OnBelangrijk

20 05 2012

Het is me niet bekend of er een Vlaamse gemeente bestaat waar Vlaams Belang een rol van, euh, belang speelt. Dat was zeker niet het geval in het landelijke Haaltert. Daar had trouwens geen enkele partij enige betekenis.

Alleszins kon ik me moeilijk voorstellen dat Vlaams Belangers op lokaal niveau ook maar ergens op  het  bestuur konden wegen, gezien ik hen vooral associeer met een gebrek aan fatsoen en intelligentie. Zonder te willen veralgemenen, uiteraard.

Ik heb echter altijd verondersteld dat in die enkele grote steden die Vlaanderen rijk is, Vlaams Belang het stelt met wat degelijker volk. Iets meer breeddenkend, wat redelijker, enigszins bereid tot dialoog, …Tja, wat is dat, ‘degelijk’?  Enfin, het is me vooralsnog niet duidelijk hoe ik aan die perceptie kom, maar ik dacht te mogen veronderstellen dat Vlaams Belangers die in pakweg Gent mee beleid willen voeren, toch over net dat tikkeltje meer niveau beschikken om met de grote mensen mee te kunnen spelen. Ik waag het in deze veronderstelling even de gemeenteraadsleden van andere partijen enig niveau toe te dichten om mijn punt te maken (Zuster Monica even terzijde gelaten).

Maar ik moet mijn mening herzien. Ook op stedelijk niveau slaagt Vlaams Belang er niet in redelijk, volwassen, eerlijk campagne te voeren. Andere partijen misschien ook niet, maar dan bevinden we ons nu toch nog enkele niveaus lager,  Een dikke week geleden trof ik ter illustratie immers deze campagnefolder in mijn brievenbus aan:

De voorkant van dit postkaartje toont ons weinig idyllische taferelen in Gent. De achterkant beschrijft de fictieve avonturen van Bart & Els, die zich in Gent beslist niet geamuseerd hebben.

Ik heb lang niet zo’n weinig subtiele, eenzijdige en vooral kinderlijk onnozele manier gezien waarop een politieke partij kiezers tracht warm te maken voor zijn standpunten. De ongeïnspireerde tekst lijkt me zelfs voor kinderen geschreven te zijn – laaggeschoolden en ongeletterden zullen vatbaarder zijn voor lulkoek, zal de veronderstelling wellicht zijn – en is zo nadrukkelijk doorzichtig dat ik me vragen stel bij het intelligentieniveau van wie in Gent mee in het bestuur van Vlaams Belang zit. Als je oppervlakkig, manipulatief en zwakbegaafd bent, moet je dat dan per se in de verf willen zetten?

Misschien moet ik de komende dagen dat 10-puntenplan maar eens doornemen om dan maar meteen inhoudelijk ook zeker te zijn waarom ik niet op deze partij zal stemmen.





De triomf van de leeghoofdige kip (2)

16 04 2012

Het is intussen al vier jaar geleden dat ik dit stukje schreef, uit ergernis omdat zo veel vrouwelijke sidekicks zich wentelen in onnozelheid. Linde Merckpoel moest het ontgelden – dat was niet zo aardig van mij – en blijft met dat artikel ook nog steeds opduiken wanneer Googelaars haar naam intypen. Is er intussen enige verbetering zichtbaar?

Vanochtend stond mijn radio zo min of meer per ongeluk weer op Studio Brussel. Ik dacht dat even te verdragen en was benieuwd waarmee het olijke duo Thomas De Soete/Linde Merckpoel me wakker zou weten te krijgen. Dat bleek rond kwart voor zeven een rubriek te zijn die gewijd was aan het moppentalent van Linde.

Ik kan me geen onaangenamer begin van mijn nieuwe werkweek voorstellen, eerlijk gezegd. In enkele seconden schoot mijn bloeddruk omhoog, als gevolg van de zenuwslopende wijze waarop Merckpoel de grap ten berde bracht. Ik waande me een kleuter van 5 die door de juf werd toegesproken alsof ik 2 was. De geforceerd vrolijke, haast hysterische wijze waarop Merckpoel met schelle stem haar verhaaltje naar de hoofden van pas ontwakende luisteraars slingerde, was een ware marteling. Terwijl de nadrukkelijk gearticuleerde zinnen tegen mijn hoofd beukten, kon ik maar één ding bedenken: heeft Linde Merckpoel al een keer naar zichzelf geluisterd?

De radio als kweekvijver voor televisie-persoonlijkheden… ik blijf me afvragen wat iemand ooit in dit mens zag en hoop haar de komende vier jaar opnieuw ver buiten mijn gezichts- en vooral gehoorsveld te houden. Botte kritiek, ik weet het, maar het moest er even uit.

In aanverwante ergernis: ook An Lemmens ‘ naam viel destijds, toen het over kinderlijke presentators ging. Zij heeft het intussen helaas wel tot een echte tv-persoonlijkheid geschopt en dat blijf ik een groot mysterie vinden. Heeft nu werkelijk nog geen enkele tv-bons met een minimum aan kritische ingesteldheid eens vijf minuten naar Lemmens gekeken of geluisterd? Ik zie echt niet meer dan een babe die met alle moeite van de wereld de autocue tracht af te lezen, met een gigantisch gebrek aan naturel. Eens die voorbereide tekst wegvalt – bij een gesprekje met een kandidaat bijvoorbeeld – verdwaalt Lemmens al meteen in een bos van onnozele vragen en slaapverwekkende dooddoeners, alsof ze een bomma op de markt is. Lemmens presenteert niet, ze speelt dat ze presenteert. Haar mimiek heeft ze daarbij geenszins onder controle.

Nu kan je dat wel makkelijk als zure praat van een geërgerde kijker beschouwen, maar mijn essentie is: heeft An Lemmens ook maar eens van iemand enige instructie gehad? Is ze op wat voor wijze dan ook opgeleid om een programma te dragen? Televisiepersoonlijkheid noemen ze dat. Dat is dus synoniem voor poppemieke dat voorgekauwde praat uitkraamt. Zet daar iemand als Rani De Coninck of Francesca Vanthielen naast en je merkt het verschil meteen. De programma’s van deze dames kunnen me evenmin boeien, en de dwingende familiaire toon die op vtm gemeengoed is geworden tegenover allerlei kandidaten, is een zwak, maar verder kunnen deze dames zowat alles aan. Die hebben persoonlijkheid, al hoef ik ze daarom niet eens tof te vinden.

Er zijn ongetwijfeld nog tal van andere tv-kippen die dezelfde kritiek verdienen – Saartje Vandendriessche is zelfs een kip zonder kop – maar ik ambieer nu eenmaal geen alles beslaande thesis. Enkel een ouderwets stukje zagen.





Even melden

11 02 2012

Ga gerust kijken naar Tot Altijd, snotter wat mij betreft uw zakdoek vol en stel gerust dat het een aangrijpende film is, maar ik was niet echt enthousiast. Evenmin iemand van mijn 7-koppig gezelschap.

Lees hier mijn recensie.





Zwem u zot

19 09 2011

Ik was best onder de indruk van het nieuwe Gentse zwembad, dat deel uitmaakt van een ferm nieuw sportcomplex. Op Gentblogt leest u mijn verslag.

 





Zwangerschap: een ziekte en een handicap

4 09 2011

Ik ben het een beetje beu, al die trezekes en poppemiekes die hun zwangerschap, zelfs al is het nog maar een vage luchtophoping, aanwenden om het slachtoffer uit te hangen.

Goed, dat is de ongenuanceerde essentie. Nu even kaderen.

Enkele maanden geleden werkte ik als vrijwilliger mee aan de boekenverkoop van de Gentse bib. De taken werden beschreven en de medewerkers kregen de vrijheid om onder elkaar uit te maken wie wat zou doen. Een jongedame, het buikje amper gewelfd, protesteerde. Bepaalde taken kon zij niet uitvoeren want ze was zwanger. We hebben het hier over rechtstaand boeken sorteren. Niet over rodeorijden of bungeespringen.

In de trein mogen zwangere vrouwen in eerste klasse plaatsnemen. Vanaf wanneer zo’n zwangerschap als dusdanig zwaar beschouwd wordt dat een zitje in tweede klasse een marteling is, is onduidelijk. Dat vind ik niet erg, profiteer gerust van dit recht. Maar zit daar dan alsjeblieft niet met een loden ernst over dat buikje te wrijven alsof u ieder moment verwacht dat een echte eersteklassereiziger satansgewijs zijn klauwen in uw schoot plant en uw dierbare vrucht er uit rukt en door het raampje zwiert. U bent zwanger. Niet ziek.

Vandaag bracht ik een dame die deelnam aan de rommelmarkt op DOK op de hoogte dat het de bedoeling was de auto snel uit te laden, zodat die het terrein kon verlaten om plaats te maken voor andere wagens. ‘Dat zal niet gaan, ik ben zwanger en ik ga me dus niet opjagen, ‘ was het antwoord. Verontwaardigd ook nog, dat ze haar spullen van de auto tot de standplaats moest dragen. Haar zwangerschap was onder jurk en jas nog niet eens zichtbaar.

Ik wil gerust aannemen dat een zwangerschap wat doet met uw lichaam. Lig gerust plat als de dokter u dat voorschrijft. Klaag in de laatste weken gerust wat af. U hoeft me niet te overtuigen van de kwaaltjes en pijntjes die dat zwanger zijn met zich meebrengt. Maar vanaf dag één? En als u dan wél vindt dat dat ongeboren kind u hindert in uw doen en laten, blijf dan thuis en neem dan maar niet deel aan allerlei activiteiten waarvan u verwacht dat de organisatie en andere deelnemers zich moeten aanpassen aan uw zwangerschap.

Eeuwen en eeuwen hebben vrouwen kinderen gedragen, onder onmenselijke omstandigheden soms. Voor verworven rechten is flink gestreden. Maar intussen hebt u alles wat u nodig hebt, me dunkt, om zalig zwanger te zijn. Ik leef graag met mee met uw geluk, maar niet met uw zelfgecreëerde slachtofferschap.





Code gekraakt

10 03 2011

De vtm-serie Code 37 is al sinds zijn eerste aflevering op applaus onthaald in kringen van mensen die menen iets van tv te weten. Dat het niveau een stuk hoger ligt dan pakweg De Rodenburgs of Zone Stad, lijkt me nog geen reden om gewag te maken van een vernieuwende serie. Niet dat u voor mijn part niet mag genieten van deze politiereeks. Maar laat ons alsjeblieft ophouden met dit van begin tot eind geforceerde gedoe de hemel in te prijzen.

Onwaarschijnlijker en onrealistischer uitgebeeld politiewerk hebben we de laatste jaren niet mogen aanschouwen. Natuurlijk mag fictie gerust de grenzen van het geloofwaardige aftasten, maar Code 37 doet zo hard zijn best authentiek over te komen, dat het haast lachwekkend wordt. Die opzettelijk grauwe en lelijke sets, dat in de verf gezette haantjesgedrag, die platte praat en vooral die gulzig in beeld gebrachte onderkant van de samenleving … dit is de macho onder de tv-reeksen, het equivalent van een vent in onderlijfje met een bierblikje in de handen en muisklik van een pornosite verwijderd. Dit staat mijlenver van de werkelijkheid.

Het uitgangspunt is dat de thematiek – het speurwerk van de zedensectie – het visuele moet aanvullen. Seksuele delinquentie komt het meest tot zijn recht binnen een al even goor kader, zoiets. Het verklaart geenszins de afgetakelde decors, die enkel en alleen de foute en povere fantasie van de makers moeten illustreren.  Waar in Vlaanderen vind je nog een politiedienst die in zulke miserabele omstandigheden gehuisvest is?

Die lamlendige verbeelding tref je ook aan in de verdere uitwerking van de scenario’s. Iedere seksuele aberratie kwam al een keer aan bod en de makers zoemen met genoegen in op geweld en pervers gedrag. Hoe vettiger, hoe meer de kijker denkt naar een gedurfde serie te kijken. Met scheve shots enzo. Voor mij hoeft het nochtans niet, dat gulzig in beeld brengen van de wijze waarop Janine Bisschops haar thuisverpleger een handje toesteekt, zoals vorige week het geval was. In een vorig seizoen herinner ik me ook amechtige pogingen om de opnames van een pornofilm te ensceneren. Het was allemaal eerder lachwekkend. De goedkope psychologie die weinig subtiel onder iedere aflevering schuilgaat, is zelfs hilarisch. Zo kon onlangs iemand enkel tot een hoogtepunt komen als er rozen in de kamer stonden. Jaja, echt geresearchd en zo.

Want dat is uiteindelijk mijn essentie: dit is op alle vlakken een gemakzuchtige productie, gemaakt door mensen die veel te weinig kennis hebben van goede televisie en daardoor zelfs ongewild de spot drijven met de kijker. Want ofwel hebben ze zelf geen enkel besef van wat er fout, ongeïnspireerd en herkauwd is aan Code 37, ofwel zijn ze zich daar wel van bewust maar denken ze dat wij daar als kijker daar toch zullen intrappen. En dat doen we ook. Nochtans is De Ronde het verpletterende bewijs dat het grote publiek wél klaar is voor drama dat zich niet van honderden clichés bedient.

En dan is er nog Veerle Baetens. Laat ik het u gezegd hebben: deze dame is de banaliteit zelve. Laat zelfs Felix Van Groeningen haar de hoofdrol in zijn nieuwe film aangeboden hebben, ik vind haar acteerwerk niet om aan te zien. Deze grijze muis bij uitstek mist ieder greintje eigenheid of persoonlijkheid. Iedere rol vertolkt ze op dezelfde manier. Door vooral veel te grimassen. De lieveling van de Vlaamse tv-kijker gebruikt haar statuut als excuus om voor geen enkele rol nog een noemenswaardige inspanning te doen.

Waar ze weliswaar zelf niets kan aan doen, en zelfs de styliste  van de serie niet, is het feit dat hoofdpersonage Hannah Maes er bij loopt als een gedesoriënteerde voil jeanet op carnavaldinsdag, met dank aan een outfit samengesteld uit Wibra-afdankertjes die al jaren in een marginaal depot lagen te stinken. Het kapsel van een goedkope hoer doet de rest. Nochtans is hier over nagedacht: is dit immers geen onbewuste uiting van  haar rebelse karakter en haar tegendraadsheid? Haja! Ik zou deze sloerie-look nog serieus nemen als die het negatieve zelfbeeld van Hannah zou veruitwendigen, een logisch gevolg van de traumatische gebeurtenissen uit haar tienerjaren, maar zover hebben de scenaristen zeker niet gedacht.

Voor deze tweede reeks was een groter budget beschikbaar. Onnodig misschien, want de domme kijker heeft in dat eerste seizoen toch niet gemerkt hoe het gebrek aan geld de creativiteit van de schrijvers en producenten fnuikte. Seizoen 1 was nochtans één grote consensus en daardoor ook een rommeltje van formaat.

Ik blijf kijken. Om voet bij stuk te kunnen houden – lees: mijn eigen gelijk week na week bevestigd te zien – en vast te stellen dat er geen beterschap komt. En ook wel omdat ik het allemaal erg grappig vind.

Tegen de Sterren op brengt volgende week overigens een parodie op Code 37. Hoewel dit sketchenprogramma soms pijnlijk flauw is, zijn de imitaties knap en de uitgangspunten – lachen met mensen die zichzelf toch wat te serieus nemen – leuk. Code 37 is een reusachtig open doel, dus dat kan niet mislopen.

Btw, voor wie de BBC-serie Ashes to Ashes kent… enige gelijkenissen merkbaar?





Hemmerechts houdt niet van ruw

29 01 2011

Kristien Hemmerechts kwam deze week in Reyers Laat vertellen dat ze Gunter Lamoot exemplarisch vond voor de steeds flauwer en grover wordende Vlaamse stand-up comedy. Ze nam daarbij het risico een flauwe trut genoemd te worden, want heel wat mensen moeten wél lachten om grappen waarin de rosse van K3 een hoer wordt genoemd of een verveelde vent door zijn dochter betrapt wordt op zelfbevrediging. Dat dit soort humor aanslaat, vond ze eigenlijk nog het ergste.

Ikzelf vind stand-up comedians doorgaans oninteressant of irritant, of we het nu over Helsen, Hoste of Geubels hebben. Lamoot kan weliswaar erg grappig zijn en ik vind dat als hij als artiest reacties uitlokt, – positief zijn of negatief, hij geslaagd is in zijn taak. De grappen die de stelling van Hemmerechts moesten illustreren, vond ik noch goed noch slecht. Ik zou dan ook nooit naar zo’n zaalshow gaan kijken – afschuwelijk woord trouwens. Ik vind Hemmerechts anderzijds ook geen flauwe trut (in deze kwestie). Ik heb begrip voor haar bekommernis om de verruwing van de maatschappij, die misschien wel gegrond is. Ze had het bij uitbreiding ook over de vele homofobe en racistische uitlatingen van stand-up comedians.

Alleen zat ze er qua argumentering volkomen naast, vond ik. De link leggen tussen een grap van Lamoot en de zaak Dutroux is niet alleen vergezocht, de verruwing van de maatschappij wordt geenszins gevoed door al dan niet foute humor. Heeft Hemmerechts al eens naar Take Me Out gekeken, waarin wijven van het laagste allooi zonder enige poging tot mededogen of sympathie iedere man die zo simpel was zich hiervoor te willen inschrijven, de grond in boren? Herinnert ze zich Big Brother nog, waarin mensen elkaar moesten wegstemmen en de lezer smulde van alle conflicten? Merkt ze de massa’s lezersbrieven niet op van mensen die door het zoveelste machtige bedrijf aan het lijntje worden gehouden en daar alleen maar bozer door worden? De uitlatingen van Bisschop Léonard? De soms aanstootgevende Facebookhaatgroepen, het forum van Het Laatste Nieuws, zekere blogs waarin toffe madammen als pakweg Linde Merckpoel, Geena Lisa of Lieve Blancquaert worden afgekraakt? En – maar nu ga ik het wat ver zoeken – verneemt ze niets over de ingekrompen budgetten voor onderwijs, de plek waar de weerbaarheid tegen verruwing zou moeten gevoed worden, en dit dus met steeds minder middelen?

Is dat alles niet de mest voor de verruwing van onze maatschappij? De hoogvieringen van egoïsme en machtswellust zijn niet meer te tellen, frustraties stapelen zich op. Die humor, of pogingen daartoe, zijn toch grotendeels onschadelijk? Ik zou me veeleer zorgen maken om de populariteit van Geert Hoste of FC De Kampioenen. Daar zit immers niéts in. Het afstompen van de mensheid is gewoon een subtielere stap naar die botte samenleving.

Ik zou nog – LaatsteNieuwslezersgewijs – kunnen suggereren dat Kristien Hemmerechts strategisch haar pijlen richt op een populair onderwerp omdat dat haar meer in de kijker doet lopen dan het zoveelste geëmmer over het gebrek aan regering, om zo reclame te kunnen maken voor haar nieuwe boek. Maar dat zou flauw zijn. Er zijn toch geen nieuwe doelgroepen meer aan te boren door deze schrijfster.

Lieven Van Gils legde Hemmerechts en Lamoot ook nog een leuke sketch voor over de helpdesk in de Middeleeuwen. Die vond zij wel grappig – en dat is ze ook best wel – maar het is natuurlijk humor met een formule achter, zoals Lamoot min of meer verklaarde: verander de context van een alledaagse situatie en je krijgt een potentieel grappig resultaat. Ik heb dus gewoon de indruk dat Hemmerechts geen erg ontwikkeld gevoel voor humor heeft. Er bestaat zo ontzettend veel grovere en controversiëlere humor dan wat Lamoot brengt, maar daar heeft ze  blijkbaar nog nooit iets van gezien.

Wie de uitzending gemist heeft, kan die hier herbekijken (25/1). En overigens is de rosse van K3 geen hoer, wel een mojjer.





Klereleijer

5 11 2010

Omdat Eva Mendes te gast was, en omdat ik benieuwd was naar de nieuwe zangeres van Hooverphonic – wat een hype om niets, want niemand kan Geike Arnaert vervangen! – keek ik gisteren uitzonderlijk naar het praatprogramma kletspraatje De Laatste Show. Moest ik er wel ene Sven De Leijer bijnemen, een uitermate onplezierig sujet die zichzelf duidelijk echt formidabel vindt, maar wiens uitlatingen eigenlijk pijn deden aan mijn oren. Welk een gênant en vooraf gerepeteerd spektakel was me dit? Ik ben er wellicht rijkelijk laat mee, want deze irritante en ongrappige medemens doet blijkbaar al een tijdje zijn ding in een uithoek van het decor, maar ik vond het aanschouwen van dit tafereel bijzonder vermoeiend en intriest. Kunnen ze daar op vtm niets mee doen?

Meteen ook een Facebookgroep gezocht die me met één klik van mijn ergernis zou afhelpen, maar er was amper één groep die zich tegen deze kerel richtte, en die leek me dan weer net iets te infantiel.

Soit, nog een reden meer om dit programma weer voor enkele maanden volkomen te negeren.

En wat de titel van dit stukje betreft, tja… ik kon er moeilijk om heen hé.





Cinefiel of consument?

12 04 2010

De Kinepolisgroep komt alweer met een schitterend en vooral winstgevend idee op de proppen: binnenkort (en nu al in een selectie van bioscopen) kan je tijdens de voorstelling ook meer eten dan chips, popcorn, nacho’s, snoep, ijsjes, boterhammetjes, fruit en chocolade: de keuze wordt uitgebreid naar pasta en hamburgers. Warme keuken dus. Want volgens een eigen onderzoek komen mennsen vaak hongerig naar de bioscoop.

De Morgen-journalist Jan Temmerman schreef naar aanleiding van deze gekke evolutie een leuk stukje, waarin hij gekscherend voorspelt dat men binnen twee jaar in een jacuzzi kan plaatsnemen in de bioscoopzaal. Als je de argumentatie van Kinepolis doortrekt, zou je er immers ook kunnen van uit gaan dat mensen bezweet of ongewassen naar de bioscoop komen.

Temmerman bekijkt de situatie in een iets bredere context natuurlijk, maar de boodschap is dat Kinepolis zich in allerlei bochten lijkt te wringen om het idee te verkopen. Het lijkt zelfs haast alsof de bioscoopbezoeker er om gevraagd heeft en ze daar nu zuchtend aan toegeven. Waarom bekennen ze niet gewoon geld te ruiken waar de filmfan straks hamburgers ruikt? Kinepolis haalt zijn winst namelijk vooral uit de verkoop van snacks, en dus geenszins van de ticketverkoop.

Ik verheug me uiteraard zelf geenszins op een filmvoorstelling waarbij de walm van de hamburgers me afleidt van de film. Maar anderzijds zal ik er ook helemaal niet van wakker liggen. Als nu naast me iemand plaatsneemt met zo’n reusachtig bak nacho’s, voorzien van een vette kwak smerige kaassaus, vind ik dat ook al hoogst ergerlijk. Maar die hap verdwijnt sneller dan u denkt in de mond van de consument, meestal zelfs nog voor de film begint. Ik geloof dus ergens dat het allemaal nog zal meevallen.

De Kinepolisbioscopen zijn trouwens op de drukste momenten al verre van gezellige plaatsen. Hebt u eigenlijk al eens goed bekeken wat het doorsnee publiek is van een Kinepolisbioscoop? Op zaterdagavond is het verschil met het eerste beste dancingpubliek nauwelijks te merken. Luidruchtig, onnozel, ja haast marginaal volk schuift dan en masse aan. Ze consumeren kilo’s en liters snacks en gaan de domste films eerst bekijken. En ik heb het niet alleen over tieners. Als ik lid was van de Kinepolisgroep, zou ik óók ijverig naar manieren zoeken om het klootjesvolk uit te melken. Omdat ze er om vragen!

Waarmee ik verder geen kwaad woord zeg over de doorsnee bioscoopbezoeker, de gemiddelde student of het modale koppel dat even de zinnen komt verzetten. Of de fervente filmfan zoals ik, die gewoonweg graag naar Kinepolis gaat omdat die grote donkere zalen ondanks alles magische plekken blijven. Ik herhaal mezelf: een bioscoopzaal is mijn favoriete plek en er moet dus nog veel veranderen om er buiten te houden.

Men moet trouwens zijn moment weten te kiezen, en dat heeft te maken met de reden van het naar de bioscoop te gaan. Terwijl het voor veel mensen een uitje is of avondvullende activiteit – waarbij men nog meer bereid is geld te besteden – is het voor mensen zoals ik gewoon een drang naar bepaalde films. Dat wil zeggen dat ik met veel plezier op een weekdag de voorstelling van 17u bijwoon. U kan zich wel voorstellen dat er dan erg weinig volk in de zalen zit. Er is dus nauwelijks overlast: geen wachtrijen, geen storende geluiden, geen mensen die op verkeerde plaatsen gaan zitten. Dan kan je in alle rust naar zelfs de meest  populaire blockbusters gaan kijken. Kinepolis geeft in de vakantie zelfs voormiddagvoorstellingen! Ook dan heb je een grote kans in een grote zaal te belanden met amper tien anderen. Op vrijdag- of zaterdagavond waag ik me nooit meer in de bioscoop. Dan voelt de Kinepolis aan als een andere planeet.  

Het is vriendelijk van Jan Temmerman zijn ongenoegen te uiten en het aldus een beetje op te nemen voor de sukkels die straks besmeurd worden met spaghettisaus, maar zelf heeft hij er wellicht geen last van. Filmjournalisten kunnen tijdens persvoorstellingen in alle rust van films genieten. Ik betwijfel of Temmerman zich nog in de plaats kan stellen van de modale bioscoopbezoeker. Meer zelfs, de velen die het met hem eens zijn en zuchtend en instemmend zijn commentaar lazen, zijn waarschijnlijk allemaal mensen die zelden naar een Kinepolis gaan. Nu ben ik zelf wel van het principe dat je dingen mag aanklagen waar je zelf geen last van hebt, maar ik denk dat Kinepolis het uiteindelijk bij het rechte eind heeft: ze geven de consument waar hij om vraagt.

Van de gelegenheid trouwens even gebruik maken om het ridicule spotje van Kinepolis waarin een (sorry, echt lelijke) dwerg u moet aanzetten tot het opruimen van uw afval, aan te klagen. Er was overduidelijk geen andere dwerg beschikbaar dan een oudje met een slecht gebit en daarnaast zit de essentie volkomen fout: ik leer hier vooral uit dat ik mijn afval gerust mag laten vallen want de slaaf raapt het wel op. En wat doet hij met een afvalcontainer in de bioscoopfoyer? Dwaze spot.





Anti-Sven (3): De Steigerende Studiemeester

6 02 2010

We zijn al aan de derde aflevering toe van deze reeks, waarin ik terugblik op conflicten uit mijn verleden, ontstaan door mijn drammerige geschrijf. Vandaag staat een studiemeester centraal aan wie in geenszins positieve herinneringen heb.

Toen ik als 13-jarige mijn eerste stappen zette op de middelbare school, werd ik net als velen voor mij en nog heel wat na mij, tijdens de  middagpauze geconfronteerd met de onzinnige discipline van een op hol geslagen studiemeester. Ik heb het hier al eerder over hem gehad. Die feiten zijn van weinig belang. Laat ons zeggen dat de niet meteen mensvriendelijke omgang met de leerlingen, de man niet bepaald geliefd maakte. Maar soit, een jaar later mocht je aan de overkant eten en mocht de heer R. opgaan in een zwavelwolk van herinneringen.

Zo’n 8 jaar later was ik net als de meeste zomers op post als hoofmonitor van de speelpleinwerking in ons dorp. De dochter van meneer R. diende zich daar op een dag aan als monitrice. Ze sloot zich aan bij onze leuke groep en toen enkele dagen ‘ontdekt’ werd wie haar vader was, deed dat er eigenlijk niet zoveel toe. Er werd wat gegrapt en bovendien wist dat meisje zelf wel dat haar vader niet zo populair was. Maar nu waren we allemaal toch al verstandiger en volwassener en de feiten werden zondermeer aanvaard.

De zomer van plezier en samenhorigheid werd afgesloten met een barbecue. Ieder legde 300 frank uit en we kochten een massa eten en drank om er een fijne avond van te maken. Iemand stelde zijn tuin open, een ander ging winkelen en ik ontfermde me over de financiën. Dat verliep niet vlot. Voor de doorsnee monitor was 300 frank al een hele hap uit het budget en we werden nog lang niet uitbetaald. Dus had ik nog hier en daar wat tegoed. Na een week kwam dat zo ongeveer wel in orde. U beseft waar dit verhaal naartoe gaat: uitgerekend de dochter van meneer R. had me nog niet betaald en de laatste werkdag was afgelopen. We woonden niet dicht bij elkaar, er was nog geen mail of gsm en ik moest via gemeenschappelijke vrienden aandringen om alsnog betaald te worden.

Twee maanden later vond er een soort reünie plaats. Ik confronteerde het meisje met haar schuld en sprak mijn ongenoegen uit over de gang van zaken. Ik kreeg enkel een boze blik en daar bleef het bij. Ik achtte mezelf toen bij momenten al heel assertief, op het brallerige af. Mijn 23-jarige ego gevoed door wat ik als sociale successen beschouwde. Ik had intussen zo goed als mijn diploma op zak en was tijdens mijn opleiding erg zelfzeker geworden. Ik vond dus dat ik de zaak op een goede manier afhandelde en was zo verbolgen door het gedrag van ‘dat kind’, dat ik besloot haar ouders een brief te schrijven.

Ik formuleerde beleefd maar wellicht ongenuanceerd wat er gebeurd was – jammer dat ik deze brief niet meer terugvind. Ik vroeg hun begrip dat ik hen nu moest lastigvallen maar na vele pogingen enzovoort. Het was het begin van een turbulente stroom gebeurtenissen die ik niet allemaal even aangenaam vond en die nu eigenlijk het vertellen niet meer waard zijn. Ik kreeg een razende en verontwaardigde brief terug, werd een leugenaar genoemd, er werd familie van me bij betrokken, ik schreef nog eens terug, de man ging zijn professionele boekje te buiten door de zaak op school uit te smeren, hij bracht ook de jeugddienst op de hoogte omdat mijn gedrag een hoofdmonitor onwaardig was, enz. Een heel gedoe dus, ik lag er even wakker van, voelde me wat wankelen op mijn stoute schoenen, maar alles ging voorbij en na enkele maanden kreeg ik via via toch nog de betreffende 300 frank, met het verzoek niet aan die ouders te vertellen dat ik eigenlijk al die tijd wel recht van spreken gehad had. Case closed.

Zou je denken. Een jaar of twee later besloot ik weer te gaan studeren en daarvoor had ik een kopie nodig van mijn middelbareschooldiploma. Op een verloren dinsdag of zo trok ik dus naar mijn oude school, betrad de akelige gangen waar ik gelukkig maar zelden op het matje was geroepen en wendde me tot de eerste de beste die ik aantrof.

Zijn vriendelijke aanwijzing liet mijn bloed ijskoud door mijn aders jagen. Wat ik heel vaag al gevreesd had, bleek dan toch te gaan gebeuren: alsof de school maar één personeelslid had, bleek meneer R. net degene te zijn bij wie ik me diende aan te melden. Ik zou de confrontatie moeten aangaan met iemand die ik op papier en van op afstand flink had tegengesproken. Het was tijd om te tonen dat ik niet alleen uit woorden bestond.  Met loden schoenen en koud zweet in mijn handen, stapte ik de trap op. Voor de deur zamelde ik al mijn moed in, slikte een bolletje van angst door dat in mijn keel stak , haalde mijn meest zelfzekere blik boven en klopte aan.

Alsof hij zijn hele leven op dit moment gewacht had, keek meneer R. me aan toen ik in zijn deurgat verscheen, met zijn typische nijdige blik die  van mij meteen weer een 13-jarige jongetje maakte. Mijn naam was hem al bekend nog voor ik me voorgesteld had. Hij wist het gewoon. Instantly. We doorliepen razendsnel het beleefde protocol waarbij ik stamelde wat ik kwam doen, naar dat moment racend waarbij hij mijn naam zou vragen terwijl we allebei al wisten dat ik het was. Die van die brief. Die van dat geld. Die van dat gedoe met zijn dochter. ‘Ik dacht het direct’ brulde hij nog voor de laatste lettergreep van mijn naam van over mijn lippen gerold was. Het over twee jaar opgespaarde  ongenoegen kwam er in één teug uit. Met of zonder secretaresse in de kamer.  ‘Dat was nogal wat, zeg! Wat gij daar allemaal hebt geschreven! Ge moet nogal durven!’ Intussen  deed hij zijn werk. In archiefkasten zoekend en stempels zettend en zo, fulmineerde hij maar door. Ik kreeg nog eens alles te horen wat hij me al geschreven had en onderging dit schijnbaar stoïcijns. Dat leek me de beste houding, net geen spottende grijns op mijn gezicht. Ik begon me alleen maar sterker te voelen. Wat kon hij me maken? Ik zou sowieso met mijn documenten naar buiten gaan. Ik vond het vooral triest. Twee jaar lang niets beter te doen hebben gehad dan woede opsparen. In bijzijn van collega’s zich zo laten gaan. En vooral volkomen onwetend van de ware afloop van de gebeurtenissen.

Ik bleef uitermate koel. Ik heb maar een ding gezegd en heb gezorgd dat het er zo kalm en nonchalant mogelijk uitkwam: ”Ik denk eigenlijk niet dat u toen goed wist waar u mee bezig was. De waarheid hebt u nooit geweten”. Of iets dergelijks dat lang niet zo dramatisch zal geklonken hebben als het hier te lezen staat, maar dat me wel een triomfantelijk gevoel gaf. Met een echte grijns op mijn gezicht stapte ik het kantoortje uit, hem vriendelijk bedankend en beseffend dat ik zijn frustratie alleen maar groter maakte door de discussie geenszins aan te gaan. Ik vind het nu nog altijd wonderbaarlijk wijs gedrag van mij. Of misschien was ik gewoon een broekschijter.

Om het even, ik vond deze gebeurtenis uiteindelijk memorabel. Het was een stap naar de (toen nog lang niet bereikte) realisatie dat conflicten en discussies op te lossen zijn op een andere manier dan met arrogante brieven – en zeker niet met gebrul en gefoeter. Het deed me ook beseffen dat je altijd met de juiste woorden moet bewapend zijn, voorzien op onverwachte confrontaties met je eigen gedrag en geschrijf. Misschien suggereert u als lezer eerder dat ik beter gewoon mijn mond zou houden? Een reflectie op mijn drang naar meningsuiting en de daarbijhorende conflicten, volgt zeker later nog.

Lees ook:

deel 1: De Fiere Filiaalhouder
deel 2: De Potsierlijke Politici
en binnenkort deel 4: de Zure Zuster





Verzoek genegeerd

29 01 2010

Met 147 vrienden zit ik eerlijk gezegd zo wel een beetje aan mijn Facebookgrens, vermoed ik. Dat komt in de eerste plaats omdat ik maar een bescheiden belangstelling vertoon in andere mensen. Ik heb het gewoon niet zo voor de mens in het algemeen en stel vaak genoeg vast dat ik mensen toch wel pas echt apprecieer na lange tijd en volgens zeer specifieke maar van mens tot mens verschillende criteria. Een psycholoog zou daar vanalles achterzoeken en ik heb daar ook zo mijn eigen conclusies over, die ik u en mezelf liever bespaar. We houden het er bij dat ik de meeste mensen niet zo heel interessant vind. Hoe arrogant dat ook mag klinken.

Dat is al een voorname reden waarom ik het op Facebook bescheiden hou. Daarnaast stuur ik gewoon geen vriendschapsverzoeken  naar mensen die ik niet zo bijzonder goed ken of met wie ik in het dagelijks leven niet zo bar veel contact heb. Ik neem het niemand kwalijk dat wel te doen, al stel ik me wel eens vragen bij mensen met 512 vrienden. U kunt al die mensen beslist kennen, maar wil u ze zonodig in uw  on-line woonkamer? Wil u met elk van hen in contact staan? Los van professionele argumenten – hoewel, heeft Facebook echt een professionele meerwaarde? – kan ik mezelf moeilijk motiveren contact te houden met meer dan deze 145 mensen. En zelfs die hoeveelheid vind ik al wat benauwend.

Ik heb zelf nog nooit meegemaakt dat mijn vriendschapsverzoek niet aanvaard werd. Dat komt omdat ik er weinig stuur maar vooral omdat alle mensen die nog overblijven als potentiële vriend me gewoonweg niet bekend genoeg zijn. Dat leidt me tot mijn eigen, enige criterium om verzoekjes te sturen: ik wil enkel mensen als vriend met wie ik in het dagelijks leven graag minstens een babbeltje maak. Ik klamp dus niemand aan en vermijd absoluut dat halve bekenden een vriendschapsverzoek ontvangen waarop ze zouden reageren met ‘Oei, die wil vriendschap met mij. Alé oke dan. Of nog erger: dat je zelf enkel dient om het vriendenaantal van een ander de hoogte in te helpen… Ik stel me dus enigszins gereserveerd op en vind dat best zo.

Daarnaast ken ik dan weer veel te veel mensen die gewoonweg een volkomen gebrek aan interesse vertonen in deze virtuele ontmoetingsplek. Mensen die ik wel interessant vind en graag als virtuele vriend zou zien, voelen zich geenszins aangesproken door het feestboek. Ik neem ze dat niet kwalijk en wil in dit stukje ook geenszins ingaan op de waarde van Facebook. Gelieve u dus in eventuele reacties die moeite te besparen. Ik geniet ervan maar neem aan dat anderen het maar niets vinden. Punt. Maar die mensen vallen dus af als Facebookvrienden.

En dan zijn er tenslotte nog redelijk wat mensen die mij een vriendschapsverzoek sturen maar die ik dan weer weiger. Ik voeg daar meteen aan toe dat enkele daarvan wellicht wél een babbeltje waard zouden zijn, maar dat ik die gewoonweg niet genoeg ken. Voor het beantwoorden van vriendschapsverzoeken hanteer ik dus blijkbaar een tweede criterium, en dat is dus de afstand tot die persoon. Ik zei het al, Facebook is zo’n beetje mijn woonkamer en daar laat ik toch liever enkel bekend volk binnen. Deze blog is als voortuin/inkomhal al persoonlijk genoeg en is wél publiek terrein.

Wie zijn die mensen eigenlijk wiens vriendschapsverzoeken ik niet beantwoord?

  • broers en zussen van vrienden. Tja, daar moeten we eerlijk in zijn. Ofwel was ik u in de loop der jaren ook als een vriend of goede kennis gaan beschouwen, ofwel niet. Broer of zus zijn van is gewoonweg  niet genoeg.
  • mensen van vroeger: toegegeven, had Facebook destijds bestaan, we waren wél Facebookvrienden. Maar dat was niet het geval en intussen is ons moment voorbij.
  • oud-klasgenoten: tot in de leerkrachtenopleiding wil ik nog teruggaan, met mate. Maar de mensen uit het middelbaar onderwijs zijn echt maar schimmen meer, wat niets afdoet aan de fijne herinneringen. Maar wie zijn die mensen nu? Geen idee en ik zie niet genoeg aanleiding om dat wel nog te willen weten. Als Facebook niet zou bestaan, zou dat contact ook onbestaande zijn, maar dat vind ik nu eigenlijk maar een zwak argument. Facebook bestaat wél en dus moet je daar niet onnozel over doen.
  • familieleden, en dan concreter heel wat achterneven en -nichten. Ik ga al sinds mijn tienerjaren niet meer naar die groots opgezette familiebijeenkomsten en de meeste van hen laten me eigenlijk steenkoud. Ik heb ze al jaren en jaren niet meer ontmoet en zou niet weten waar het met hen over te hebben. Een familienaam delen of grootouders hebben die in hetzelfde gezin opgroeiden – die waren thuis met véél – , vind ik een even lukrake voorwaarde als pakweg graag naar Top Gear kijken of geen zout op je frieten willen.
  • leerlingen: daar trek ik gewoon een lijn. Ik heb bedenkingen bij virtuele vriendschappen tussen kinderen en hun meester of juf. Daar kan ik makkelijk dieper op ingaan, maar u bent intelligent genoeg om daar zelf argumenten voor te bedenken. Gezond verstand, toch? Ik geef wel toe dat dat voor lesgevers in het middelbaar onderwijs misschien anders ligt.
  • andere bloggers: ik vind dit de meest aannemelijke verzoeken, want het houdt net in dat deze mensen je heel bewust hebben uitgekozen omdat ze jou of je blog blijkbaar interessant vinden. Ik vind het dus helemaal niet vreemd maar ik hou voet bij stuk: ik kies geen Facebookvrienden die ik nog nooit in werkelijkheid ontmoet heb.
  • oud-collega’s. Veel van hen apprecieer ik wel, maar ik voel geen behoefte om een verleden in stand te houden dat enkele op een professionele samenwerking gebaseerd was en waar weinig persoonlijke aspecten mee verbonden waren. De oud-collega’s met wie ik vriendschap heb gesloten, waren dan ook echt vrienden.
  • oud-leerlingen: die weiger ik niet uit principe, want er staan er wel degelijk enkele in mijn lijst. Maar als het echt te lang geleden is, laat ik dat toch liever rusten. Weten die intussen groot geworden kinderen veel  wie ik ben. Al te zot zijn de verzoeken van jongeren die niet eens in mijn klas zelf zaten. Waar moet het ophouden?
  • Helemaal gek vond ik het vriendschapsverzoek van een man die enkel mensen met De Schutter als familienaam als Facebookvriend wilde. Nee dank u. Ook niet onder het mom van eens onbezonnen meegaan in de zotheid van een ander.
  • mensen waar ik gewoonweg niets mee heb. Mensen die ik dus weliswaar ken, meestal vaag, met wie ik wel wat gemeenschappelijke vrienden heb en die duidelijk zelf zelf minder strenge criteria hanteren in het selecteren van Facebookvrienden.
  • en tenslotte mensen die ik simpelweg nauwelijks ken. Ooit eens ontmoet maar verder eigenlijk geen idee wie ze eigenlijk zijn.

Als ik dat dus echt zou willen, zit ik zo aan 200 vrienden. Wat nog relatief is en nog steeds niet betekent. Omdat het allemaal niets betekent. Maar binnen de al dan niet zinloze nonsens die Facebook eigenlijk is wil ik nog altijd principes hanteren. Maar dat ik dat blijkbaar wil verantwoorden wil toch ook weer wat zeggen?

Volgende keer: defrienden of niet? (Ja! Maar wie?)





Anti-Sven (2): de Potsierlijke Politici

20 01 2010

Tijd voor deel twee in de serie van mensen die ik vele jaren van bloggen en meningen spuien, tegen de borst heb gestoten. Na de Fiere Filiaalhouder is het de beurt aan

Deel 2: De Potsierlijke Policiti.

In de aanloop van de gemeenteraadsverkiezingen van 2006, verscheen op mijn toen nog veel minder gelezen blog een artikel waarin ik me eens goed liet gaan. Ik had genoeg van het simplistische niveau waarop in Haaltert politiek gevoerd werd, na enkele jaren als lid van een jeugdvereniging geconfronteerd te zijn met besluiteloosheid, gepamper, leugens en simpele onkunde. Ik ergerde me ook dood aan de infantiele manier van campagne voeren. Bovenal zag ik in deze lokale strijd om de macht vooral de mens in al zijn lelijkheid: amateuristisch, hypocriet, machtsbelust, snakkend naar enige erkenning als iets meer dan een simpele boerenkinkel. De vanzelfsprekendheid waarmee de zich zowat onkwetsbaar wanende bingokoning en officieuze burgemeester Willy Michiels de gemeente en zijn slaafse volgelingen naar zijn hand zette, was me er toen zelfs te veel aan. Ik reageerde op de enige manier die ik daar toen voor geschikt vond, zijnde een poging tot sterke satire.

Het artikel vind ik  – al zeg ik het zelf – nog steeds amusant leesvoer. Ik was er destijds ook erg tevreden over. Maar het maakte heel wat los. Zo’n half jaar later schreef ik dan ook een vervolg. In deze terugblik beschreef ik welke reacties en gevolgen er waren op het artikel. Het is nog steeds mijn meest besproken blogstukje en laat ons eerlijk zijn, dat is, misschien heel onbewust, toch ook een beetje waarom we schrijven. Overigens voegde ik kort na het verschijnen van het artikel wel een soort verantwoording toe, waarmee ik hoopte dat de lezers dit toch als iets meer zouden zien dan een uitlachfestijn.

Toen enkele weken na het verschijnen van het artikel de eerste tekenen van beroering duidelijk werden, heb ik het misschien een dag of wat benauwd gehad. Niet voor de gevolgen voor mezelf – wie kon me wat maken? – wel voor mijn familie. Mijn moeder vond het alweer allemaal erg grappig, het is dan ook van haar dat ik mijn bewustzijn voor bekrompenheid en idiotie geërfd heb. Mijn grootouders vonden dat allemaal wel best, al waren ze natuurlijk wel heel erg bevriend met één van de geviseerde personen. Toch zagen zij de bredere context en hebben ze er geen minuut van wakker gelegen. Mijn grootvader wist zo weer wat te vertellen bij pot en pint en is nu zelfs een veel meer ontevreden burger dan ik destijds.

Maar ik had ook mijn familie niet gespaard. Eén van de bespotte gemeenteraadsleden was de broer van mijn vader. Ik heb tijdens het schrijven misschien even geaarzeld, maar de beslissing viel al snel: potsierlijkheid dient aangepakt te worden. Op een dag trof ik  dan wel een geshockeerde grootmoeder aan: ‘Sven, ebde gij op de computer iets geschreven over Nonkel Marc?’ . Dat was even slikken. Mijn oma is een eenvoudige vrouw die haar hele leven doet wat de samenleving dicteert en vindt dat men zich in het leven vooral kalm en onopgemerkt moet houden. Dat uitgangspunt heeft ook mijn vader geërfd. Aan hen uitleggen wat mij drijft en waarom een toevallige bloedband dat niet verhindert, was misschien wel het pijnpunt van dit hele initiatief. Mijn oom zelf, die ik eigenlijk nauwelijks zie, heb ik daarover nooit gesproken. Toen ik hem pas vele maanden later eens tegen het lijf liep, repte hij er met geen woord over. Ik zag daar geen overwinning in hoor, – eerder opluchting zelfs want zo’n grote mond op een blog is toch iets anders dan in werkelijkheid – maar ik vond het ook veelzeggend. Een confrontatie  op volwassen niveau levert vaak empathie en nuancering op, maar misschien werd ik daar te min voor geacht? Stiekem denk ik echter dat hij gewoon een beetje bang van me was. Zou het?

Verder heb ik nadien nooit meer iemand ontmoet die in het artikel vermeld werd. Een beetje onverwacht eigenlijk, al liep deze periode ook wat gelijk met het moment waarop ik Gent als thuishaven koos. Was het dan een soort afscheidsbrief? Toch heb ik nadien nog vaak over de strapatsen van het Haaltertse beleid gerapporteerd op deze blog en ergens ben ik wel altijd gewapend geweest tegen een onverwachte ontmoeting en eventueel bijhorende confrontatie met de geviseerde lieden.

Nu niet meer. Het artikel is nog steeds relevant want er is weinig veranderd, maar voor mij is dit verleden tijd. Ik sta achter wat ik toen schreef, moet zelfs lachen om bepaalde beledigingen, maar vier jaar later vind ik dit allemaal compleet onbelangrijk. Het stelt allemaal zo weinig voor en ik heb het wat te doen met de mensen voor wie de Haaltertse politiek een leefwereld is waarbinnen ze zich geestelijk en sociaal moeten ontwikkelen. Het bestuur van Haaltert symboliseert voor mij nu de ultieme bekrompenheid. Gelukkig ver uit mijn gezichtsveld.

Lees ook: deel 1: De Fiere Filiaalhouder
en deel 3: De Steigerende Studiemeester





Even uitrazen (3)

18 01 2010

“De Broeders van Liefde zijn tevreden met de aanstelling van Léonard.” Daar zat ik op te wachten. Deze steeds verder in de tijd terugkerende orde deed onlangs een voorstel om scholen op te richten waarbinnen het katholiek geloof veel strikter beleden kan worden. Ik heb daar eerder al eens over geraasd, zoals u zich misschien herinnert. Het is intussen even uit de aandacht verdwenen en ik zou dus haast gaan hopen dat ze die plannen maar meteen voorgoed hebben opgeborgen. Maar met de aanstelling van de als zeer conservatief bestempelde André-Mutien Léonard tot kardinaal aartsbisschop, waarmee ze daar in Broederland uiteraard erg in hun nopjes zijn, wordt de slaagkans van hun losgeslagen idee alleen maar groter. Het kan hun zaak alleen maar ten goede komen, kan er lekker conservatief gekonkelfoesd worden op hoog niveau.

Ik zou het daar qua occasionele katholieken-bashing verder maar bij laten, zij het dat ik u nog even deelgenoot wou maken van een klein leedvermaakje  van mijnentwege toen Mieke Van Hecke onlangs in Ter Zake werd geconfronteerd met haar eigen conservatieve uitspraken als  directeur-generaal van het Katholiek Onderwijs en ze daar niet zo meteen mee wegraakte. Zij zal er niet van wakker gelegen hebben natuurlijk, maar tegenover alle gruwel die dit soort mensen op minder verdraagzame momenten bij me oproept, mag al eens een schampere grijns staan.





Anti-Sven (1): De Fiere Filiaalhouder

15 01 2010

In de loop der jaren heeft de dwingende nood mijn mening te laten horen via blog, lezers- of klachtenbrief me al meer dan één keer een confrontatie opgeleverd met beledigde en boze mensen. Dat heeft me hoogstens eens laten schrikken, heeft me veel geleerd over communiceren en de menselijke kleingeestigheid en was vooral een versterking van mijn overtuigingen, die zich in vurige anekdotiek laten samenvatten waardoor de gebeurtenissen meteen ook gerelativeerd worden. Maar onlangs kwam het besef dat ik al die jaren gebral en gebulder, al een mooi lijstje van rabiate tegenstanders heb. Dat roept om een overzichtje.

Deel 1: De Fiere Filiaalhouder

Toen ik een jaar of 19 was, was een bezoek aan de Haaltertse Cash*Fresh voor mij een ware marteling. De onbeleefdheid en boertigheid van het personeel was al jaren het mikpunt van mijn spot – net als de soms lachwekkende,, volkse praat van de klanten (‘elf uur en nog gene patat geschild!‘). Tot ik er op een dag de humor niet meer van kon inzien en de filiaalhouder een boze brief schreef na wel heel erg geïrriteerd thuisgekomen te zijn van het boodschappen doen.

Ik uitte beleefd maar opdringerig mijn mening over de winkel en de mensen die er werkten. Er was geen service, geen orde, geen beleefdheid, geen deskundigheid. Daar kwam mijn lange brief op neer. Ik stuurde een kopie naar de hoofdzetel van Cash*Fresh, overtuigd als ik was dat men daar helemaal niet op de hoogte was van de prutserijen in hun Haaltertse filiaal.

Dit was mijn brief – die ik na 13 jaar nog op mijn pc bleek te hebben staan. De toon en het taalgebruik zijn niet al te fameus, ik hoop intussen geëvolueerd te zijn, maar u mag gerust meelezen:

Mevrouw, Mijnheer, Mijne Heren,

Toen de Unic van Haaltert Cash*Fresh werd hoopte ik, en velen met mij, dat er eindelijk eens aangenaam zou kunnen gewinkeld worden in Haaltert. Niets is minder waar. Integendeel, het is er nog op verslechterd. Ik wil dan ook de erbarmelijke toestand van Cash*Fresh Haaltert, de winkel waar ik wekelijks wel eens langsga, aanklagen.

Weliswaar is het produktengamma uitgebreid, is de kwaliteit van de producten iets verbeterd, en juich ik de wekelijks promoties en geschenken toe, maar dit wordt allemaal tenietgedaan door andere zaken.

Zopas bracht ik een bezoek aan de winkel.  Het product dat ik wenste te kopen was niet verkrijgbaar.  Tot daar aan toe, het kan voorkomen dat iets is uitverkocht.  Maar het gebeurt voor mijn part wat teveel. En dat is niet het ergste. Blijkt ook dat ik de winkel niet kan verlaten zonder aankopen te doen, want de uitgang wordt mij ontzegd door een automatisch deurtje, en langs de kassa’s kan ik ook niet passeren, of je hebt de ogen van het hele personeel op je rug gericht, want je hebt waarschijnlijk iets gestolen. Dat is allesbehalve klantvriendelijkheid!

Nog meer van die service? Het personeel heeft waarschijnlijk nog nooit van ‘dank u wel’ of alstublieft’ gehoord.  Nergens kom je zulke onbeleefde personeelsleden tegen! En niet alleen lijken ze allemaal hun job tegen hun zin te doen (wat een gezichten zeg!), ze vinden het bovendien nodig te kauwgommen terwijl ze de mensen bedienen, of uitgebreid hun beklag te doen over hun job. Plezierig winkelen is anders! ‘t is niet omdat bejaarden en huisvrouwtjes deze manier van bedienen aangenaam vinden, dat het standaardbediening moet worden! Die “vriendelijk!” uit uw slogan kunt u al vergeten!

Dat er hier sprake is van een zeer incompetent personeelsbeleid, staat vast. U heeft er als filiaalhouder heeft er niet veel kaas van gegeten.  En met elk nieuw personeelslid dat u aanwerft, verslechtert het nog!  Ik zou nog denken dat het een verschrikkelijke job is, maar in andere supermarkten word ik altijd vriendelijk bediend!

Vergeef me de heftige en ongenuanceerde toon van mijn brief, maar ik kom net terug van het boodschappen doen, en er broeit heel wat woede in mij, die ik hier kwijt wil!

Hopende op een reactie,

Enkele dagen later kreeg ik een brief terug van de filiaalhouder van Cash*Fresh. De man ving zijn brief aan met de klacht dat ik nooit thuis te vinden was, want hij was al enkele keren bij me aan de deur geweest om me persoonlijk mijn zaligheid te geven. Want wat wist ik als onnozel studentje van het runnen van een supermarkt? Dat waren niet zijn preciese woorden hoor, maar hij was alleszins duidelijk in zijn wiek geschoten en kon niet verstoppen mij maar een nietig figuur te vinden.

Vervolgens ging hij dieper in op alle aspecten van mijn brief, waarbij hij ook vermeldde dat ik geen datum op mijn brief gezet had. Dat vond ik al behoorlijk naast de kwestie, het kenmerkte voor mij deze man ook als iemand die zijn gelijk desnoods haalde met non-argumenten. Zo noemde hij me ook laagdunkend omdat ik het had over ‘bejaarden en huisvrouwtjes‘.  Al mijn klachten werden weggelachen (‘er is nog nooit iemand moeten overnachten in onze winkel’ repliceerde hij op mijn klacht dat je zonder aankopen maar moeilijk de winkel kunt verlaten) en verder viel vooral zijn toorn op die mijn brief had losgemaakt. Het kwam er allemaal op neer dat hij en enkel hij wist wat hij deed en ik als klant mijn mond moest houden (‘wat weet u over het runnen van een landelijk warenhuis?’). En dat ik zijn personeel beledigd had door hen lelijk te noemen – wat een geheel verkeerde interpretatie was – en het toch wel schandalig was dat ik ook de hoofdzetel op de hoogte had gebracht! Hij ondertekende met zijn naam, en als titel ‘fiere filiaalhouder‘.

Ik stond eerst een halve dag perplex, want eerlijk gezegd had ik helemaal geen reactie verwacht, zelfs al vroeg ik er om. Ik vroeg me af of er nog iets van mijn klacht overeind bleef en of ik niet overdreven had. Mijn moeder moest lachen, vooral met die filiaalhouder, mijn vader keurde mijn drang naar gerechtigheid een beetje af, mijn grootouders waren gegeneerd en ongerust. Later vond ik mijn strijdlust terug. Moet je het normaal vinden dat iemand naar wie je een klachtenbrief stuurt, je je vet komt geven aan je voordeur? Had ik eigenlijk wel iets verkeerd gezegd? Nee! Ik kroop een dag nadien weer in mijn pen.

Beste Meneer *****,

Met evenveel tegenzin, en ondanks dat u deze “zwanenzang” als afgesloten beschouwt, vind ik het toch nodig te reageren op de brief die u in mijn bus deponeerde.

Allereerst vraag ik me af of dit de manier van werken is, wanneer iemand zich beklaagt over uw winkel.  Gaat u bij iedereen op bezoek die te klagen heeft?  Richt u een persoonlijk schrijven tot alle ontevreden klanten?  Ik vermoed van niet, en het feit dat dat nu wel gebeurt, bewijst dat u danig van uw stuk gebracht bent door mijn “woedeaanval”.  Misschien wel begrijpelijk, maar of u staat niet open voor kritiek, of er zijn maar erg weinig mensen die durven klagen of dit was gewoon de druppel die de emmer deed overlopen.  In dat geval moet u de frustratie niet bij mij zoeken.

Een ander vermoeden dat bij mij rees, was dat de arrogante stijl van mijn brief uw bloed deed koken.  Misschien hebben de mogelijke ontevreden klanten zich in het verleden wat bedeesder opgesteld (iemand met een belangrijke functie roept immers ontzag op), maar nochtans, meneer, was deze brief, zij het weliswaar nogal agressief en misschien iets te impulsief van aard, naar mijn mening helemaal niet buitensporig.  Integendeel, dit is de stijl waarop de mondige jongeren tegenwoordig communiceren:  openhartig, direct en assertief.  Als u dat gefrustreerd en epileptisch noemt, dan is dat uw probleem, maar het is de mening van een klant, en die is niet altijd zalvend!

U vindt trouwens dat mijn brief “een zeer incompetente analyse van een omhooggevallen individuutje” is.  Meneer, tegenwoordig kun je geen tijdschrift meer openslaan of programma bekijken, of het gaat over “management” en “personeelsbeleid”.  Bovendien heb ik daar tijdens mijn vorige studie ook al één en ander over opgestoken.  Dat maakt mij verre van een specialist, die pretentie heb ik niet, maar ik loop niet op de wereld met oogkleppen op, dus ik ontwikkelde een kritische geest en een vlotte babbel om mijn mening te kunnen zeggen.

Dat u dan nog veronderstelt dat ik “mijn gal in het rond stamp”, is erg.  In plaats van u en uw zaak te bekritiseren in de plaatselijke frituren zoals dat in het landelijke Haaltert de gewoonte is, of ‘s morgens op de trein, richt ik me nog tenminste tot u persoonlijk, en in eigen naam.  Het helpt u en mij niets vooruit van mijn ontstemming een publieke zaak te maken.  En als u doelt op mijn brief naar de directie:  ik verwachtte eerlijk gezegd geen reactie van u en daarom verwittigde ik ook hen.  Dat ik u hier niet op wees, was ongepast.  Daarvoor toch mijn excuses.

Maar wat me nog het meest verrastte in uw reactie is dat u mij gewoon niet gelooft.  De winkel verlaten zonder boodschappen brengt me als klant wél in een moeilijk parket, uw personeel loopt zeer zeker te kauwgommen, en zij zijn bovendien beslist wèl onvriendelijk en onbehulpzaam.  Over hun uiterlijk heb ik trouwens met geen woord gerept (ik weet niet waar u dat haalt), maar elke mens is mooi als hij vriendelijk is!  De bediening in Cash *Fresh Haaltert is allerminst vriendelijk of bereidwillig, en ik ben niet alleen met die mening!  Maar ja, ik ben maar een ‘studentje’, zoals u het al even laatdunkend als ik kan uitdrukken.

Ik ga nu niet beweren dat u mij nooit meer ziet in Cash*Fresh, Meneer, want ik kan soms gewoon nergens anders terecht, en ik hoop immers aldoor op verbetering, dus laat ons beiden op onze twee oren kunnen slapen zodat we onze tijd allebei aan nuttiger dingen kunnen besteden dan aan het schrijven van reacties.  Dus take it easy!

Met vriendelijke groeten,

Sven De Schutter, Standvastige Student

Het is daarbij gebleven, al heb ik nadien vermoed dat enkele personeelsleden van de betreffende winkel op de hoogte waren van het gebeuren, want ik werd soms opvallend vriendelijk bediend in de winkel, in de daaropvolgende maanden. Maar dat kan maar een gevoel zijn. De man zelf heb ik nooit ontmoet.

U  kan zich voorstellen dat dit voor een 19-jarige zoet smaakt, zo’n overwinning op de burgerlijkheid en kleingeestigheid van mensen die de zin voor relativering kwijt zijn. Dat ik er plezier in had mijn argumenten zo klaar en welklinkend los te laten op papier. De dwaze nasmaak van het laatste woord! Hahaha!

Het anekdotische succes van deze gebeurtenis, kreeg een bitter randje toen de man zich jaren later van het leven beroofde. Over mijn visie daarop, ga ik niet uitwijden, en hou het fijn door daar ook niet naar te verwijzen in eventuele reacties. Deze brief is voor mij nog altijd een soort begin van de manier waarop ik vanaf dat moment in het leven wilde staan: je niet neerleggen bij zaken die niet correct verlopen, een zelfkritische instelling verwachten van iedereen. Een beetje tegen de schenen schoppen, maar niet zonder reden. Later is daar ook het openstaan voor andere visies bijgekomen en uiteraard ook een fatsoenlijkere verwoording van argumenten en klachten. Zoals u in misschien zelf kan vaststellen in deel 2: De Potsierlijke Politici of deel 3: De Steigerende Studiemeester.





De Onhelaasheid der Dingen

14 12 2009

Mijn leerlingen hebben uiteraard weet van mijn filmliefde en komen me dus vaak spontaan vertellen welke films ze gaan bekijken zijn in de bioscoop. Bij sommige kinderen gaat het vaak om Turkse films, waarvan ik vrijwel nooit eerder iets gehoord heb en waarover ik dan ook geen zinnige dingen te zeggen heb. Vandaag verraste Veysel me. Hij had zijn bioscoopticket mee, want de titel viel niet te onthouden, laat staan uit te spreken. De Helaasheid der Dingen las ik verbaasd. Zijn gezicht toonde echter weinig enthousiasme. ‘Het was een vuile film! Altijd maar seks. Dat waren echt rare mensen’. Hij was me daarmee voor want ik vroeg me uiteraard meteen af wat een 12-jarige moslim denkt van de niet altijd even keurige toestanden in die film. Ergens in mijn achterhoofd ben ik misschien ook wat teleurgesteld: als een Turks kind naar een Vlaamse film gaat, wil ik dat toejuichen. Als hij het dan maar niets vindt, is dat dan weer een verdieping van de multiculturele kloof? Scheert hij de Vlaamse cinema dan collectief over één kam?

- Hoe komt het dat je deze film koos, Veysel?
- Er was niets, alleen maar zever. Dat zag er leuk uit.
- Ah? En 2012 dan? Was dat niets voor jou?
- Pff! Stomme zever!

We hadden het met ons twee dan nog maar even over de marginaliteit van de protagonisten. Ik maak Veysel duidelijk dat de regisseur net dit verhaal kiest omdat het apart is en het dus geen doorsnee personages zijn – wat misschien een klein leugentje is, maar dat moet ik nu even negeren – en dat ik wel van die mensen ken zoals in de film. Dan verrast hij me met zijn volgende mening: ‘Dat was wel speciaal, dat die film altijd veranderde van tijd. Het ging naar vroeger en dan was hij groot en dan weer een kind.’ Baf. Een kinderanalyse van niveau, ik heb er niet van terug. Ik stamel nog iets over originaliteit, dat niet iedere film rechtlijnig moet zijn, maar Veysel heeft er al geen boodschap meer aan. Hij zal op zijn eentje wel nuanceren. De film was misschien vuil, hij was ook interessant. Hij komt er wel, ook zonder mijn mening.

Soms is helaasheid zalig ver weg.





Even uitrazen (2)

3 11 2009

Broeder René Stockman, sekteleider van de Broeders Van Liefde, heeft gekke plannen en daar heb ik om meer dan één reden een mening over. Geen al te originele mening helaas – net als de meeste weldenkende mensen kan ik alleen maar schrik krijgen dat dit werkelijkheid wordt – maar het houdt me niet tegen ze hier te brengen.

rene_stockmanWaar gaat het over? Stockman loopt met het idee rond nieuwe scholen op te richten die veel nauwer aansluiten bij de katholieke leer. Dat houdt in dat er veel vaker eucharistievieringen zijn, er vaak gebeden wordt en de katholieke leer nog veel strikter gevolgd zal worden dan in wat momenteel voor katholieke scholen doorgaat.

Ik dacht net dat het een beetje de goede richting uit ging. Niet dat er aan de top van de Broeders van modernisering sprake is – en ik kan het weten – maar ik had de indruk dat de Broederscholen de multiculturele, multireligieuze samenleving stilaan begonnen te aanvaarden en de 21e eeuw waren binnengetreden. Dat er een zekere vervaging vast te stellen viel tussen de netten, die uiteindelijk toch allemaal degelijk onderwijs aanbieden.

Ooit ben ik nog veel naïever geweest. Toen ik mijn lerarendiploma in handen had, werd ik opgeroepen door het bisdom om mijn mandaat van rooms-katholieke godsdienst te komen ondertekenen. Het hield in dat ik me akkoord verklaarde ‘de boodschap van het Evangelie en van de Kerk te willen verkondigen en me te willen inzetten om ze voor te leven zoals de kerkgemeenschap het vraagt. Ik wil me meer specifiek inzetten voor het geven van rooms-katholieke godsdienst.’ Verschrikkelijk. Toen we dit in handen kregen, twijfelde ik sterk. Ik had mijn diploma op een katholieke school gehaald, maar de lessen godsdienst daar trokken je wereldbeeld open in plaats van het te sluiten. Ik besloot het mandaat niet te ondertekenen en ging naar huis. Welk principe ik precies bedreigd zag worden, was onduidelijk, maar dit voelde gewoon niet goed aan. Toch heb ik meteen de volgende dag mijn ondertekend exemplaar opgestuurd. Me veel te weinig bewust van de werkgelegenheid buiten het katholiek onderwijs, zag ik een doembeeld voor me waarbij ik ofwel werkloos was ofwel moest lesgeven in een inferieure school, zoals dat toen  mijn perceptie was.

En dus was één van mijn eerste werkgevers een school van de Broeders van Liefde. Een leuke, aangename school, met fijne leerkrachten en leerlingen. Zo af en toe werden personeelsleden naar bijeenkomsten gestuurd waarover ik dan lacherig deed: je moest en zou weten waar de Broeders voor staan en kreeg nieuws over al hun projecten, ook buiten  het onderwijs. Powerpoint na powerpoint over de missies en de Broeders over de hele wereld. Op zich is daar niets mee, ieder modern bedrijf tracht zijn werknemers te betrekken en te overtuigen van zijn mission statement. Toch voelde één en ander naargeestig aan. Een moderne sekte. Vooraan zaten een stuk of wat broeders van wie je je kon voorstellen dat ze een camera in je klas zouden hangen om toch maar te zijn hoe waarachtig je lessen catechese waren. En wat als je van het uitgestippelde pad der christelijkheid dreigde af te wijken?

Ik stond er verder maar niet bij stil en gaf braafjes iedere dag mijn 25 minuutjes catechese. Dat viel echt wel mee. Er was modern materiaal en het vak bood ruimte voor bezinning en verdieping zonder dat er daarom sprake van Jezus hoefde te zijn. Het mooiste was nog wel dat niemand er problemen mee had dat ik de kinderen een kritische bril aanreikte. Kon Jezus echt over water lopen? Heeft hij echt broden en vissen vermenigvuldigd? Met de kinderen tot de conclusie komen dat dit metaforische verhalen zijn, uitvergrotingen van iets dat misschien echt gebeurd is, en mensen hier kracht uit halen, was zeer bevredigend. Het stond ver af van de indoctrinerende woorden van de brave zuster Lina in de derde kleuterklas, die me echt deed geloven dat Jezus naar mij keek.

Minder aangenaam waren de talloze misvieringen die de school organiseerde. Zes keer per jaar of zo. Dat vond ik echt wat veel van het goede. Ik bleef in deze vieringen ook op mijn stoel zitten tijdens de communie. Dat kun je me verwijten, gezien het feit dat ik toch dat mandaat had ondertekend. Maar ik weiger pertinent hypocriet te zijn. Bovendien ben ik voor de leerlingen dan evengoed een voorbeeld. Zij hoeven toch niet aan te nemen dat alle volwassenen om hen heen katholiek zijn?  Ik deinsde er nog wat voor terug aan mijn leerlingen duidelijk te zeggen dat ik niet gelovig was, maar gaf hen wel uitleg als ze vroegen waarom ik geen hostie haalde (‘dat plakt aan uw verhemelte en daar kan ik niet tegen’ haha!). De vraag was uiteindelijk: kan ik catechese geven zonder zelf katholiek te zijn?

Die vraag hoeft niet meer beantwoord te worden. Toen mijn contract na 3 jaar ten einde kwam, werd ik geconfronteerd met de ware broeders: machtsvertoon, een ivoren-toren-beleid, minachting voor hun eigen publiek, … de maskers vielen. Ook latere confrontaties in heel andere context, met katholieken allerhande, bevestigden wat ik eigenlijk al min of meer had aangevoeld: dit was echt niets voor mij. Te eng, te superieur, te zelfzeker, te minachtend tegenover alles wat niet past.

Ik ben nu een zeer tevreden leerkracht in het stedelijk onderwijs en hoef me dus in principe geen zorgen te maken over wat Meneer Stockman zich in zijn gezalfde hoofd haalt. Toch vind ik het als vooruitstrevende en bezorgde burger een stap achteruit. Ik heb het hier al eerder gehad over een zekere (al dan niet terechte) frustratie over de kloof tussen de genoegzaamheid van het katholiek onderwijs en de veel meer bij de  realiteit aansluitende gang van zaken in het niet-katholieke onderwijs.  Dit wordt zelfs een uitvergrote vorm! In De Morgen van het voorbije weekend haalt moraalfilosoof Patrick Loobuyck enkele prachtige argumenten aan, waarmee ik mijn bezorgdheid kan argumenteren.

Loobuyck haalt als voornaamste argument het falen aan van de huidige katholieke leer. Hoe komt het dat de scholen van de Broeders van Liefde (en andere katholieke scholen) er niet meer in slagen hun leerlingen écht gelovig te maken? ‘Werkt de indoctrinerende molen niet meer?’, maak ik daarvan. De scholen mogen deze vraag niet als een verwijt zijn, het feit is gewoon dat het in een seculiere samenleving waarin geloof in de praktijk nog weinig voorstelt, zelfs als school moeilijk is daar tegen op te boksen. Er zijn dan ook geen broeders meer die les geven en die leerkrachten zijn natuurlijk zelf nog amper gelovig. Waarom dan toch krampachtig proberen die evolutie tegen te gaan?

Ik vraag me dus vooral af waar Stockman dat idee gehaald heeft. ‘Op verzoek van ouders’ klinkt het. Hoeveel ouders zouden dat zijn? (‘een bepaalde niche’, zo zeggen de Broeders zelf). Is het niet eerder een paniekreactie van iemand die de macht van zijn geloof en zichzelf langzaam ten onder ziet gaan? De laatste stuiptrekking van een man die de vooruitgang tracht tegen te houden? Want ik durf dit opentrekken en stellen dat het conservatieve van dat geloof ook vorm krijgt in de dagelijks lespraktijk van de school, dus ook buiten het vak catechese. Deze week kreeg de school waar ik nu werk – een Freinetschool – het bezoek van een delegatie directies uit het traditionele (niet-katholieke) onderwijs. In het kader van Forum for the Future, een zoektocht naar innnovatief onderwijs, kwamen deze dames en heren een kijkje nemen op een school waar vernieuwende onderwijstechnieken dagelijks toegepast of minstens toch uitgeprobeerd worden. We kregen lof en applaus en dat sterkt me nog eens in de overtuiging dat vernieuwing niet in het traditionele onderwijs zal ontstaan. De link met het katholieke onderwijs is in deze anekdote natuurlijk vaag, maar ik ga er van uit – en ik spreek dan uit ervaring – dat zij nog nog meer vasthouden aan traditie en autoriteit en dus nog veel meer in te halen hebben dan de zelfkritische collega’s uit het niet-katholieke, traditionele onderwijs. Vooraleer die vroegere discussie opnieuw start: ik ben zeker dat de meeste katholieke scholen goede scholen zijn waar goed geleerd wordt en leerkrachten hard werken. Maar alles kan beter en stilstand is achteruitgang.

Het idee van moslimscholen creëerde paniek, woede en onbegrip. Ik denk voor een groot deel terecht, want het zou de pluralistische samenleving alleen maar onbereikbaarder maken. Wel, net zo is een strikt katholieke school een al even slecht idee. Of zelfs erger, want u weet toch nog wel waar die katholieke leer allemaal voor staat of tot welke menselijke drama’s het opleggen van geloof al heeft geleid? Recent hoorde ik in de docuserie Meneer Doktoor nog enkele aangrijpende verhalen over hersenspoelende pastoors, om maar één voorbeeld te geven. Ik kan dus alleen maar hopen dat die drang naar stilaan vervliegende verzuiling de kop wordt ingedrukt door moderne beleidsbepalers – en dat is momenteel helaas niet Pascal Smet – en Stockman’s ideeën vooral in zijn hoofd vorm krijgen. Broederlijk Verdelen, het krijgt ineens een heel andere betekenis.

Voor wie overigens de andere partijen aan het woord wil horen, hier vindt u de reactie van de Broeders op de commotie na het uitbrengen van hun plan/idee.





K-dee zoekt bevestiging

6 10 2009

Leerlingetje:  ‘Svééééén, wie vond jij dat er moest winnen? Josje,  Madelon of Noa?’

Leerkracht: ‘Géén van de drie! Ik zag drie door- en door onnozele bimbo’s die alledrie vals zongen! Ze waren dom, ijdel en infantiel! Het was ook lang vooraf duidelijk dat ze een Hollandse gingen kiezen, kwestie van een deel van het afzetgebied commercieel veilig te stellen. Op geen enkel moment had ik het gevoel dat zangtalent van belang was, wel nationaliteit, blondheid en gekir. Dit was geen tv-programma, maar een uitgekiende marketingstunt van een hebberig, megalomaan bedrijf dat nu lang genoeg zijn inspiratieloze producten door de strot van de argeloze, makkelijk te verleiden consument jaagt. Ik walg ervan!’

Maar dat zei ik dus niet. Ik zei: ‘Josje’.

‘Ik ook’ zei ze. En met een grote glimlach huppelde ze weg.





Acteren moet je leren (2)

26 09 2009

De voorbije weken vielen drie feiten me op in de Vlaamse acteerwereld. Allereerst was er de casting van Koen De Bouw in de volgende film van Erik Van Looy. De twee hebben al drie keer eerder samengewerkt en kunnen het goed met elkaar vinden. Geen probleem. Toch vind ik die casting wat voorspelbaar. Wedden dat Filip Peeters de volgende zal zijn die mag aantreden in De Premier? Dat mogen dan al prima acteurs zijn, is het niet een beetje ongeïnspireerd telkens voor diezelfde koppen te kiezen? Van Looy behoort natuurlijk tot de mainstream en hoeft dus misschien geen risico’s te nemen, maar een creatief denkproces is er wellicht ook niet aan voorafgegaan En dat moet dan voor het eerst zijn dat ik deze brave mens wat afval.

Ook een vermelding waard, zeker in het kader van het oorspronkelijke uitgangspunt van deze rubriek, nl. taalgebruik in Vlaamse fictie, is een citaat van Nathalie Meskens in HUMO: ‘Wij moeten de mensen entertainen en niet opvoeden’, zegt de actrice uit Kaat & Co en Wij van België op de vraag of er verkavelingsvlaams zal gesproken worden in de nieuwe serie David. Ik vind dat een enge visie en een onnozele uitspraak, want Meskens lijkt er van uit te gaan dat je ofwel natuurlijk overkomt op het scherm en dus entertaint ofwel behoorlijk Nederlands spreekt en dus bevoogdende, saaie televisie maakt. Er is blijkbaar niets daartussen. Wie deel 1 las weet al dat ik geen Algemeen Nederlands verwacht van acteurs, maar wel fatsoenlijke articulatie en vooral een grote naturel. Als Meskens slecht spreekt, is ze een slechte actrice, want duidelijk spreken is gewoon haar werk. Het blijft bij veronderstellingen, want ik zag Meskens nog nooit aan het werk en laat haar dus voorlopig achterwege in mijn overzicht.

Tenslotte wist Stefaan Werbrouck in Knack een sterk punt te maken. N.a.v. de kritiek op de accenten van de acteurs in Code 37 en de daaropvolgende kritiek over onverstaanbaarheid in Los Zand, nam hij eveneens de stelling in dat acteurs van hem niet zozeer geforceerd Nederlands moeten spreken, maar hij vraagt zich wel af of het zoveel gevraagd is dat acteurs het accent aanleren dat hun personage verondersteld wordt te hebben. Is het niet precies het werk van een acteur ons te overtuigen dat ze iemand anders zijn? Waarom doen ze dan geen inspanning om een passend accent aan te nemen? Tja, het kunnen niet allemaal Meryl Streeps of Russell Crowes zijn zeker? Mooi gezegd van Werbrouck alleszins.

Dus sprokkel ik nog maar eens 10 Vlaamse acteurs bijeen om even stil te staan bij hun talent:

vlaamseacteurs211. Ianka Fleerackers: nooit meer uit het collectief geheugen te bannen door haar rol als de o zo lieflijke Prinses Prieeltje in Kulderzipken. Daarvoor viel ze mij al op in Niet voor Publicatie. In Louislouise en Flikken zag ik haar dan weer kort nietszeggend wezen. Heeft niet zo’n positief imago, maar ik verdenk haar er van meer dan behoorlijk te kunnen acteren. Verdient beter materiaal om dat eens te bewijzen.

12. Warre Borgmans: een rasacteur die vooral komisch sterk lijkt te wezen maar ook in de meest gevarieerde ernstige rollen altijd goed werk levert. In Nefast voor de Feestvreugde vond ik hem grandioos, zijn bijrol in Het Eiland stond bol van nuances en zijn trompettist in Het Peulengaleis valt niet te overtreffen. Ook bekend als broeder Grimm in datzelfde Kulderzipken en uit Team Spirit, Buitenspel en Zone Stad en momenteel zijn boterham aan het verdienen in David. Wat jammer genoeg geen reden genoeg is om te kijken.

13. Camilia Blereau: ‘Wie?’ vraagt u alweer. Maar al te vaak wordt deze dame vermeld als een onontdekt talent. Is dan ook vooral in gastrollen te zien maar mij blijft zowat elke rol bij van deze actrice. Wordt vaak gecast als kijvend wijf of bazig kenau, maar wie al haar rollen op een rijtje zet, kan niet anders dan haar veelzijdigheid vaststellen. Was al jaren geleden een strenge hoofdredactrice in Niet voor Publicatie, was onlangs erg sterk in De Smaak van De Keyser en verraste tussendoor in Stille Waters. Het grote publiek kent haar vooral uit Lili & Marleen en Kinderen van Dewindt. Moet ook leven en nam dan ook allerlei gastrollen in beschamende series als Spring!, Grappa en Amika aan. Ik wens haar ooit een stevige hoofdrol toe in een succesvol drama.

14. Joke Devynck: Ze mag gezien worden, ze is nog steeds vrij populair na haar hoofdrol in Flikken van 1999 tot 2002 en verscheen ook al in 4 films die ik allemaal gezien heb (Buitenspel, Vle(u)gels, Vermist en Suspect). Op televisie was ze ook nog te zien in Sara en Katarakt. Ik snap niet helemaal waar dat succes aan te danken is want ik hoor steevast dat West-Vlaamse accent en vind haar simpelweg nooit geloofwaardig en soms wat irritant. In Flikken destijds was ze zelfs abominabel. Dat is intussen verbeterd, maar toch overtuigt Devynck me amper. Ik ben benieuwd welke gevolgen dat zal hebben voor de Tom Lanoyeverfilming Het Goddelijke Monster, waarin Devynck de hoofdrol zal spelen.

15. Barbara Sarafian: Sinds Aanrijding in Moscou weer een beetje op de voorgrond en dat is volkomen terecht. Sarafian is een groot talent dat overtuigt in de meest diverse rollen. Kan zeer komisch wezen maar geeft zich ook volledig op het dramatisch vlak. Aanrijding bood haar een van de mooiste vrouwenrollen van de afgelopen jaren en ik durf betwijfelen of veel andere actrices dit tot een goed einde hadden kunnen brengen. Maar veel eerder speelde ze ook met veel overgave een variatie aan rollen in Spike en Kijk eens op de doos van (pdw). Vermeldenswaardig hoogtepunt was ook haar rol in Peter Greenaway‘s 8 1/2 Women naast o.a. Amanda Plummer en Toni Collette. Ben fan!

16. Stany Crets: als Nancy moet ik hem eigenlijk niet – ik heb niets tegen dat personage, maar Crets gaat voor mij nét niet genoeg op in zijn rol – maar de man heeft doorheen de jaren (vooral in zijn eigen programma’s) getoond dat hij boordevol personages zit en dat maakt hem een goed acteur die zijn succes zeker verdient. Daarnaast was hij geloofwaardig en/of grappig in Los, Raf & RonnyRecht op Recht en natuurlijk – nu al 13 jaar geleden – Alles Moet Weg.  Ik weet niet of een diepgravende, ernstige rol hem zou liggen – het zou best wel eens kunnen – maar voorlopig kan de man tevreden zijn over zijn eigen carrière. Jammer wel van die enkele magere rollen in ultracommerciële ondingen als Plop in de Wolken of K3 en het ijsprinsesje. Geen snobisme, maar dat kun je moeilijk aanvaardbare fictie noemen.

17. Frank Focketyn: een curieus geval, deze doorgaans zeer grappige acteur. Heeft meegewerkt aan enkele van de meest populaire en beste series van de voorbije jaren – Het Eiland en In de Gloria – en maakt als Pappie uit Man Bijt Hond deel uit van de tv-geschiedenis. Zowat al zijn rollen blijven herbekijkbaar en uiterst grappig. Maar wat zegt dat over het acteertalent van Focketyn? Uiteindelijk weten we allemaal dat Guido Pallemans en al die andere zenuwachtige, gecrispeerde types uit In De Gloria iets te veel op elkaar lijken om te stellen dat Focketijn veelzijdig is. Vooral het rechtduwen van de bril met de wijsvinger heb ik de man net iets te veel zien doen. Toch zie je weinig acteurs in die mate opgaan in een personage en slaagt Focketyn er toch altijd in het karikaturale te overstijgen. Indien niet al te vaak op het scherm, dus best een aangenaam acteur. Wist u dat hij ooit een pastoor speelde in enkele afleveringen van Thuis?

18. Benny Claessens: Oei, wat doet deze kerel me zuchten. Als broer van Bart in Het Geslacht De Pauw viel hij voor mij enkele keren door de mand: hoe sterk zijn rol en de scenario’s ook, het deels geïmproviseerde  gemekker van deze jonge acteur stoorde me echt te vaak. Ik zag hem tweemaal gehandicapt wezen: in de bedenkelijke jeugdfilm Blinker en – héél kort – in Koning van de Wereld en beide keren vond ik zijn prestatie tergend slecht. Zijn gastrol in Witse – aja nu je het zegt, daarin speelde hij alwéér een mentaal gehandicapte – was simpelweg verschrikkelijk. Ik hoef deze figuur niet per se meer op televisie te zien.

19. Robbie Cleiren: zijn bekendheid is omgekeerd evenredig met zijn talent. Cleiren is een prima opgeleide, altijd geloofwaardige en interessante acteur die zijn rollen prima afwisselt. Zie hem vooral aan het werk in de weing geziene films Een ander zijn geluk, Dirty Mind en Linkeroever. Op televisie herinnert u zich hem misschien van Recht op Recht en gastrollen in Witse, Rupel en Sedes & Belli. Lijkt geen drang tot het BV-schap te voelen, wat de perceptie van de ernst waarmee hij zijn vak uitvoert, alleen maar vergroot.

20. Jacky Lafon: Niemand is makkelijker door het slijk te halen dan deze euh… actrice. Haar afgang in de Nationale IQTest was voer voor talloze stand-up comedians en columnisten en haar onverslijtbare rol in het grootste televisiegedrocht ooit gemaakt, Familie, is eigenlijk gewoon lachwekkend. Wat valt er verder nog te spotten met deze platte, veredelde kermisslons op jaren, wiens werk in de de verste verte niets te maken heeft met wat acteren eigenlijk is? Leert haar tekst van buiten en dat is het.

 





Sven eet een ander zijn bord goed leeg

17 09 2009

Als ik ergens niet goed in ben, dan doe ik het meestal niet. Of ik blijf het toch niet doen. Ik blog  nu al jaren dus ergens moet ik wel heel tevreden over mezelf zijn. Mensen die me menen te kennen door het lezen van mijn blog, verdenken me wel vaker van pretentie en superioriteit, dus dit kan er nog wel bij.

Ja, dit is nog eens een stukje waarin ik mijn tevredenheid over mijn blog etaleer. Omdat het de laatste weken weer erg goed gaat, wat drive, schrijflust en bezoekers betreft. Ik moet dus voor eens en altijd maar eens concluderen dat ik blog omdat ik graag schrijf. Ik denk ook dat ik intussen aardig schrijf (hoewel niet altijd even aardig) en zo nu en dan vind ik zelfs dat ik werkelijk een prachtig stukje op de wereld heb losgelaten. Nu en dan zo eens. Het vlot formuleren en op een rijtje zetten van mijn gedachtestroom, vind ik zeer bevredigend.

foksuk1Wat die bezoekers betreft, ik hou dat in de gaten. Vind ik het belangrijk? Mwja, want een publiek is leuk. Maar mocht die functie niet beschikbaar zijn, zou ik nog steeds bloggen, dus dat relativeert het toch weer wat.

Mijn tweede uitgangspunt is wellicht iets kwijt willen. Ik veronderstel daarmee de essentie gevat te hebben van het bloggen, al zullen andere daar per se een andere uitleg willen aan geven. Maar mijn conclusie is dus: men blogt ofwel uit liefhebberij voor het schrijven ofwel omdat men iets interessants te vertellen hebben. Iets mag zelfs minder interessant zijn als het leuk geformuleerd is.

Het punt is dat sommige bloggers in geen van de twee goed zijn. Ze schrijven zonder enige franje of zelfs maar een minimum aan kennis van de Nederlandse taal én daarbij hoort dan nog eens een volkomen vervelend gezaag over boodschappen doen, garagepoorten verven of fietsbanden verwisselen. Ze braken blogjes uit zonder enige essentie of conclusie. Af en toe peil ik eens of hun blog geëvolueerd is, maar vaak is het zelfs nog erger geworden. Ik laat die mensen maar doen, maar… ik heb er wel een duidelijke mening over.

Onlangs poneerde ik die mening bij een melancholische aangelegde blogger die van taal en diepgang houdt. U leest mijn letterlijke boodschap zelfs hier. Men zou kunnen stellen dat we het eens waren, hoewel de definitie van prietpraat en leegte zeer subjectief is. Wie weet behoort het Verantwoord Tijdverlies zelf wel tot de geviseerde blogs? Al komt de auteur daarvoor net te vaak langs.

Onze (al dan niet gedeelde) mening zat iemand dwars. Dat heb je met meningen. Die iemand dacht zelfs dat we het over hem hadden!  Omdat hij ook over ditjes en datjes blogde. En dus werden er citaten geplaatst, waarop dan reacties volgden van mensen die de geciteerden van pretentie en pseudo-intellectualisme beschuldigden. Dat vind ik allemaal niet zo erg, hoor, hoewel dit stukje misschien het tegengestelde doet vermoeden. Want een intelligent mens negeert zulke kletspraatjes. Mijn schrijfdrang overheerst echter en dus kies ik niet voor de slimste oplossing maar degene die mij het meest gemoedrust biedt.

En dus, beste Menck, vraag ik me af waarom u het geciteerde op uw eigen blog betrekt? Ik wist zelfs niet dat u nog een blog had, want wie kan dat nog bijhouden in uw geval? En dan nog, u schrijft best aangenaam op dat Kielzog - stel ik opnieuw vast nu ik uw herontdekte blog doorneem. Prettig leesvoer bij momenten. Waarom zou ik het dan over u hebben gehad? Overigens lijkt u vergeten te zijn dat uw laatst bij mij bekende blog zelfs opgenomen werd in mijn blogroll. En die is met zorg geselecteerd hoor.

Nee, laat me nu maar niemand persoonlijk gaan kwetsen door hier concreet te noemen wat voor blogs ik dan wel bedoel. Dat is immers de kwestie niet. U en enkele lezers lijken me gewoon mijn mening kwalijk te nemen. Soit, dat heet dan een meningsverschil. Maar ik vind dat ik het volste recht heb een aantal blogs slecht te noemen. Ik val die mensen niet lastig op hun blog, plaats geen vervelende reacties en verwijs niet smalend of ironisch naar hun nietszeggende gekrabbel.

Ik heb ook nergens gesteld dat mijn blog beter is. Wel dat ik mijn eigen blog goed vind. Ik ben bescheiden, maar niet vals bescheiden. Toch vinden sommigen dat van pretentie getuigen. Ja, ik sabel neer, hoewel ik vaag blijf over het mikpunt. Maar stel ik me daardoor verheven op? Wie iets slecht of onnozel vindt, geeft daarmee iets weer over zijn eigen norm, maar betekent dat automatisch ook dat die norm boven de andere gesteld wordt?

Let op, ik ga niet op mijn woorden terugkomen. Meer zelfs, hier nog eens duidelijk geformuleerd: ik kan soms simpelweg niet begrijpen dat mensen hun schrijfsels gepubliceerd willen zien als zelfs een kleuter ziet dat ze er niets van bakken. Hebben die mensen dan het recht niet zich te uiten, dingen van zich af te schrijven? Tja, interessante vraag stel ik hier. Ik hoef dat immers niet allemaal te lezen en blijheid vrijheid en andere clichés. Het brengt me bij een oud zeer: mag je iets slecht vinden waar je zelf geen last van hebt? Ik kijk niet naar Familie, maar dat wil niet zeggen dat ik vind dat zoiets gruwelijk slecht moet uitgezonden worden. Ik lees zekere blogs niet, maar juich hun bestaan evenmin toe. Ik blijf dus bij mijn standpunt en als dat enkele van die slaapverwekkers aanzet tot een heel klein beetje introspectie, gekoppeld aan een poging om eens een woordenboek te gebruiken of eens wat structuur in een tekst te gieten, heb ik daar toch iets mee bereikt.

I rest my case, bijna. Want in de reacties op eerder vermelde blog lees ik nog twee heel dwaze uitspraken. Zapnimf, die absoluut niet tot de geviseerde blogs behoort maar wiens gewrongen proza en ondraaglijk lichtvoetige gezap echt niet mijn ding zijn, stelt dat bepaalde blogcritici aanvoeren dat je je problemen moet op het net zwieren om niet oppervlakkig genoemd te worden. Die interpretatie is geheel voor haar rekening natuurlijk, al is overduidelijk wie ze daar botweg mee bedoelt. Ik vraag me ook opnieuw af wat het dan eigenlijk over haar zegt als ze zich geviseeerd voelt door het citaat. De dame zegt ook: ‘Zelf vind ik het veel fijner om iemands persoonlijke gebeurtenissen te volgen dan te weten wat iemand over die bepaalde film vond (duh… ik zag die prent ook en ik kan nog echt wel mijn eigen mening vormen) Voor een gefundeerde kijk op een onderwerp pak ik de krant vast. Volk genoeg dat ervoor opgeleid is. Waarmee ik niet bedoel dat ik op dene of gene neerkijk, ieder zijn meug voor mijn part.’ Dat vind ik een verbazingwekkend enge gedachte. Omdat ik zelf filmrecensies schrijf? Nee, omdat ik van iemand die in het onderwijs staat eigenlijk verwacht dat ze toch wel wat kritischer is. Er zijn best heel wat blogs die feiten even goed of zelfs beter verwoorden of analyseren dan veel journalisten, zeker tegenwoordig. Je kan er alleen maar iets van opsteken, al ben je het oneens met de schrijver. Ze spreekt ook zichzelf tegen: die recensies worden immers ook geschreven door volk dat er voor opgeleid is. Zonder te willen uitwijden over het zinvolle van recensies (van film of andere): wie kennis van zaken heeft, weet het echt wel beter dan een leek.

Drijf ik het nu niet wat ver door deze waarschijnlijk brave dame op haar woorden te pakken? Tja, dat doet zij natuurlijk evenzeer. Bovendien is haar onderonsje met Menck gewoon laag.

Ook met een zekere Dick Richie ben ik het gedeeltelijk oneens. Hij haalt uit naar sociaal geëngageerde en kritische blogs. Zonder mezelf daartoe te rekenen, verontwaardigt die oogklepmentaliteit me zeer. Wentel u gerust in de talloze wissewasjes en beuzelarijen van zekere bloggers, maar – al zullen ze geen revoluties te weeg brengen – doe toch ook eens een poging die enkele blogs  te waarderen die één en ander uit onze zieker wordende samenleving  onder de loep nemen.

Ik heb me hier weer even te pletter geschreven, me realiserend dat het allang niet meer interessant is voor de argeloze lezer. Sorry hoor, dit was dan maar vooral een stukje voor mezelf. En voor die enkele oververhitte bloggers. Ik had dat ook parodiërend kunnen doen, zoals hier, maar daarvoor zet ik te graag de puntjes op de i. En bij deze staan ze er stevig. Bedankt voor het lezen!





Even uitrazen

13 09 2009

miekevanheckeMieke Van Hecke heeft makkelijk spreken: zij zit niet met een probleem op ‘haar’ scholen. Toch doet ze ook haar duit in het zakje in het hoofddoekendebat. Ze voert zelfs tegenargumenten op om die hoofddoek toch toe te laten. Ik twijfel niet aan haar intelligentie (wel aan haar breeddenkendheid), maar haar ervaring is zowat onbestaande in deze materie en haar mening dus erg eenzijdig. Ik ben nooit fan geweest van deze oeronderwijzeres, wiens nauwelijks verscholen superioriteitsgevoel maar al te vaak nare herinneringen oproept aan mijn eigen aanvaringen met het bestuur van het katholieke onderwijs. Haar nu weer aan het woord horen, laat me enkele bedenkingen maken.

In de eerste plaats is er het dubieuze feit dat in katholieke scholen wél plaats is voor religieuze symbolen. De logica daarvan vind ik eigenlijk nog altijd bizar -ik kan me er nog altijd niet in vinden dat onderwijs en geloof in onze samenleving nog zo vergroeid zijn – , maar dat is voer voor een ruimere discussie. Maar moslimmeisjes die zich in een katholieke school inschrijven, wordt wel gevraagd hun hoofddoek op school niét te dragen. Dat heeft een ranzig tintje, vind ik. De eigen religieuze symbolen mogen wel, die van een ander niet. Verdraagzaamheid heeft in het katholicisme altijd al een enge betekenis gehad. Bovendien kan ik me de bevoogdende en vingerzwaaiende toon voorstellen waarmee zo’n moslimmeisje en haar ouders in heel wat katholieke scholen ontvangen worden. Ik ben genoeg van die figuren tegengekomen in het katholiek onderwijs, mensen die abnormaal veel waarde schenken aan hiërarchie en eerbetoon, neerkijkend vanuit hun ivoren beleidstoren en in een eng wereldje leven. Maar we wijken af. Ik vind het dagelijks leven op een katholieke school ongezond ver van de (multiculturele) realiteit staan. Misschien zit het enkel in mijn hoofd, maar ik erger me aan de gerustheid van de katholieken: zij moeten in hun school nog lang niet vrezen voor de problemen waar andere onderwijsnetten wel mee te kampen hebben. Op een school werken waar pakweg een derde (of de helft, of 90% wat dat betreft) van de leerlingen moslim is, drukt je iedere dag met de neus op de realiteit. De multiculturele droom is weliswaar nog ver weg, ik blijf het toch erg verrijkend vinden. En zelfs dan, het is gewoon de werkelijkheid. Toch is het niet altijd makkelijk en op zo’n momenten vervloek in binnensmonds de katholieke collega’s die in een sprookje leven.

Ik overdrijf natuurlijk. Laat me duidelijk stellen dat de meeste katholieke scholen even goed of even slecht zullen zijn als scholen van het stedelijk onderwijs of het gemeenschapsonderwijs. Goede en gedreven leerkrachten vind je overal, stompzinnigaards en kinderhaters ook, en op geen enkele klas verloopt alles vlot. Mijn collegialiteit is niet universeel – ook daar ben ik bezoedeld door kennismakingen met engdenkende, ongeïnspireerde en ruggengraatloze leerkrachten – maar uiteindelijk neem ik maar aan dat de meesten van ons het voor  het kind doen. Maar in visie en beleid zitten zoveel verschillen.

Ik kan intussen vergelijken. In het katholiek onderwijs moet men zijn plaats kennen. Directies en vooral het bestuur zijn zo doordrongen van hun zeer subjectieve normbesef, dat voor het minste de wenkbrauwen gefronst worden. Leerkrachten wijken best niet af van de uitgestippelde wegen, vaak zelfs ook niet in hun privéleven en de hiërarchie is heilig. Het klinkt als een afgezaagd cliché, maar helaas is het nog echt vaak zo. In heel wat katholieke schoolbesturen zetelen nog zusters en broeders, zich krampachtig vastklampend aan gedateerde vormen en inhoud. Ik heb het dan niet eens zozeer over de gehanteerde waarden – die zijn vaak zo vaag dat ze gewoonweg als algemeen geldend voor onze samenleving kunnen gezien worden - maar over vaak heel oppervlakkige (en soms ook fundamentele) zaken die vooral geen smet op het blazoen van de katholieken mogen betekenen. Een blazoen dat al niet eens zo proper meer is.

Er zal wel weer een lezer of wat zijn die in dit soort  bedenkingen redenen ziet om me van frustraties en kleingeestigheid te beschuldigen. Dat zullen dan wel mensen zijn die nog nooit iets gehoord of gezien hebben achter de schermen van het katholiek onderwijs. En toegegeven, er is ook een zekere frustratie: omdat het stedelijk onderwijs nog zo vaak minachtend wordt bekeken door de katholieken en omdat nog zoveel mensen voor het katholiek onderwijs kiezen zonder alternatieven te overwegen. Dat behoudsgezind en slaafs volgen van de conventies, bah. Ik werk nu al enkele jaren in het stedelijk onderwijs en nog steeds vind ik de verschillen opmerkelijk. Op het ambtelijke aspect na, dat zoveel clichés bevestigt, zie ik hier veel meer vooruitstrevendheid en openheid. Ik merk dat kritiek en discussie kan, dat er veel meer ruimte is voor persoonlijke ontplooiing, dat men niet verstikkend vasthoudt aan plichtplegingen en formaliteiten. Natuurlijk is er een chain-of-command en vanzelfsprekend gelden er gewone omgangsvormen. Maar zonder ook maar enige wurgende houdgreep van voorgeschreven regels van een oubollig geloof. En dat is niet eens correct uitgedrukt, want hoewel ik gelovige mensen vaak niet kan begrijpen, is het niet het geloof dat me stoort, wel de hypocriete wijze waarop dat geloof echtheid maskeert en als excuus moet dienen om zelf niet na te moeten denken. Geen wonder toch dat er zoveel duivels volk te vinden is, die kortzichtige interpretatie van geloof creëert volgens mij vooral frustraties.

uniformMieke Van Hecke had het nog even over uniformscholen. De voor- en tegens van uniformen op school  – of, in iets bredere zin, opgelegde kledingvoorschriften – zijn bekend genoeg. En toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat het ook hier enkel een vormelijk argument betreft, de overtuiging dat uniformen een soort fatsoen uitstralen die we blijkbaar moeten linken aan gelovigheid. Ook dat interpreteer ik als een superioriteitsgevoel. Als uniformen een soort mentaliteit moeten stimuleren, vraag ik me nog altijd af welke en waarom dat in onze samenleving niet te merken is. Meer zelfs, hoeveel creatieve en vooruitstrevende mensen kijken niet met veel bitterheid terug op hun uniformschool?

Met dat fatsoen neem ik overigens een term in de mond die ik eerder negatief opvat. Ik associeer fatsoen nog te vaak met afkeuring van wat anders is. Ooit noemde ik een schooldirectrice op deze blog als ‘stijfstaand van fatsoen’. Toen ze dat vernam en daar haar beklag over deed, had ze daar zelf ‘kakmadam’ van gemaakt. Dat had ik niet gezegd, het was haar eigen interpretatie. Maar ik ben dus niet de enige die het woord fatsoen eerder negatief beschouwt. Fatsoenlijkheid gaat er immers van uit dat de norm van welvoeglijkheid vastligt, maar dat is nu net niet zo. Maar opnieuw wijken we af.

Laat me concluderen dat ik me bijzonder goed voel in het stedelijk onderwijs en ik overtuigd ben van alles waar het voor staat. Ik geloof in de pedagogische omkadering en de professionaliteit van de mensen die er aan mee werken, zonder dat van hen gevraagd wordt te voldoen aan een uit de lucht gegrepen norm van wat toelaatbaar is.

En het spreekt vanzelf dat mijn school de beste is, ha!








Follow

Get every new post delivered to your Inbox.