde de tienduizendste herhaling van deze kwinkslag en weigerde ook maar te grijnzen. Noem me gerust een pretbederver, maar deze opeenstapeling van dommigheden, marginaliteit, platvloersheid en lelijke brilmonturen, had mijn humeur haast gekelderd.

Nu wil ik niet iedereen over dezelfde kam scheren. Er waren best wel leuke mensen bij, die het op tv wellicht goed zouden doen. Maar toen kregen we te horen dat enkele kandidaten zouden afvallen. Omdat hun beroep de diversiteit van het deelnemersveld verstoorde – er bestonden volgens het secreet nochtans slechts twee beroepen: arbeider en bediende – of omdat ze over te weinig flair beschikten bij de voorstelling, of omdat de score van de kennistest te laag lag. ‘Het is dus niet omdat u straks naar huis moet, dat u een dommerik bent!’ liet het kreng vergoelijkend weten. Ze vertoonde plots een zweem van sympathie.

10 kandidaten werden ‘niet weerhouden’ zoals dat in het Ambtenarees genoemd wordt. Er werd na het verkondigen van de tien namen nog een keer benadrukt dat het niet de kennistest was die deze mensen de das omgedaan had. Ik zou hier tegenin kunnen gaan met allerlei kwetsende opmerkingen over een zeker gebrek aan intelligentie die deze kandidaten leken uit te stralen, maar dat zou al te grof zijn. 10 vragen lijken me onvoldoende om zeker te zijn van een bepaald kennisniveau, maar vanuit het standpunt van de makers is aannemelijk dat niet élke deelnemer een bolleboos dient te zijn.

Ik overleefde dus die eerste selectie en wachtte vol spanning af wat de volgende stap zou zijn. Geen, zo bleek. Iedereen die nu nog in de zaal zat, mocht meedoen. Meer nog, iedereen mocht maar liefst 7 keer meespelen. ‘De VTM-kijker denkt dat er elke dag 70 nieuwe spelers zitten,’ zo verklaarde de Tactloze. ‘Maar dan zouden we heel Vlaanderen nodig hebben om te spelen. Dus nemen we 7 afleveringen na elkaar op en slechts als u wat teveel in beeld bent geweest, laten we u er even tussenuit. Anders krijgt de kijker argwaan!’. Na het onthullen van dit geheim mochten we een datum kiezen die ons schikte om mee te spelen. Vervolgens mocht iedereen gaan, op een groepje van een tiental mensen na. En… daar was ook ik bij. We kregen te horen dat we geschikt geacht werden om ‘unieke kandidaat’ te zijn, de 1 uit 1&70, dus de speler die het opneemt tegen de 70 zaalspelers. Daarvoor dienden we een cameratest af te leggen, maar pas op het moment van de opnames zouden we te horen krijgen of we ook effectief in die functie meespeelden. Opvallend was dat al de gekozen mensen jonger waren dan 35. Wellicht maakt ook dit deel uit van het verjongingsinitiatief van VTM. 

Toen stelde ik vast dat ik intussen in mijn nopjes was. De gedachte aan mijn deelname deed me op wolkjes lopen. Plots leek het blonde secreet niet meer zo onaardig. De mensen om me heen waren ineens een stuk minder marginaal. Ik werd interessant bevonden. Pas enkele uren later, toen de roes van de ‘overwinning’ begon weg te ebben, realiseerde ik me weer hoe we als dom slachtvee behandeld werden. Hoe triviaal zoiets is als een tv-verschijning. Hoe we ons verlaagd hadden tot hebberige, egotrippende quizmaniakken. En hoe uitermate omkoopbaar ik was dat ik het zou wagen deel te nemen aan een … VTM-PROGRAMMA!!!

Daar moest ik even over nadenken. De mensen om me heen reageerden al niet meteen erg enthousiast. De media confronteren ons iedere dag met kwibussen die hun privé-leven, hun waardigheid en hun eer prijs geven voor 15 minuten roem. Onze familie heeft altijd zijn eigen grenzen kunnen bepalen, gewoon op gevoel. Niet dat onze afkeer van VTM zo gigantisch is – uiteindelijk zou dat een grove veralgemening zijn -, maar we associëren het wel met een type mensen waar we eigenlijk niet willen bijhoren. We zien de verkleutering, de debiliteiten, de sensatie, de clichés, de dooddoeners, de flauwe zever. Daar wil je toch zo ver mogelijk vandaan blijven?

Dat relativeer je een dag later dan weer. Uiteindelijk is het máár een deelname aan een doodgewone quiz en wie vindt dat dat een verloochening is van principes, is zelf ofwel té principieel – wat toch wel zeker geneugtes in de weg staat – of heeft gewoon zulke vage principes dat die er nooit zelf moet aan twijfelen. Het gaat niet om Big Brother of Temptation Island. Ik speel dus mee met 1&70. Opnames op 14 oktober, toevallig op 1 dag na drie jaar na de opnames van De Pappenheimers. Ik houd u op de hoogte.

Voor wie me beter kent, en er toch nog aan twijfelt: ik neem eerst en vooral deel omdat er iets te winnen valt, dan omdat het een quiz is en pas op de derde plaats omdat het voor televisie is. Overigens, ik heb dit programma pas nu voor het eerst zelf eens bekeken en geef toe: moeilijk is het niet. Wat de afgang natuurlijk des te groter maakt als je met lege handen naar huis moet…





Een dagje VTM’en

29 08 2006

Principieel heb ik nooit de stap gezet me in te schrijven voor een VTM-programma. Wanneer echter een ander dat voor jou doet, zonder je medeweten, blijken competitiedrang, nieuwsgierigheid, hebzucht en mediageilheid zo sterk, dat ik me vandaag dan toch naar de preselecties begaf van het programma 1&70, de VTM-quiz met Koen Wauters die de concurrentie met Blokken moet aangaan. Het werd een haast hallucinante ervaring die net niet mijn persoonlijke hel evenaarde…

Het begon al bij aanvang, toen bleek dat de opgedaagde kandidaten een heel ander profiel hadden dan de doorsnee quizer of kandidaat bij preselecties van VRT-programma’s. Ik ga me niet wagen aan een uiterlijke beschrijving van de typische VTM’er, maar laat ons zeggen dat sommigen in een dronken bui de kringloopwinkel geplunderd leken te hebben of zich voor de gelegenheid in dat ene fatsoenlijke hemd hadden gewurmd - hoewel fatsoenlijk een zeer rekbaar begrip bleek te zijn. Tijdens het wachten manifesteerde zich dan weer een zeer typisch fenomeen onder dit soort mensen: ze beginnen elkaar hun leven te vertellen, liefst zo luid mogelijk en met nadruk op de miserie – die dan weer zo nonchalant mogelijk moet verkondigd worden, want men wil vooral niet de indruk geven medelijden te willen. Eén dame in rolstoel liet zich in een behoorlijk irritant accent opmerken door ongelooflijke kul te verkopen over de toegankelijkheid voor rolstoelen in Blankenbergse tavernes. Een andere overrijpe dame liet zich niet onbetuigd. Zij zorgde voor haar 95-jarige, bedlegerige moeder en moest dus qua dapperheid/zieligheid niet onderdoen voor de rolstoelgebruikster. Tussendoor beschreef ze ook nog een keer haar 32-jarige carrière als bankbediende, wat nu ook weer niet zo veel tijd in beslag nam aangezien ze 30 jaar ervan achter het loket had gezeten. Het viel me bij de uitwisselingen van levensverlopen vooral op dat deze mensen liefst zoveel mogelijk vertellen zonder daarbij naar een ander te willen luisteren. Elk dramatisch voorval werd dus steeds snel gecounterd met een heel andere tegenslag zonder dat er ergens werd op ingegaan. Ik bedacht intussen allerlei ideeën om de rolstoelgebruikster op wrede wijze het zwijgen op te leggen en vroeg me toen al voor de zoveelste keer die dag af wat ik tussen deze mensen te zoeken had…

Een andere dame, die zich al snel als een volbloed VTM-kijkster opwierp en gretig met haar Dag Allemaal zwaaide, sprak intussen een lezer van Het Nieuwsblad aan. Of hij voor haar het zegeltje waarmee je voor een gratis radiootje van Spring kon sparen, wilde uitknippen? Dat was al meer dan ik wilde weten. Een ander vrouwmens van laag allooi, verklaarde voor wie het horen wilde, dat Koen Wauters zelf niet aanwezig zou zijn op deze preselectie. Ze bracht deze boodschap met de stelligheid dat ze daarmee ons aller verwachting tegensprak, een collectieve ontgoocheling losmaakte en bovendien verdiende beloond te worden voor haar intelligentie. De ernstige blik die ik haar toewierp sprak eigenlijk: ‘Moge u ter plekke doodvallen’.

Maar toen begon de nachtmerrie pas echt. Alle 75 kandidaat-deelnemers werden binnen geloodst in een zaaltje. Een blond secreet dat wellicht pas was afgestudeerd in één of andere mediagerelateerde opleiding, begon ons op de meest paternalistische, denigrerende en simpelweg boerse wijze toe te spreken. Ik dacht deze uitermate onsympathieke bitch het voordeel van de twijfel te geven – misschien kreeg men bij VTM de opdracht de mensen ‘volks’  (lees: ‘kinds’) te behandelen - maar stilaan bleek dat dit wicht simpelweg de fundamenten der beleefdheid en vriendelijkheid ontbeerde. Zo kreeg een dame die net te laat binnenkwam er meteen flink van langs, met sardonische opmerkingen waarmee het secreet trachtte te scoren bij de groep. Vervolgens werd ons toegeblaft dat de gsm’s uitgeschakeld dienden te worden. Daar volgde de alweer grappig bedoelde opmerking op: ‘Anders pakken wij uwe gsm af, dan verkopen wij dienen en op ‘t einde van ‘t jaar gaan we daar bij de VTM mee op skireis!’ Daarna kregen we een dictatoriaal gebrachte speech (waarin ook de woorden ‘kut’ en ‘godverdoeme’ vielen) over hoe de opnames van het programma verliepen. De verwaandheid nam alleen maar toe, en ik begon echt te geloven dat deze dame meende dat haar publiek uit debielen bestond.

Toen dit eindelijk achter de rug was, mochten er vragen gesteld worden. Niemand had er – of niemand durfde vragen te stellen – behalve de zich intussen flink interessant voelende invalide van daarnet. Zij vroeg zich af – na aangehoord te hebben wat voor kledij je beter niet draagt op televisie – of een zwart hemd met een gekleurde draak er op, wel kon. De beschrijving van het hemd nam wat tijd in beslag, maar uiteindelijk werd de zaak afgesloten. Waarna de dame ten overstaan van de ongeduldige wordende massa, nog een vraag had – of een hemd met ‘Mercedes’ er op, kon? – die al even kordaat beantwoord werd. Ik bedacht intussen nog een honderdtal andere plannen om deze ongetwijfeld doodbrave, maar o zo ergerlijke vrouw om te brengen.

Wat hield de selectieproef in? Werd ene Meus Jenny geselecteerd? Waren er nog meer zielige verhalen? Vonden twee oude schoolvriendinnen elkaar terug? Overleeft de rolstoelgebruikster deze dag? En werd SveN gekozen? Lees hier het vervolg.





Everybody Needs Good Neighbours (3)

8 08 2006

180px-harold-bishop_ian_smith-1987.jpgTijd om u ook mijn andere buren voor te stellen. In een vorig stukje las u al over de fermettebewoners links van ons. Vandaag zijn de rechterburen aan de beurt: E. & M.

Vijftien jaar geleden leerden we deze familie kennen als een typevoorbeeld van de VTM-familie. De muziek van Tien om te zien werd er gretig gedraaid, Rad van Fortuin, Walter’s Verjaardagsshow en Wie ben ik waren er de favoriete televisieprogramma’s. Dag Allemaal het lijfblad. De familie C. woonde in een typische woning: een als rijhuis vermomde fermette (zonder kapelletjes dus) waarin traditionele eikenhouten meubels zoveel mogelijk ruimte in beslag namen. Over smaak valt niet te twisten, vooral niet als die eigenlijk afwezig is. Ook aan onze rechterzijde werd dus een burcht van bruine donkerte opgetrokken. Poedel en brievenbus met engel inbegrepen.

Nu hoeft dat niet te betekenen dat E. & M. geen aardige mensen waren. Hun praatjes over niets mondden al snel uit in wederzijdse bezoeken. Vrijdagavonden waarbij er moppen verteld werden en al eens werd uitgepakt met de prijs van de nieuwe wagen. Maar de volgende dag verstoorde het getier van mevrouw C. alweer ons ontbijt. Vriendelijkheid paste ze immers enkel toe buiten de deur. In eigen huis werd het gezin vakkundig geterroriseerd.

Jammer voor de twee dochters. Twee al te brave tuthola’s die in hun sponzen broekje en met de diadeem op de kop vooral heel erg onnozel liepen te wezen. Hun genoegen haalden ze vooral uit onze belevenissen, want de meisjes waagden zich niet verder dan de oprit en werden ook nooit ergens mee naartoe genomen. Bij elke stap die wij buiten de deur zetten, klonk het dan ook in zagerig koor: ‘Dag Sven! Dag Boris! Waar gaan jullie naartoe (of de variant bij het thuiskomen: ‘Waar zijn jullie geweest?’). Intussen zijn ze volwassen en hebben ze als trotse erfgenamen de zuurheid van hun moeder overgenomen .

Nu is er heel wat veranderd bij de familie C. Geroepen wordt er niet meer nu één van de dochters het huis uit is en de ander gaat werken. Met het kweken van schitterende raskatten is een lucratieve en sociale hobby gevonden die de levensstijl van E. & M. haast te hoog laat worden voor onze bescheiden woonwijk. De haren geblondeerd, de moekesbril afgelegd, kleren van de betere E5-mode: ook fysiek is die stap hoger op de sociale ladder M. aan te zien. Hier wordt volop gecompenseerd voor luizige uitstapjes naar zee en Weba-meubilair al die jaren voorheen.

Heb ik daar nu allemaal last van? E. & M. zijn niet echt lastige buren. Al hebben ze zich wel eens bijzonder onverdraagzaam getoond toen we een keer een luidruchtig feestje gaven tot een gat in de nacht. Voor die ene keer in twintig jaar tijd dat er zich in onze wijk eens iemand te buiten gaat aan de geneugten des levens. Jammer ook van die scheefgezakte bouwval die ze, zoals de Vlaamse traditie der koterijen het betaamt, achteraan hun huis pogen te laten groeien en die de lelijkheid om ons heen nog wat storender maakt. Maar verder laat het doen en laten van deze mensen ons eigenlijk koud. Er wordt nauwelijks nog gecommuniceerd en dat is best zo.

Nu is het ridiculiseren van andere levensstijlen natuurlijk gemakkelijk. Ongetwijfeld is het precies die arrogantie die bepaalde lezers van deze blog stoort. Maar ik ben er nu meer dan tien jaar getuige van geweest hoe hardnekkig mijn buren ongelukkig wilden zijn. Hoe levensvreugde en zotheid er uit alle macht geweerd werden. Hoe de schone schijn (een steeds grotere auto op een steeds kleiner wordende oprit bv.) de illusie van geluk moest creëren. Dag na dag aanschouwen hoe de conservatieve consument zichzelf ten gronde richt, én daarbij onbewust aangeeft dat hij van jou hetzelfde verwacht, dat kun je als buur niet negeren. ‘Leven en laten leven’ is een mooie leuze, maar hier is eerder sprake van de dood. Mijn reactie daarop is cynisch, pretentieus zelfs, maar staat u er soms wel eens bij stil hoe de voortdurende nabijheid van iemand die u eigenlijk niet zo sympathiek vindt, ons allemaal beïnvloedt, vormt, vervormt zelfs? Vijftien jaar lang? In een verkavelingswijk ben je als nergens anders als mens ook het product van je omgeving. Wel sorry, maar mijn omgeving sucks. En als ik daar op deze wijze protest tegen aanteken, is dat voor mij essentiëler dan eventuele reacties hierop. Er zijn duizenden E. & M.’s in Vlaanderen, en allemaal verstoppen ze zich voor diepgang, betekenis of essentie. De pot op, allemaal!

(Klik hier voor deel 1 en deel 2)





Everybody Needs Good Neighbours (2)

25 06 2006

buurman.jpgMeer dan 15 jaar geleden kwam het echtpaar X zich naast mijn ouderlijk huis vestigen. Hun komst deed het ergste vermoeden. De ouders van mevrouw X bleken zelf in een bijzonder smakeloos optrekje te wonen – een soort minikasteeltje – en het vermoeden dat zij hun twijfelachtige smaak aan hun dochter hadden doorgegeven, bleek al snel gegrond. Uit het niets verscheen naast onze glas- en betonwoning een spuuglelijke kruising van een fermette, een schuur en een fort. Nu kunnen we het er desgewenst op houden dat smaken verschillen, maar er bestaat ook zoiets als smakeloosheid. Op een bepaald moment is er geen sprake meer van een bepaalde ’stijl’, maar van een opeenstapeling van ideeën, indrukken en voorkeuren die samen een allesbehalve geslaagd geheel vormen. Wat zich dus nu al vele jaren naast mijn ouderlijk huis bevindt, kun je moeilijk een pure fermette noemen. Die wansmakelijke mengvorm is dus een veel grotere doorn in het oog dan gewoon een lelijk huis. Bij het optrekken van de woning werden overigens snel enkele bouwovertredingen begaan. Een dakkapelletje meer of minder (dat uitkijkt over onze tuin) en een ondergrondse garage geven de boerenwoning immers al snel de allure van een villa. Door de bocht in de weg, kijken wij overigens uit op de zijkant van het huis, in plaats van – wat misschien draaglijker was geweest – op de achterkant. Met veranda uiteraard, want anders is zo’n woning niet compleet.

Van bij de start al bleek dat P. en E. niet de meest ideale buren zouden worden. De vader van P stak graag een handje uit bij de werken en omdat de tuinen nog niet afgesloten waren, kregen ze nogal vaak bezoek van onze avontuurlijke hond Turbo. Tot dat beest op een dag flink gewond thuiskwam. Een scherp voorwerp (een spade bleek later) was de oorzaak. Turbo kon wel tegen een stootje en kwam er weer bovenop. Maar telkens vader P zich vertoonde, werd hij behoorlijk agressief (het was al niet zo’n vriendelijke hond) en ook reactie van de man tegenover Turbo sprak boekdelen. De toon was gezet voor een jarenlange vriendschap met de buren.

Maar goed, de ene rij zielloze bakstenen volgde de andere op en ergens begin jaren ‘90 was de protserige woning een feit. Intussen hadden wij natuurlijk al lang een indruk van wat voor mensen onze nieuwe buren zouden worden. Het zou niet netjes zijn die vooroordelen hier te poneren, dus dat laten we dat maar even buiten beschouwing. Laat het ons er bij houden dat P. en E. geluk hebben. Ze kozen als twintigers voor haarstijlen en kleding die hen er, nu ze de veertig naderen, nog steeds hetzelfde laten uitzien. Oude mensen in jongere lichamen, het komt nog vaak voor. Over de normen en waarden die wij deze mensen toeschrijven, hun manier van leven en maatschappelijke betrokkenheid, en de wijze waarop ze hun kinderen opvoedden, kan eveneens veel verteld worden. Omdat niemand van mijn gezin ooit een diepgaand gesprek had met deze burgerlijk aandoende mensen, gaat het hier echter om zeer subjectieve waarneming en zullen we het becommentariëren ervan maar zo laten. Hoe ergerlijk ook, iedereen leeft nog steeds hoe hij wil en als buur hoor je je daar niet aan te storen.

Nu, bezorgen E. en P. ons eigenlijk last, behalve door het feit dat ze dagelijks met hun slechte smaak en conservatieve levensopvattingen pronken? Niet echt, al durf ik wel even opmerken dat de geuren die de dampkap van de familie X. regelmatig onze tuin inspuwt, een ware kwelling kunnen zijn, vooral als je zoals wij vaak in de tuin zit. Maar verder? Gesprekken met hen zijn er niet (en dat is dus positief), dus ook geen ruzies en verder weet de sobere levensstijl van deze mensen nooit voor overlast te zorgen. Er klinkt geen luide muziek, er zijn geen rumoerige feestjes… meer zelfs, de familie X. gebruikt de tuin enkel om gras te maaien, dus houden ze hun gekeuvel binnenshuis, al is er wel een enerverend keffend pantoffeldiertje (of zijn het er twee?) en al herinner ik me wel examenperiodes waarbij het moeilijk buiten studeren was wanneer langs de andere kant van de schutting twee kinderen luidruchtig hun fantasie uitputten omdat ze geen ander speelgoed kregen en buiten moésten spelen. Toen wij hen wat van onze oude lego aanboden, vele jaren geleden, werd dat door P. meteen geweigerd. We stimuleerden daarmee de verbeelding van hun kinderen en voor je het wist, zouden ze zelf ook om lego vragen, wat veel te duur was. Intussen zijn de dochters zo stilaan volwassen en blijken ze qua kleurloosheid en ruggegraatloosheid niet onder te doen voor hun intussen bestofte ouders.

Om tot de essentie te komen: waarom is het zo onaangenaam wonen naast de familie X? Vanwege de levensloosheid uiteraard. Met enkel noeste arbeid als principe, bouw je slechts een schijn van leven op die in onze wijk weliswaar sterk geapprecieerd wordt, maar voor ons onbegrijpelijk is. De auto staat te blinken op de schoongespoten oprit, het gras in de tuin wordt om de zoveel jaar vervangen, het huis wordt nu en dan eens van een nieuw ornament voorzien en hups! voor je het weet zijn er 20 jaar van deugdelijk en degelijk leven voorbij. Tenminste, zo lijkt het. Je buren ken je beter dan ze denken. De familie X straalt een onmiskenbare doodsheid en engte uit. Er leeft niets, er wordt niet gelachen, er moet gewerkt en gestudeerd en naar VTM gekeken worden. Betrokkenheid, creativiteit en passie worden afgestoten door eiken balken en gordijnen met frutseltjes. Modaliteit als streefdoel kan nobel zijn, maar zelfs daar heeft de familie X zich vergist. Zo’n vijftig jaar nog wel. Tijdreizen kan niet meer, dus blijven ze krampachtig doen alsof de 21e eeuw nog lang niet aangebroken is. De leegheid van het leven en de vergankelijkheid van de mens zijn nergens zo aanschouwelijk als op melkkouter **. Kom gerust eens kijken. Bloemen noch kransen.

(Lees ook deel 1 en deel 3)





Everybody Needs Good Neighbours (1)

19 06 2006

‘De Vlaming is sociaal’ kopte De Morgen het voorbije weekend n.a.v. een onderzoek naar onze leefgewoonten. De Standaard interpreteerde de resultaten enigszins anders. Heel wat landgenoten mogen dan misschien deel uitmaken van verenigingen en vaak op bezoek gaan bij familie, erg verdraagzaam blijken ze als buur toch nog niet te zijn. De meeste mensen willen niet naast gehandicapten, werklozen, holebi’s, migranten of éénoudergezinnen wonen.

Niet verbazingwekkend eigenlijk. In het artikel over fermettebewoners stond het reeds vermeld: de Vlaming wil liefst zijn zoals alle anderen, en woont dus ook liefst naast iemand die op hem gelijkt en niet naast iemand die afwijkt. Hoe dwaas toch. Als een buur voor overlast zorgt, kan dat toch niets te maken hebben met het feit dat hij tot één van de geviseerde groepen behoort? Een rockmuzikant die tot in de late uurtjes repeteert, een violiste die graag oefent met het raam open, een ruziënd koppel, een bejaarde die afval in zijn tuin gooit of simpelweg liefhebbers van de minder smaakvolle tuindecoraties, lijken me minder leuke buren dan om het even welk Turks gezin of een koppel roze ridders. Meer zelfs, maakt het eigenlijk uit naast wie u woont als u stilzwijgend overeenkomt elkaar met rust te laten? Alsof je buur steeds je beste vriend moet zijn. Al die pasgehuwde koppels die hopen gezellig naast een ander pasgehuwd koppel te gaan wonen in de hoop alledaagse ditjes en datjes te kunnen uitwisselen over de schutting heen, zouden voor hun huwelijk beter wat meer moeite doen hun sociale leven op peil te houden zodat ze zich wanneer het te laat is niet uit angst voor de eenzaamheid moeten gaan hechten aan de personen die toevallig naast hen zijn komen wonen.

Nu, ik stel het graag nog wat extremer. Rond mijn ouderlijk huis, waar ik nog steeds een deel van mijn tijd doorbreng, wonen enkel mensen die niet tot één van de vermelde groepen behoren. En niet één ervan is een aangename buur. Hoezeer ik ook moeite doe hen met rust te laten, zij blijven mij met zijn allen terroriseren. Zo woont er enkele huizen verder een sociaal geval wiens hobby karaoke is. Dit gebeurt dan bij voorkeur met gebruik van een microfoon en in de garage – met de poort open. Zo wordt de straat het decor voor een luidruchtig volksfeest (mét slechte muziek!) en is de dag om zeep. De karaoke-sessies duren immers steevast minstens enkele uren. De buurt heeft ook zijn eigen crimineel, zij het dan wel een amateur. De werkloze jongere G.S. pleegde onlangs een handtasdiefstal. Dat deed hij ongemaskerd en nauwelijks enkele straten verderop, zodat het slachtoffer hem – uiteraard – herkende.

In deze reeks stel ik u met veel plezier en op ironisch-kritische wijze mijn buren voor. Uiteraard wil ik daarbij gerust mijn eigen buurgedrag onder de loep nemen.

Lees hier deel 2 en deel 3)





Fermettebewoners

23 02 2006

In de boekenbijlage van De Morgen werd schrijver en denker Alain De Botton geïnterviewd over zijn nieuwe boek. De architectuur van het geluk gaat over de band tussen een mens en zijn woning. Wie meent dat zijn huis een afspiegeling van zijn persoonlijkheid is, vergist zich. Volgens De Botton zegt onze woonomgeving meer over hoe we zouden wíllen zijn dan over hoe we feitelijk zijn. Hij koppelt daar het succes van de fermette aan en biedt mij zo eindelijk een theorie aan die verklaart dat in fermettes doorgaans geen mensen wonen waar ik weinig sympathie voor heb.

Ik hou immers niet van fermettes. Niet alleen was het lastig opgroeien naast één van de meest afschuwelijke, smakeloze huizen van Haaltert, ik heb ook nooit begrepen waarom iemand iets wil creëren dat er uit ziet alsof het oud is.  De fermette is in feite een imitatie van een boerderij/stal waarmee de bewoners graag het landelijke benadrukken. Letterlijk vertaald betekent fermette ook ‘kleine boerderij’. De Botton zegt: ‘Daar wonen echter geen boeren in, maar bedienden die iedere ochtend tegen hun zin naar de stad pendelen.’ Inderdaad. Mijn theorie: de fermettebewoner zou liefst van al dicht bij huis blijven, waar de kans op verrassingen en avontuur beperkt is en ontmoetingen met onbekenden te vermijden zijn. Dit wijst op een conservatieve levenshouding. Meer nog, al zijn de fermettebewoners geen boeren, ze zouden het wel willen zijn. Boeren kunnen hun land en dieren moeilijk alleen laten, maar zijn uiteindelijk ook tevreden met dat houvast. Een fermettebewoner blijft dus graag thuis, waar zijn VTM en zijn Stella staan. Evenementen en sociale gebeurtenissen kosten te veel geld (ook boeren hebben vaak financiële moeilijkheden), en gezellig gaan shoppen is overbodig, want een trainingspak kan voor de meest diverse activiteiten gebruikt worden. Een boer draagt tenslotte ook alle dagen een overall.

Een fermettebewoner maakt dus niets mee en doet geen geld op., grofweg veralgemeend. Daarnaast is er de zaterdagse buitenwijkgewoonte van het grasmaaien en autowassen. De parallellen zijn evident. Het gazon is het veld, de auto de melkkoe of het varken. Een (mannelijke) fermettebewoner heeft nood aan deze traditie om zich verantwoordelijk te voelen.

Verder doet een fermette met zijn dakkapelletjes, kleine ramen, houtwerk en ongelijk gekleurde stenen ook denken aan een kasteeltje. Een huis is voor de fermettebewoner een statussymbool en moet daarom rijkdom uitstralen. Daarnaast zijn kastelen ook moeilijk inneembaar. De fermettebewoner houdt niet van vreemdelingen, en zeker niet op zijn eigen terrein. ‘Blijf weg’ zegt de fermette. Tenslotte zou het opteren voor andere materialen of stijlen voor de woning wijzen op eigenzinnigheid of een alternatieve smaak. En dat moet absoluut vermeden worden omdat anders de uniformiteit verbroken wordt. De fermettebewoner wil immers niets liever dan opgaan in de massa en verkiest dus een verkavelingswijk waar ook alle andere woningen fermettes zijn!  Deze conservatieve smaak uit zich ook in het politieke denken van de fermettebewoner.

Uiteraard is deze theorie schertsend bedoeld, maar laat ons eerlijk zijn: kent u veel interessante mensen die in fermettes wonen? Maar al te vaak zijn fermettebewoners zo voorspelbaar als de plattegrond van hun huis zelf! SveN heeft als gewezen jeugdbewegingsleider heel wat ervaring met het aanbellen bij fermettes en durft dus gerust veralgemenen. De pot op met fermettebewoners, en bij uitbreiding ook de bewoners van de meer hedendaagse variant: de haciënda en de woning in pastoriestijl.Voor meer gekanker op de fermettebewoner: Everybody Needs Good Neighbours.

(voor Mija en andere afstammelingen van boeren: laat duidelijk zijn dat boeren hier op geen enkele wijze in een negatief daglicht worden gesteld!)