
Zo kan het dus ook.

Zo kan het dus ook.
Eén van mijn leerlingen tegen haar moeder: “Volgens mij is Sven stiekem jaloers op zijn broer, want zijn broer is kunstenaar, en Sven zelf zit iedere dag met vervelende kinderen opgescheept.”
Leerlingetje: ‘Svééééén, wie vond jij dat er moest winnen? Josje, Madelon of Noa?’
Leerkracht: ‘Géén van de drie! Ik zag drie door- en door onnozele bimbo’s die alledrie vals zongen! Ze waren dom, ijdel en infantiel! Het was ook lang vooraf duidelijk dat ze een Hollandse gingen kiezen, kwestie van een deel van het afzetgebied commercieel veilig te stellen. Op geen enkel moment had ik het gevoel dat zangtalent van belang was, wel nationaliteit, blondheid en gekir. Dit was geen tv-programma, maar een uitgekiende marketingstunt van een hebberig, megalomaan bedrijf dat nu lang genoeg zijn inspiratieloze producten door de strot van de argeloze, makkelijk te verleiden consument jaagt. Ik walg ervan!’
Maar dat zei ik dus niet. Ik zei: ‘Josje’.
‘Ik ook’ zei ze. En met een grote glimlach huppelde ze weg.
Anderstalig kind 1: ‘Ik ben jarig op november!’
Anderstalig kind 2: ‘Haha, sukkel! Da moe zijn ‘ik ben jarig naar november!’
Het wordt een boeiend jaar.
De media wreven ons onder de neus dat maar liefst 83% van alle lagereschoolkinderen, graag naar school gaat. Fijn zo. Ik liet mijn leerlingen dus vandaag maar even aangeven hoe graag ze vandaag naar school waren gekomen – op een schaal van 1 tot 5. Het ontluisterende resultaat van mijn klas was … 60.8 %.
Hoera.
Maar op het eind van de dag zeiden ze wel: ‘Vraag je het ons morgen nog een keer? Het zal dan al veel meer zijn.’
Het einde van het schooljaar lijk ik iedere keer weer een beetje op een andere planeet door te brengen. Fysiek zeker, want ik zit zowat de hele dag ofwel op school ofwel op één of ander feestje. Zo zat ik uren te vergaderen, te rapporteren of te oudercontacten, en waren er aan de andere kant de vele gelegenheden om het glas te heffen. Met je collega’s wat gaan eten om wat druk van de ketel te halen, naar een lentefeest van een leerling, een pensioenfeest dat uit twee gedeeltes bestond, het traditionele teametentje waarmee we het schooljaar afsluiten, een picknick met de ouders, het schoolfeest, het uitwuiffeest, een proclamatie van onze zesdejaars (mét receptie), … Ik dronk de afgelopen weken dus liters cava en nam talloze hapjes tot me (en toch heb ik stellig de indruk dat ik wat kilo’s kwijt ben). Thuis staat mijn televisie dan werkloos te wezen, zucht een torenhoge afwas me toe en verkondigt de koelkast zoemend een grote leegte. Ik raak niet bij de kapper en al helemaal niet in de bioscoop, voel elke dag meer stress om die niet ingevulde belastingbrief en kom zelfs niet aan het oppompen van mijn fietsbanden toe. Haaltertse oma’s turen wanhopig uit het raam en baby’s van vrienden worden kleuters zonder dat ik daar ook maar iets van merk. Meer dan ooit beslaat mijn werk en alle bijhorende pret mijn bestaan, maar voor even is dat niet zo erg.
Maar ook psychisch vertoeft een mens in zo’n periode even ergens anders. Collega’s kondigen hun vertrek of pensioen aan en soms is dat wat te betreuren. Nieuwe collega’s worden voorgesteld. Het leven is weer een beetje een soapserie: personages komen en gaan. En dan zijn er de leerlingen: twee jaar zie je ze groeien, letterlijk en figuurlijk, en dan laat je ze gaan, met een spijt dat zij grotendeels uit je leven verdwijnen maar vooral met een verpletterende besef dat moeilijk te beschrijven valt: zij beginnen aan een nieuwe fase van hun leven en deze tijd zal ooit heel erg ver achter hen liggen, terwijl ik gewoon doorga met hetzelfde en dit moment nooit zo ver achter mij zal liggen als voor hen. Je wordt in de bloemetjes gezet, maar vervaagt intussen tot een herinnering.
Maar je krijgt lieve briefjes en mooie, hartelijke mailtjes en oprechte geschenken, de appreciatie bereikt een summum en soms is het eigenlijk allemaal wat veel en op korte tijd. Ik vrees daardoor bij momenten zelfs de waarde van veel van die gebaren niet hoog genoeg in te schatten. Zo bood mijn klasje me een kunstwerkje aan dat me wat uit het lood sloeg waardoor ik wat onwennig reageerde. Pas de volgende dag werd het voor mij een concreet voorwerp dat ik met het groepje van 9 kan associëren en dus kan beginnen koesteren.
Maar die knop omdraaien lukt wel hoor. Ik snak eerst en vooral naar film. Ik kan nog enkele dagen meepikken van het Brusselse Filmfestival, beleef zaterdag zowat een eigen filmfestival dankzij dit evenement en ga een filmcollege volgen om mijn klassiekers op peil te brengen. Fictie als tegengewicht voor al die realiteit van de voorbije weken. En o ja, ik plan ook een Haaltertse tournee om wat volk terug te zien dat ik tegenwoordig alleen nog op Facebook hoor of zie – hou die voordeur in de gaten. Back to earth.
Ik lees op Melancholia dat een Britse psycholoog met een zelfontwikkelde formule heeft bepaald dat vrijdag 19 juni de dag is waarop men het gelukkigst of vrolijkst is. De schommelingen in mijn humeur zijn eigenlijk al beperkt of kortstondig en ik verkeer dus in een haast continuë staat van wat men minstens tevredenheid kan noemen, maar om de theorie van Dr. Arnall toch eens te controleren, hou ik even de loep boven mijn 19e juni:
Zonder een specifieke gebeurtenis van die dag al nader te bekijken, kan ik al enkele algemene elementen vatten die mijn humeur ten goede komen. Een dag eerder eindigde de toetsenperiode van mijn leerlingen, de verbeteringen en rapporten vorderen gestaag, de druk is dus wat van de ketel. Bovendien nadert de vakantie en is het mooi weer. De basis zit dus snor. Geluk zit hem wel in meer dan het werk alleen, maar mijn werk maakt mij alleszins al heel gelukkig.
Ontwaken met een goede herinnering aan de dag ervoor, is ook al positief. Donderdag was er de première van de nieuwe Vlaamse film Meisjes en dat was een meer dan geslaagde film. De acteerprestaties van Marilou Mermans en Jan Van Looveren zijn enigszins memorabel en de tragiek van de film heeft indruk gemaakt. Minpunt van dat opstaan is dat het vandaag een stuk vroeger is dan anders. Op vrijdag heb ik toezicht duty en omdat alle Gentse crèches en opvangmoeders vandaag staken, moet ik veel eerder dan gewoonlijk op school zijn om ook de halfachtse kleutertjes al opvang te bieden. Toch heeft dat weinig invloed op mijn humeur, want er staan veel leuke dingen op het programma vandaag.
Het is mooi weer en ik jaag het opvanggebroed dus naar buiten. Een rustgevende start van de dag dus, want er is niet veel volk. De eerste twee lesuren verlopen daarna wat wanordelijk omdat de leerlingen niet echt meer een taak hebben, maar we hebben het naar onze zin. De eeuwig creatieve Robbe, nog minder dan twee weken één van mijn leerlingen, zorgt voor een klein hoogtepunt: hij heeft voor zijn klasgenoten sleutelhangers gemaakt en ook voor mij is er een bijzonder cadeautje. Twee afstuderende pinguins, de ene wat groter dan de andere. ‘Dat zijn jij en ik’, zegt Robbe, ‘een herinnering voor jou’.
Kwart over negen en nu al ontroerd.
Om half elf is er een dip: het zwembad laat ons weten dat ook de redders staken en mijn klas dus niet kan zwemmen. Dat is vooral teleurstellend omdat ik voor deze laatste zwemles overtuigd werd om zelf mee te gaan zwemmen. Het zit er niet in, een iets minder sensationele turnles komt in de plaats, waardoor ik nog een drie kwartier klasvrij ben. Tja, ook positief eigenlijk.
Tijdens de middagpauze smaken mijn boterhammen mij weer wonderbaarlijk goed. Ik lijk vaak aan mijn middageten te beginnen alsof ik in geen weken brood heb gegeten. Daarna volgen twee minder vrolijke situaties: ik verlies een spelletje waartoe collega Lynn mij wist te verleiden (hoewel ik tot de laatste ronde op kop stond!) en de toezichters zijn niet te spreken over het gedrag van enkele van mijn leerlingen. Ik moet daar dan over zagen en dat doe ik niet graag.
In de namiddag stellen twee leerlingen een project voor en dat loopt gesmeerd. Héhé, wat zijn we weer geslaagd in onze job. In de nabespreking over rechtbanken en rechtszaken, leg ik uit dat men bij een aanklacht zowel gunstige als ongunstige getuigen kan oproepen en dat die dus mee het oordeel van de jury bepalen. ‘Als jij dus zou terechtstaan voor een moord,’ stel ik de niet altijd goedgezinde Diede voor, ‘kan ik komen getuigen voor jou.’ Er komt snel een reactie: ‘Als ik zou een moord gepleegd hebben, zou jij niet meer kunnen getuigen hoor’. Alertheid bij 12-jarigen en wat zien ze hun meester graag. Maar verder maakt deze opmerking mij eigenlijk niet vrolijker of droeviger en speelt ze dus geen rol bij het opnemen van de geluksstand. Enkel ter verhoging van de anekdotiek dus.
Dan volgt een min of meer grote schoonmaak van de klas. Voor wie zich zuchtend afvraagt of wij nu echt nog anderhalve week gaan niksen, absoluut niet, we gaan zelfs nog werken. Maar het verhindert ons niet wat orde op zaken te stellen in papierwerk en kasten, en dat creëert eigenlijk ook veel rust in mijn hoofd. Gezien er nog een hectische week volgt, is dat dus ook zeer positief. Ik merk trouwens op dat het zonnebloemzaadje dat Mo me amper anderhalve week eerder liet planten in de klas, schijnbaar vanuit het niets al een echt plantje is. Dat is op zich al even doodnormaal als wonderbaarlijk, weer is er zo’n aangename scheut van blijdschap dat mijn leerlingen zo vaak met de juiste dingen bezig zijn. Jaja, schoolmeesterachtige praat enzo maar u hebt dan ook geen prachtjob als de mijne.
Een vrijdagse schooldag wordt traditioneel afgesloten met een afterschooldrink. Zelfs al doen we dat haast iedere week, het zijn vaak momenten om te koesteren. Perfect dus voor de gelukkigste dag van het jaar, alleen moet ik deze week eens overslaan. De ouders van mijn klas hebben een picknick georganiseerd en dat voelt toch een beetje als werken aan. Maar wat blijkt dat, zoals trouwens altijd, weer formidabel mee te vallen. Er is zon en wijn, gezellig gekeuvel en ik word ook nog eens in de bloemetjes gezet met een geschenkje van de ouders. Tja, dit is toch een prima dagje alweer.
En hij is nog niet afgelopen. Na de picknick haast ik me naar een etentje met een tiental Freinetmensen. Leerkrachten dus ook, maar vooral ook mensen die ik eigenlijk allemaal nog niet echt goed ken want we zien elkaar vooral op vergaderingen. Dat er over het onderwijs gepraat wordt, vinden we niet erg. Maar er wordt ook veel gelachen en ik durf het zelfs aan vegetarisch te eten! Dat het bruine goedje dat tussen mijn groenten zit, achteraf peperkoek blijkt te zijn en ik die combinatie niet eens onsmakelijk vond, vind ik een kleine stap voorwaarts voor een moeilijke eter als ik.
Deze avond, die behoorlijk lang duurt, bevalt me ook omdat ik twee vaststellingen doe tussen het kletsen door: dit zijn allemaal erg fijne mensen en ik blijf mezelf toch applaus geven om steeds verdraagzamer en positiever te worden tegenover anderen en vooral mensen die ik niet ken en dan zeker mensen die ik ooit onuitstaanbaar vond. Daarnaast moet ik in alle onbescheidenheid ook vaststellen dat ik sociaal sterk sta. Ik luister geïnteresseerd en praat verstandig mee, ik discussieer en overtuig. Bijna een echte grote mens! Deze vaststelling klinkt misschien wat vreemd of onbevattelijk, maar ik houd me voor dat mensen het eigenlijk af en toe nodig hebben buiten hun kring van intimi te stappen en met behulp van neutrale buitenstaanders eens te peilen naar welke indruk je maakt. Niet dat ik mijn tafelgenoten na afloop een enqûete voorschotel, maar in se zijn we volgens mij allemaal onzeker of angstig en je moet het soms gewoon aandurven jezelf even te scannen wat het functioneren in minder vertrouwde situaties. Achteraf voel je je verrijkt en heb je eigenlijk ook wat kleine grenzen verlegd – tot zover de slotzin van mijn zelfhulpboek. Nee, maar zonder te willen overschatten hoor, maar is het niet normaal dat de avond doorbrengen met minder vertrouwde mensen, met een zekere onbehaaglijkheid gepaard gaat?
Dan is het middernacht en 19 juni is voorbij. De balans is zeer positief en het vooruitzicht van een goedgevulde en alweer zeer sociale zaterdag, gooit nog meer gewicht in de schaal. Toch ik Dr. Arnall’s theorie niet meteen als dogma aannemen. Dit was nu ook weer niet zo een heel andere dag dan de meeste. Wat drukker en met enkele mooie momenten die niet iedere dag voorkomen, maar in zijn geheel genomen toch een dag die even vlot en aangenaam verloopt als de meeste andere dagen. Laat dus ook die 20e juni maar komen, en al die andere, ik raas er door met een brede grijns.
De voorbije weken stond mijn hoofd niet zo naar het bloggen. Ook niet naar het lezen ervan (ik bezoek mijn favoriete blogs één dezer beslist nog een keer). Ik had het druk en ook weer niet. Een samenvatting van mijn bezigheden de voorbije 20 dagen:
*een K.U.T-quiz georganiseerd. Samen met de rest van de redactie van het onvolprezen on line filmmagazine Kutsite.com hebben we maandenlang gebrainstormd en gezocht naar geschikte vragen en fragmenten. Om nog maar te zwijgen over de jacht op sponsors. De week voor de uiteindelijke quiz plaats zou vinden, was behoorlijk slopend. Lang niet zo’n stress gehad zelfs. Maar de voldoening was wel immens, want het evenement verliep vlekkeloos en de samenwerking was schitterend.
*Naar de film geweest. Angels & Demons was vermakelijke onzin, Star Trek grandioos en mateloos entertainend (en ik had nog nooit zelfs maar een aflevering ervan gezien, maar deze film is top!), Synecdoche New York evolueerde van chaotisch irritant tot meesterlijk fascinerend.
*Gelezen. Ook de Wij van Elvis Peeters werd verslonden, maar een verslagje zit er niet in, want hoewel meeslepend, verontrustend en knap geschreven, was dit ook afstandelijk en betekenisloos. Dat was wellicht ten dele de bedoeling, maar ik werd er niet warm of koud van. Vooral het feit dat de personages schimmen waren, enkel gedefinieerd door inwisselbare namen, zorgde dat het boek nooit echt beklijfde. Het aangeprezen De Literaire Kring van Marjolein Februari wist me zelfs helemaal niet te bekoren. Zzzzz.
*Gewerkt. Hoewel er wel wat vakantiedagen in de afgelopen periode zaten, zijn de laatste maanden van het schooljaar als vanouds hectisch. Toetsen, herhalingen, rappporten, projecten, overleg, teamvergadering, deelteamvergadering, bijeenkomsten, nieuwsbrieven, klaskrant, bestellingen, reserveringen, agenda’s, … Geen probleem, het blijft allemaal boeiend. En op de sportdag niét in het water gevallen deze keer, maar toch doornat want er was regen. Veel.
*Nostalgisch geworden. Negen van mijn leerlingen, die ik na twee jaar toch zo goed ken, zullen in september op de middelbare school zitten en dat sluimert al een beetje door mijn hoofd. Normaal uiteraard, en we zijn er eigenlijk ook allemaal aan toe dat ze vertrekken, maar het zijn geen afgedankte meubels die je naar het kringloopcentrum brengt natuurlijk. En dan zijn er de collega’s. De vrijdagse après-schools blijven kleine hoogtepuntjes van samenhorigheid en gezelligheid, de barbecue een …tja,… liefdevol gebeuren zonder dat het klef wordt of we ons in de illusie wentelen dat het voor altijd zo zal zijn. Want collega’s gaan op pensioen of kondigen met een klein stemmetje of een traantje in de ooghoek aan dat ze ondanks de harmonie volgend jaar toch andere horizonten gaan verkennen. Ik werk precies deze week drie jaar op die bijzondere school en intussen ben ik er aan gewend dat het onderwijs tegen alle clichés in een wereld blijft die continu in beweging is, maar al die fijne mensen die vertrekken, het laat je niet koud.
*Renzo vergezeld in het 30 worden, Lode gesteund in de aanzet van een muzikale carrière, Michèle nog eens op de agenda gezet voor een filmpje, Steven verrast door 3 van de 4 stoelen te herkennen in wat hij als een moeilijke quizvraag bestempelde, net als Marianne Briek Schotte als Permeke bestempeld. Wat niet klopte.
*En verder: een communievierings-boekje geïllustreerd, Valerie gelukgewenst met haar zwangerschap, de klaskasboekhouding gedaan, de Haaltertse bibliotheek geëerd als vrijwel de enige plek in dat dorp waar ik nog graag kom, me ingeschreven voor het Freinetcongres in Straatsburg, de stemtest gedaan en vastgesteld hoe ik die kon manipuleren tot ik het resultaat had dat me het meest beviel,
*Nog dringend te doen: Stafke en Berend nog eens bezoeken, Henk en Annelies feliciteren, een nieuwe gsm kopen, mijn belastingsbrief invullen, mijn (uitgeleende) dvd’s nog eens inventariseren, foto’s laten afdrukken en… wat meer bloggen.
Klasbeeld…

Zo eens om de paar jaar – en in mijn geval betekent dat toch al één keer in mijn bijna zeven jaar durende onderwijsloopbaan – kom je een kind tegen dat je met verstomming slaat. En niet in positieve zin, helaas. Een leerkracht is ook maar een mens en hoewel empathie echt wel het allerbelangrijkste sleutelwoord is, was er een moment aan het begin van mijn bestaan als leerkracht dat ik een kind echt niet kon vatten. En ook liever niet wou vatten.
Ik begon op deze eenvoudige school, met ongecompliceerde mensen en toestanden. Joris (fictieve naam) viel eerst en vooral op door zijn fysiek. Hij was een jaar ouder dan andere zesdeklassers en ook een stuk groter. Hij was ook niet bepaald slank. Stel u daar absoluut geen stoere, puberende rebel bij voor met humeurwisselingen. Joris was een mak lammetje, door oma in veel te brave, ouderwetse kleren gewurmd. Een bril erbij die hem het uiterlijk van een vijftigjarige gaf. Mensen van buiten de school die om wat voor reden dan ook de klas bezochten, schrokken steeds van Joris’ aanwezigheid. ‘Zit hij op leeftijd?’ klonk het dan steevast. Maar ze bedoelden: wie is dat bejaarde mannetje daar? Joris’ reusachtigheid veroordeelde hem ook tot een levenslang achteraan zitten, want hij blokkeerde steevast iemand’s zicht. Hij werd niet gepest, hij was eerder een curiositeit voor wie hem niet kende. Voor de anderen was hij doorgaans lucht.
Nu was noch Joris lichaamsbouw, noch zijn wat gedateerde voorkomen een echt probleem. De jongen had immers nog wat andere onoverkomelijkheden. Zijn schoolprestaties waren op zijn minst erbarmelijk te noemen. Soit, dat gebeurt nu eenmaal en de theorie van de meervoudige intelligentie was me geheel onbekend. Zorgen voor het welbevinden en stimuleren om zijn best te doen, dat was wat ik deed.
Joris leek daar allemaal positief tegenover te staan. Iedere dag weer leek hij zich voor te nemen ongelooflijk zijn best te willen doen. Vriendelijk was hij, hulpvaardig, schijnbaar zeer actief deelnemend aan de lessen en de meest enthousiaste voornemens makend. Schijnbaar is daarbij een belangrijk woord. Want na een paar weken stelde ik vast dat Joris eigenlijk helemaal niets deed. Hij leek enkel te bestaan uit loze beloften, zelfbedrog en een onwaarschijnlijk onvermogen tot inzicht in zijn eigen kunnen. Huiswerk maakte hij niet of nauwelijks, alles werd vergeten en raakte verloren. Zo vroeg Joris na elke, steevast miserabele toets: ‘En, meester, had ik een goede toets?’. Het leek nooit tot Joris door te dringen dat je daarvoor ook je boek moest open doen en dat zijn prestaties dus eigenlijk ondermaats waren. Een masker, een trauma, zwakzinnig?
Ik kan aannemen dat u dit allemaal een beetje zielig vind. Dat was het ook, hoor. Het wordt zelfs nog tragischer. Maar iedere dag werd ik geconfronteerd met wat ik op den duur als echte onzin ging beschouwen. Verklaringen en voornemens die allemaal nergens op sloegen. Raszuivere leugens ook, waarvan je je afvroeg of Joris die nu zelf ook geloofde. Wat er ook van zij, ik begon Joris jammer genoeg als een last te beschouwen, o onwetende beginner als ik was. Ik trachtte hem vaak te ontwijken – op de speelplaats kwam Joris graag wat tegen de meester kletsen – en toonde steeds minder interesse in zijn verhalen en vele anekdotes die allemaal nergens op sloegen. Bij momenten negeerde ik Joris zelfs, zo zenuwslopend kon zijn aanwezigheid zijn.
Een relaas dat regelmatig terugkwam was de beschrijving van een iets waar hij zich in het weekend mee bezig hield: de verbouwing van het huis van de oma van zijn vriend. Met weinig precisie beschreef Joris dan de installatie van een badkamer of het isoleren van een dak. Waar we een lichtpuntje begonnen te vermoeden – de jongen moest iéts met zijn toekomst doen – bleek echter niets vatbaar te zitten. De verhalen werden immers absurder en je kon op den duur met zekerheid zeggen dat er niets van waar was. Toen gebeurde in Enschede in Nederland die befaamde vuurwerkramp (dit was in 2000). Joris kwam ’s anderendaags half lachend (hij vergat teleurstelling uit te beelden) melden dat dit toch wel zonde was van al dat werk in dat huis van die oma, want ze woonde toch wel in Enschede zeker, en nu was haar huis ontploft. Ik trachtte me heel serieus te houden.
Collega’s en directie bekeken Joris met een combinatie van katholieke meelevendheid en routineuze afschuw. Joris liep al jaren en jaren rond op school en iedereen zag intussen de hopeloosheid van deze jongen in. Een diagnose leek er nooit gesteld te zijn, iets wat me nu (in mijn school) onvoorstelbaar lijkt. De ouders zag ik nooit. Geen oudercontacten, geen boodschappen. Ik vernam wel dat Joris’ moeder niet meer aanwezig was in het gezin, ze had hen verlaten. Er waren de vader, enkele oudere broers en zussen en een oma. Ik maakte me wijs dat er dan gelukkig toch heel wat mensen waren die voor Joris konden zorgen, zelfs al toonden ze geen enkele interesse in zijn schoolprestaties. Tot Joris zijn plechtige communie deed. Er was een herinneringsprentje voor de leerkracht dat me meteen aan een rouwkaartje deed denken. Het trots overhandigde, oubollige ding en de foto’s van het feest die ik te zien kreeg, sloegen me enigszins met verstomming. Ik zag een handvol familieleden plichtmatig aan tafel zitten rond een taart, mensen bij wie de tijd stil stond en in wiens doffe blikken geen sprankel leven zat. Hoe kon ik denken dat in die omgeving van enige ‘zorg’ sprake was? Een afgestompte familie waar knelpunten onbespreekbaar waren.
Ik heb op veel momenten geklaagd over en gelachen om de , tja… idiotie die Joris vaak etaleerde. Zonder de onderliggende tragiek te negeren hoor, ik had het met hem te doen, maar ik was alle objectiviteit al lang kwijt na maandenlang geconfronteerd te zijn met de beschadigingen die dit kind ergens in zijn leven had opgelopen. Ik was ook nog erg jong en had lang niet het inzicht in wat het betekent een opvoeder te zijn. Toch knaagt het niet nu, daar moet ik eerlijk in zijn. Ik was wie ik toen was en anderen, misschien wel in de eerste plaats de vader van Joris, hadden betrokkenheid moeten tonen en initiatief nemen. De context is anderzijds nooit helder geweest en dus is een correct oordeel vormen over de hele situatie al even moeilijk, zowel door mezelf als door u, de lezer van dit stukje.
Joris is intussen 21. Hij behaalde geen diploma van het lager onderwijs en zal dus naar het beroepsonderwijs gegaan zijn. Ik stel me daar zeker geen dramatisch bestaan bij voor: intelligentie en geluk of maatschappelijke aanvaarding staan los van elkaar. En er zal toch wel een zeker inzicht gekomen zijn naar inzet en zelfkritiek? Maar dat maakt niet weg dat Joris er een jeugd als een soort schertsfiguur heeft opzitten. Ik kijk daar, zoals al blijkt, eerder neutraal op terug, maar niettemin heeft Joris een prominente plaats in mijn geheugen gekregen.
Lees ook de andere herinneringen
Er ging geen definiërend moment aan vooraf, maar ik heb zo het gevoel dat mijn blogpauze over is - het was sowieso al een enigszins halfslachtige pauze.
Ik had het gewoon wat druk, de laatste weken. Niet erg, enerzijds. Achter bloggen kan bij momenten een zekere druk zitten. Jammer anderzijds, want ik had eigenlijk best wel wat willen schrijven.
Over het drama in Dendermonde misschien? Ik waag me niet aan zuiver beklag. Ik ga geen slachtoffers bewenen. Ik denk ook niet te kunnen oordelen over de dader, zijn familie, zijn motieven. Ik spreek me niet uit over wraak of straf. Maar ik kreeg wel héél snel genoeg van de manier waarop de media het nieuws behandelden. Heel wat kranten en alle tv-journaals putten zich uit in het uitmelken van de dramatiek. Vergezochte getuigen en het onkies focussen op emoties. Ouders die hun kind verloren aangeslagen op de voorpagina, op grote foto’s. (“Zij verloren hun kind”). Een soort van ’show’ op VTM met getuigen en specialisten, omringd door publiek. Povere pogingen tot de opbouw van een ernstig imago inzake berichtgeving. Voor Het Laatste Nieuws geldt zelfs die zielige ambitie niet eens meer. Maar genoeg daarover.
Over de onwaarschijnlijke bezoekcijfers van mijn blog dan?. Dankzij die blonde uit Van Vlees en Bloed, die men zo graag zonder kleren wil zien. Dan blogt een mens net wat minder, krijg je recordaantallen hits.
Over televisie natuurlijk. De kracht van Van Vlees en Bloed. De schoonheid van De Smaak van De Keyser. De lulkoek waarmee het nochthans nog steeds entertainende programma De Slimste Mens ter Wereld gevuld werd. De vragenmakers gaan het steeds meer zoeken bij het platvloerse en sensationele. De finale die ging tussen een politicus met te weinig ernst en een nieuwslezer met te veel ernst. De clownerieën van Torfs vormen verder een nieuw dieptepunt. Afvoeren die man. Intussen viert VTM zijn 20-jarige bestaan. 20 jaar kul. Man Bijt Hond voerde enkele VTM-fans op die niet beter getypeerd konden worden. Jan Verheyen liet zich desondanks overal grote uitspraken ontvallen; het vallen van het ijzeren gordijn had er niets bij.
Over mijn collega’s misschien, een groep heerlijke mensen met in de kern zelfs heel wat dierbaren. Over het feestboek, daar op de Freixenetschool. Over de aard van de conversaties in de leraarskamer.
Over al die baby’s die ik bezoek. Maria-Dolores. Berend. Staf. Allemaal schoon en braaf, hun ouders gloeien van geluk.
Over mijn leerlingen ook. Die stellen het wel, uiteraard. Een Australisch meisje vervoegde ons. Taalbarrières verbrokkelen onder Kinderengels. Joe aur naais en wat is jaur neem. Het sociale proces is boeiend om te zien. Eerst leggen enkele initiatiefnemers beslag op de nieuweling. Daarna wagen de schuchteren hun kans, met meer succes. En dan is er romantiek en liefdesverdriet. Ouders moeten me dat vertellen, een meester merkt daar allemaal niets van, ze lijden in stilte. Die houdt van die maar die is op die. Die weet van niets maar het wordt hem wel kwalijk genomen. Tragisch, vanuit hun perspectief.
Over Boris die zich in Liechtenstein helemaal geeft. Geen slaap, geen ontspanning. Er is enkel de weg naar school en terug. Hoe hou je dat vol? Maar zijn ‘rapport’ slaat ons wel met verstomming. Ooit gaat dat fortuin en faam opleveren, Boris!
Over goeie films (Revolutionary Road, Frost/Nixon), leuke films (Dirty Mind), aanvaardbare maar ietwat teleurstellende films (Valkyrie) en oersaaie films die je ijskoud onverschillig laten (The Curious Case of Benjamin Button).
Maar goed, over al die zaken heb ik dus niet geblogd. We zien wel wat zich nog aandient ter inspiratie.
Tijd voor een iets minder droevig relaas uit mijn onderwijsverleden.
Mijn eerste jaar als leerkracht bracht ik door op een brave katholieke dorpsschool waar de leerlingen zich neerlegden bij klassieke leertechnieken en de ouders vooral punten belangrijk vonden. In die omstandigheden ontwikkel je als leerkracht niet meer dan wat primaire vaardigheden, maar dat was toen precies wat ik nodig had. Dat de ouders soms nogal nauwdenkend of defensief waren, was wat lastiger.
Eén van mijn leerlingen was Tamara (fictieve naam), een niet echt verfijnd meisje dat ik op 11-jarige leeftijd al wat te moederlijk vond om goed te zijn, al was het dan een moeder van het bazige soort. Tamara liet zich vooral opvallen in praatmomenten. Dan nestelde ze zich in dorpspraat, dooddoeners, roddels en beschamende huiselijke taferelen, waarbij diverse keren de burenruzies ter sprake kwamen. Ook het feit dat haar vader bij vele feestelijke gelegenheden te diep in het klas keek en dat hij in dronken staat wel eens zijn broek afstak, bleef niet onvermeld. Voor meer essentiële bijdrages hoefden we niet op Tamara te rekenen.
Ik vond haar daarom niet minder aardig. Het was niet meteen een makkelijk kind, dat een zekere onverdraagzaamheid van thuis leek mee gekregen te hebben, maar ze werkte wel goed mee en deed geen vlieg kwaad.
Haar ouders kreeg ik niet meteen te zien, maar op een dag kwam Tamara zwaaiend met haar rapport de klas binnen. Haar procent klopte niet, dat had haar moeder nagerekend. Thuis was dat (niet echt fantastische, maar ook niet slechte) rapport goed bestudeerd en er werd een verklaring gevraagd voor het foutieve procent. Ik schreef een vriendelijk briefje naar de ouders, van wie ik me intussen een beeld had gevormd (mensen met wie je beter geen ruzie had), en legde hen uit dat het digitale rapport meer gewicht toediende aan belangrijkere vakken, waardoor een 10 op muzische vorming minder waard was dan een 10 op taal. Een reactie kwam er niet, maar toen ik Tamara enkele dagen later vroeg wat haar mama van de uitleg vond, liet het kind doorschemeren dat haar ouders wat verongelijkt waren. Hadden zij gehoopt dat die beginnende leerkracht op fouten kon gewezen worden? Jammer voor hen.
Op het eerste oudercontact kwamen de ouders van Tamara niet opdagen. Haar resultaten waren best oké, al waren haar inspanningen zeer beperkt. Je zou kunnen zeggen dat Tamara wat oppervlakkig was en niet per se iets wilde bewijzen. Hoopten haar ouders wellicht dat ze een jaar later de humaniora zou kunnen aanvatten, zag ik haar heel goed gedijen in een technische richting. Zonder die mensen ooit een keer te spreken, kwamen hun (hoge) verwachtingen over de toekomst van hun (enige) dochter tot uiting doorheen de schaarse communicatie en de uitspraken van Tamara (‘Mijn moeder zegt dat ge te weinig huiswerk geeft!’, ‘Ik moet van mijn moeder ook de oefeningen maken die ik van u niet moet maken!’ ‘Mijn vader zegt dat 6 op 10 te weinig is!’). Was mijn gevoel correct dat de prestaties van de dochter rechtstreeks gelinkt werden aan mijn lesgeven? Ik kreeg de indruk dat de meester wel eens ter sprake kwam in huize Tamara.
Halverwege het schooljaar deden we een project rond wereldgodsdiensten. We zouden daarbij eens expirementeren met henna, waarmee we onze handen zouden beschilderen. Ik gaf de ouders vooraf wat informatie mee en vroeg hen eigenlijk ook om toestemming. Ik verklaarde dat het om een natuurlijk product ging en dat de schilderingen hoogstens een week of zo zichtbaar zouden zijn. Alle ouders verklaarden zich akkoord, behalve die van Tamara. ‘Mijn moeder zegt: ‘wat is dat voor ne meester, die u leert tatoeages zetten?!’. Tamara imiteerde daarbij de toon van haar moeder, maar het was me niet duidelijk of ze dat bewust deed en al helemaal niet of ze het met haar moeder eens was.
Ik zou zo’n uitspraak kunnen koppelen aan een zekere nauwe geest en angst voor het nieuwe en onbekende. Dat zou dan hun probleem zijn. Maar Tamara voegde er ook aan toe; ‘en mijn moeder heeft ook gezegd dat ne meester met zijn poten van de kinderen moet blijven’. Ik vond de moeder van Tamara sindsdien een akelige zuurpruim en stelde me haar voor als een mojjer van het ergste soort. Bovendien was ik niet helemaal gerust in haar uitspraak. De moeder van Tamara was bediende in een supermarkt (‘geen kassajuffrouw, ze moet klanten helpen!’) en ik stelde me haar klantonvriendelijk voor, zuurkijkend achter haar balie en tegen haar collega’s tirades afstekend over die leerkracht waarbij haar dochter niets leerde. In een klein dorp is zoiets al snel groot nieuws, en ik zag me al het middelpunt van verontwaardigde conversaties worden, maar ik heb er verder gelukkig nooit meer iets van gehoord.
Maanden gingen voorbij en de prepuberteit, gekenmerkt door aandacht voor het hoogst onnozele en afkeuring voor alles wat enigszins gewoon is, kreeg Tamara in haar greep. Haar schoolwerk beschouwde ze als een noodzakelijk kwaad en ze was tevreden met het minimale.
Het schooljaar werd afgesloten met een oudercontact waarbij ook twee mensen van het CLB aanwezig waren. De resultaten en vooral de toekomstmogelijkheden van elk kind werden professioneel besproken. De twee medewerkers waren jonge en sympathieke mensen en we hadden ons samen al door een tiental gesprekken geworsteld toen de ouders van Tamara aan de beurt kwamen. Voor het eerst dit schooljaar zou ik ze dus ontmoeten. Beiden kwamen binnen met het gezicht op onweer. Een goeiedag kon er nauwelijks af. Ik stak van wal met het bekijken van de resultaten, die zeer wisselend waren. Meneer Broekaf en Mevrouw Mojjer aanhoorden me zonder een krimp te geven. De communicatie bleef in één richting plaatsvinden en ik ratelde maar door, gesteund door de twee CLB’ers die op de hoogte waren van de wat scheefgetrokken relatie met mensen die ik nooit ontmoet had. Op een bepaald moment wik en weeg ik mijn woorden om duidelijk te maken dat Tamara niet echt actief is. Dan braakt de moeder haar woorden bars, haatdragend en luid uit: ‘Ge wilt dus zeggen dat mijn dochter lui is?!’. Wellicht kromp ik toen wat ineen, maar ingebonden heb ik zeker niet. Dat waren haar bewoordingen, maar de essentie was dezelfde. De vader bleef al die tijd even nors toekijken. Moeder de vrouw toonde zich na haar mini-uitbarsting weer even ontoegankelijk als voorheen. Mechanisch aanhoorden ze onze verdere uitleg en het advies van het CLB. Zonder verder nog één woord te zeggen, verlieten ze de ruimte.
Toen de deur dichtsloeg, beseften we hoe gespannen we erbij zaten. De agressie en onuitgesproken verwijten die in de lucht hingen, waren drukkend. Wapens waren net niet getrokken, maar als blikken konden doden, lagen we nu wel alledrie te creperen. We begonnen de spanning van ons af te lachen en langzaam aan beseften we hoe pijnlijk hilarisch dit oudergesprek eigenlijk geweest was. Toen de volgende moeder binnenkwam – gelukkig een zéér tof mens – moesten we even tot onszelf komen.
Tamara is nu 20. Ik heb haar nooit meer teruggezien en vraag me wel eens af of ze haar moeder geworden is. Een veredelde klapij met een ongezonde sensatiezucht en een Familie-verslaving, lomp en grof, bevooroordeeld en defensief op een verkeerde wijze, zo in te lijven bij de foute politieke partij. Aan de kassa van de supermarkt, misschien? Of heeft ze toch nog het licht gezien en schudt ze wel eens bedroefd het hoofd om zulke kleine ouders?
(lees hier een andere herinnering aan een leerling)
Zes jaar geleden stapte ik als weinig ervaren leerkracht een eerste leerjaar binnen om er de juf te vervangen voor een viertal maanden. Ik had het getroffen: de klas telde 17 zeer aardige kinderen. Lief, rustig, leergierig, empathisch, vriendelijk, creatief, … Ik noem ze nog steeds Het Tofste Klasje Ooit.
Allemaal zijn ze me bijgebleven, maar het verhaal van één kind heeft toen een sterke indruk op me gemaakt en omdat de afloop steeds een raadsel is gebleven, denk ik er nog wel eens aan terug. Hoe zou het zijn met Saliha?
Saliha was een Marokkaans meisje dat nog maar enkele maanden in de klas zat. Iedereen was lief voor haar, maar de communicatie bleef beperkt. Saliha sprak bijzonder weinig Nederlands. Ijverig was ze wel, alert ook. Daardoor draaide ze vrij makkelijk mee met de groep. Ze bleek intelligent en geïnteresseerd te zijn en leek zich zeer goed te voelen in de klas. De zorgjuf en ik besteedden af en toe wat extra aandacht aan haar. Over haar thuissituatie wisten we weinig: Saliha’s (arme) ouders waren nog in Marokko en zij woonde bij een oma en een tante in huis. Die kwamen nooit naar school. Saliha ging alleen naar huis, met de bus (en een oudere neef), want ze woonde een heel eind van de school af.
Saliha oefende mee voor het schoolfeest, hoewel we wisten dat ze er die dag helemaal niet bij zou zijn. Met veel enthousiasme en een brede lach danste ze mee de apendans. Toen de laatste afspraken gemaakt werden, bleek ze te beseffen dat helemaal niet zou meedoen aan het schoolfeest. Opnieuw kwam ze aan de zijlijn te staan. Tot ieders verbazing daagde de tante toch op op het schoolfeest en Saliha nam doodgelukkig deel aan de klasdans.
Als leerkrachten hadden wij er deugd van dit kind zo gelukkig te zien. We bedachten dat ze wellicht zo graag naar school kwam omdat het een veilige en zorgzame omgeving was en dus deden we nog meer ons best. Vier maand later was het schooljaar afgelopen en ging Saliha naar het tweede leerjaar. Haar nieuwe leerkracht was wat strikter en strenger dan ik, maar sloot het meisje ook snel in haar hart. Ze was ook erg opgetogen over haar vooruitgang en inzet. De thuissituatie bleef ons een raadsel. Op het oudercontact kwam niemand opdagen. In zulke gevallen kan een huisbezoek wel, maar aangezien er geen problemen waren, werd daar geen initiatief voor genomen. We zagen dat wel goed komen met Saliha. Haar Nederlands verbeterde snel, hoewel Saliha wel wat verlegen was. Maar dit werd er eentje voor de humanoria, daar waren we zeker van.
Het volgende schooljaar veranderde ik van klas. Ik kreeg het derde leerjaar en dus kwamen diezelfde kinderen weer bij mij in de klas. Schitterend vond ik dat. De eerste schooldag was Saliha echter afwezig. De familie werd gecontacteerd. Ik hoopte natuurlijk dat ze niet zomaar van school veranderd was. We vernamen echter niets en de hele eerste schoolweek bleef Saliha’s stoel leeg. De rest van de klas begon zich vragen te stellen. De neef, die intussen op de middelbare school zat, werd gecontacteerd. Hij vertelde dat Saliha nog in Marokko zat en ze binnen enkele dagen op school zou zijn.
Dat gebeurde ook. Saliha kwam wat later toe op school en de directeur ving haar op. ‘Je mag terug bij Meester Sven’ sprak hij glunderend, omdat hij haar wat op het gemak wou stellen. Maar Saliha lachtte niet en liet zich onwillig meetronen naar de klas. De verklaring was simpel: voor Saliha was meester Sven de leerkracht van het eerste leerjaar. Het leek dus of ze gestraft werd omdat ze te laat op school was en terug naar de eerste klas gestuurd werd. Ze wist dan ook niet wat haar overkwam toen de deur openging en haar klasgenootjes haar rond de hals vielen en het kostte haar even tijd de situatie in te schatten. Pas toen brak een glimlach door: ze was waar ze wilde zijn. En wij wilden dat ook.
Het schooljaar verliep prima. Saliha durfde wat meer spreken en leek zich sterk te hechten aan mij en mijn collega Katrien. We deden er alles aan haar te tonen dat ze ons kon vertrouwen. Toen gingen we op bosklas. Voor een kind dat nooit uitjes maakt of op vakantie gaat, is zo’n bosklas een droom. Het was een heerlijke, zotte week en opnieuw zagen we Saliha genieten van elke minuut. Jammer dat er bij thuiskomst niemand op haar stond te wachten. Saliha bleef nog een uurtje in de opvang, we probeerden te telefoneren, maar zonder resultaat. Saliha drong er op aan alleen naar huis te mogen. Ik gaf zuchtend toe en ging mee tot aan de bushalte, om Saliha’s bagage te dragen. Toen de deur van de bus openging, twijfelde ik. Ze was 9, kon ik haar alleen met een koffer naar huis laten gaan? Ik besefte ook dat Saliha niet wou dat ik meeging. Ze vond de situatie wat beschamend omdat alle andere kinderen wel opgehaald werden en wou misschien ook niet dat ik wist waar ze woonde. Vooral wou ze zich alleen kunnen redden. Gelukkig was er de buschauffeur die de situatie snel inschatte. Zij kende Saliha wellicht al en liet blijken dat zij wel een oogje in het zeil zou houden. Toen de deur van de bus sloot, besefte ik dat dit ook onderwijs was: er proberen te zijn voor kinderen voor wie er niemand is.
Enkele weken later vonden Katrien en ik dat Saliha er wat sip bijliep. Haar Nederlands was nog niet goed genoeg om vlot met haar te kunnen praten. We schakelden een tolk in, een aardige vrouw, die we vroegen eens met Saliha te babbelen om te weten te komen hoe ze zich voelde. De dame bracht ons nadien verslag uit: de sfeer thuis bij Saliha was niet zo gezellig. De tante was een bullebak die haar handen vol had met haar eigen gezin en soms dreigde Saliha terug naar Marokko te sturen. Bovendien moest Saliha vaak mee op krantenronde met de tante, waardoor ze geen huiswerk kon maken. Maar vooral was er het nieuws dat de vader van Saliha, in Marokko, zwaar ziek was. Positief was dat Saliha erg gelukkig was op school en dat ze zeer gesteld was op Meester Sven en Juf Katrien. De tolk verzekerde ons ook dat wij verder niets konden doen dan haar zo goed mogelijk blijven opvangen. Ik printte toen voor Saliha een aantal foto’s van de bosklassen af en lamineerde ze ter bescherming. Andere kinderen bestelden immers een dvd’tje met de foto’s op, maar daar kon Saliha niets mee aanvangen.
Enkele weken gingen voorbij en plots was Saliha weer enkele dagen na elkaar afwezig. We probeerden contact op te nemen met de familie, maar dat was vruchteloos. Opnieuw werd de neef aangesproken. Hij vertelde ons dat Saliha’s vader overleden was en ze naar de begrafenis was. Binnen enkele dagen zou ze terug zijn.
Een week later was Saliha nog niet terug. We overwogen de neef terug te laten roepen voor meer nieuws, tot er een plots een telefoontje was voor mij, net voor de middagpauze afgelopen was. Het was de tolk, die blijkbaar meer wist. ‘Meneer Sven, hebben ze u niets laten weten?’. Ze klonk verontwaardigd en medelevend. ‘Saliha komt niet meer terug. Ze hebben haar in Marokko achtergelaten!’. De woorden kwamen aan als een mokerslag. Ik voelde mijn benen trillen en vanbinnen brak iets. Ik kreeg geen woord uit mijn keel. De tolk begreep meteen dat haar boodschap me wel erg verrast had en ze sprak me bemoedigend toe. Katrien was intussen naast me komen staan. Ik ging zitten terwijl ik een bedankje stamelde in de telefoon.
Nog dagenlang lag het nieuws als een steen op ons gemoed. Katrien kon er beter mee om dan ik, ze had wel al wat meegemaakt. Ik was een jong meestertje en het besef dat de groep die ik al een heel schooljaar lang als een familie samenhield, nu een lid minder telde, was zwaar. En ik dacht aan Saliha, die als een voorwerp werd doorgegeven, die niet wist wat haar overkwam, die plots alle grond onder haar voeten zag wegzakken. Toen had Katrien het over ‘uithuwelijken’ en ik trachtte het beeld van een kindbruidje van me af te zetten. Was dat wat haar binnen enkele jaren zou te wachten staan? En wat deed ze nu? Schapen hoeden? Een stereotiep beeld, daar ben ik me van bewust, maar dat was de associatie die ik maakte - Saliha’s familie was arm en woonde op het platteland.
Natuurlijk heb ik Saliha niet meer teruggezien. Ze is nu 13. Nog steeds vraag ik me af hoe het met haar gaat. Of ze gelukkig is. Of ze nog aan haar schooltijd hier denkt. Misschien is het allemaal wel goedgekomen? Misschien studeert ze wel in Marokko? Misschien maak ik mezelf wat wijs. Hoe dan ook zal ik haar niet vergeten.
Zulke dingen bepalen mee je levenservaring. Je visie op ‘het leven’. In de loop der jaren maak je nog één en ander mee en leer je relativeren. Maar dit verhaal blijft hard.
Deze week deed een nieuwe leerling zijn intrede in mijn klas. Dat is eerder uitzonderlijk in het zesde leerjaar en vooral wanneer het schooljaar al enkele weken bezig is. Maar wat nieuw is, biedt altijd nieuwe mogelijkheden en kansen en dus was het klasje best opgetogen met een nieuwe klasgenoot. Dat het een jongen was, vonden we allemaal een opluchting, want met een verhouding van 12 tegenover 6 waren (en blijven) de meisjes flink in de meerderheid.
Dat het een rustige, bescheiden, vriendelijke, betrokken jongen was, vond iedereen nog veel meer meevallen. De kennismaking met al die Freinettechnieken betekende een grote drempel, maar ze stonden te drummen om hem er over heen te helpen. Na één speeltijd observeren, kon ik al gerust zijn: de nieuweling was in goede handen. Dan word je een trotse leerkracht, hoor. Je ziet een hoop individuutjes stilaan een nieuwe groep vormen (we werken met een graadssysteem, dus de samenstelling is elk jaar min of meer nieuw), hun gezamenlijke inzet voor de nieuwe leerling als bindmiddel. Net wat we nodig hadden.
De spontaniteit van mijn leerlingen en de vanzelfsprekendheid waarmee ze een nieuweling in hun rangen opnamen, vond ik op zijn minst opmerkelijk, aandoenlijk ook. En het kwam van twee kanten. Na één dag al liet E. zijn tevredenheid blijken. Vandaag postte hij spontaan zijn eerste artikel op de klasblog:
Ik ben nog maar een week op de school en ik vind het nu al keitof.
Het is gelijk alsof ik al een jaar op school zit.
E.
Mission accomplished. Iedereen gelukkig, ook de meester, toch een beetje ontroerd om al die pure karakters. Meteen een stukje minder doodop, zalige job heb ik.
Leerling: ‘Vrijdag was er op VT4 zo’n film over een archeoloog! Wie heeft gekeken?’
(alle hoofden draaien zich naar mij, want ze weten dat er nu een ‘oordeel’ komt)
Ik (verbaasd): ‘Ja, dat was Indiana Jones. Zijn avonturen zijn echt de moeite. Hadden jullie daar nog nooit van gehoord?’
(Leerlingen schudden neen en tonen zich bereid aandachtig te luisteren. Ik vervolg, mijn stokpaardje berijdend: )
‘Wel, het moet zo’n 25 jaar geleden zijn toen daarvan een eerste film verscheen. Het was een zeer leuke en spannende avonturenfilm die veel succes had. De acteur die Indiana Jones speelde, was toen een jaar of 40. Toen kwam er een vervolgfilm uit en enkele jaren later nog één. Die hadden ook veel succes en als je de kans krijgt moet je ze zeker eens bekijken want ze zijn nog altijd heel plezierig. Nu verschijnt er binnenkort een vierde film over hem. De acteur is ondertussen wel al 65 jaar (leerlingen proesten het uit), maar ik denk dat je dat niet zal merken in de film. Hij zal nog hangen en zwieren en springen als een jong veulen.’
Het moet toch niet altijd een lesje uit het leerplan zijn?
Graag gedaan, VT4.
Ik vertoefde de voorbije week in de bossen, mét het klasje. Ontspannend hoor, ondanks de drukte. Alle impulsen en drukte komen maar van één kant op je af, in tegenstelling tot in een gewone schoolweek, waarbij je overstelpt wordt met vragen, problemen, afspraken en heel veel *spannende* en *verrassende* wendingen van alle mogelijke kanten.
Deugddoend is vast te stellen dat bepaalde kinderen zich op een heel andere manier manifesteren dan in de klas. Arbaaz spreekt plots wel heel erg goed Nederlands. Charaf heeft eindelijk alle ruimte om ongeremd grappig te wezen. Leander hoeft zich niet te concentreren en vindt plots alles goed. Monica blijkt wonderbaarlijk snel te aanvaarden dat ze zelfs mét natte voeten niet zomaar mag opgeven. Ik zie Raoul voor de allereerste keer in twee jaar huilen en merk dat Joyce in het dagelijks leven veel zelfstandiger is dan in de klas. Verrassend.
Een tweede vaststelling: kinderen spelen zooooo graag! Ze worden omringd door gsm’s, mp3-speler’s, playstations en pc’s met internet en msn, willen schoenen op wieltjes, plakboeken met stickers en elke week de Joepie, maar steek ze in een bos en al die spullen worden overbodig. Een stok. Dat is genoeg. Vooral de jongens hebben allemaal binnen het kwartier een tak in de handen. Multifunctioneel, zo’n stok.
Kampen blijven het ook goed doen. Drie takken teken elkaar en je hebt al een hut. Mos wordt van bomen geschraapt om een bedje te maken. Met steentjes wordt een pad gemaakt. Moedertje en vadertje politie en dief, ridder en koning. Ook al zijn ze 11 en 12.
Dan zijn er de kikkers en de eekhoorns. De modder en het zand, de beek, de bladeren en nog meer takken. Met de botten aan overal doorheen. Onuitputtelijk, zo’n bos. Spreekt eigenlijk vanzelf, maar een mens moet zo nu en dan nog eens met de neus op de feiten gedrukt worden blijkbaar.


Ik denk dat ons leven veel simpeler kan. Ik mis mijn email en internet ook geen minuut, daar in dat bos. Mijn blog kan me gestolen worden, ik hoef heen krant of humo te lezen. Niet dat dat bos plots spirituele neigingen doet ontwaken, maar door met slechts één taak bezig te zijn, die je dan nog graag doet ook, verloopt de dag zoveel eenvoudiger. Een mens komt uitgerust thuis, mentaal gezuiverd, alle stress is achtergebleven.
Tegenwoordig verschijnen mijn leerlingen en oud-leerlingen en masse in de media. Monica zit in de jury van het jeugdfilmfestival en kwam aldus op Ketnet. Gustave werd geïnterviewd voor Klara (zaterdagvoormiddag te beluisteren). Sofia Ferri, al een tijdje geen leerling meer van me, speelt mee in Aanrijding in Moscou. En deze week mochten oud-leerlingen Wouter en Ignace hun klas vertegenwoordigen in het Ketnetprogramma Gebuisd.
Toeval wellicht, al kan er ook een theorie ontwikkeld worden over de drempelverlaging, de mondigheid, de alomtegenwoordigheid van de media enz. Maar dat laat ik aan specialisten over. Ik heb twintig minuten naar een quiz met Jelle Cleymans moeten kijken en daar kan ik wel iets over kwijt. Ignace en Wouter hebben dat goed gedaan, maar het programma Gebuisd was eigenlijk allesbehalve geslaagd.
Ik heb Jelle Cleymans altijd goed weten te negeren. De laatste tijd komt hij echter zo vaak in de pers dat ik haast zou gaan denken dat hij toch iets kan. Maar het is zeker en vast niet presenteren.
In Gebuisd leek hij wel een stagiair die voor het eerst voor de klas staat. Hij slaagde er eerst en vooral niet in echt met de kandidaten te communiceren. Hij stelde nietszeggende vragen, waarop de kinderen enkel ja of nee konden antwoorden en er dus regelmatig stiltes vielen. Die hij niet wist op te vullen. Cleymans leek ook niet echt degelijk voorbereid te zijn. Hij leek de namen van de kandidaten niet te kennen, wist niet waar ze vandaan kwamen (de ene school kwam uit Gent, de andere uit Nazareth, leek me toch dicht genoeg bij elkaar om daar even naar te verwijzen) en aan de leerkrachten wist hij ook niets te vragen. Kortom: ik zag een stuntelige en stroeve presentator die noch vaart noch enthousiasme in het programma wist te brengen.
Maar ook de rest van deze wetenschapsquiz is van laag niveau. De vragen zijn niet leuk en het tempo ligt ontzettend laag. Zo waren er amper 5 vragen in de hele quiz, want na elke vraag volgt een weinig aanschouwelijke uitleg waar je als leerkracht gegarandeerd je leerlingen mee in slaap zou krijgen. Men tracht dat te compenseren door het publiek een tiental keer heel hard te laten brullen en juichen. En dan het productionele aspect: de volgorde van de antwoorden in een meerkeuzevraag veranderde toen de vraag herhaald werd, een foto kwam net te laat in beeld toen er naar verwezen werd, het waar-of-niet-waar-spel wordt gehinderd door een onoverdachte antwoordformule, (‘Dieren kunnen niet dromen’ – ‘Niet waar!’ – ‘Niet correct!’… tja, wie kan nog volgen?). Details jaja, en niet alles kan perfect gaan, maar dit noem ik toch geknoei. Vergeeflijk bij een scouts-optreden of een jeugdhuisquiz, maar niet op tv.
Uiteindelijk heeft dit programma net als zijn presentator geen ruggengraat. Het is te braaf en nietszeggend. Zo luchtig dat het oplost. Zo krijgen de leerkrachten van de verliezende ploeg een dosis slijm over hen gekieperd. Een miezerige stroompje gekleurd water bedoelen ze eigenlijk. Niets aan Gebuisd straalt creativiteit of vindingrijkheid uit. Zelfs dertig jaar geleden zou dit saaie tv zijn.
De gemiddelde leeftijd van de redactieleden van dit programma is waarschijnlijk 22 of zo. Een generatie die opgegroeid is met Studio 100, niet met Ome Willem, Meneer Kaktus of Buiten de Zone. Dat is er aan te zien. Je zou zelfs Schuif Af nog gaan missen.
Een collega gaf me het formidabele idee eens een kindercontact te organiseren, alvorens aan de oudercontacten te beginnen. Dat mag in de oren van bepaalde sceptische lezers dan wel erg wollig overkomen, eigenlijk is het een zeer logisch gegeven: de leerkracht en het kind bespreken samen en zonder publiek erbij hoe het gesteld is met de vorderingen en resultaten, maar ook het gedrag, de relatie met anderen en eventuele zorgen of ergernissen van het kind.
Ik stelde al snel vast dat dit een grandioos idee was (Dank aan Tom!) en stond versteld van de vele wijze en inzichtelijke dingen die de kinderen te zeggen hadden of ter voorbereiding op papier hadden gezet. Het grote verschil met een oudercontact is dat ik een keer niet de hele tijd aan het woord was, maar zij vooral zelf mochten praten. Ik stelde dan kritische vragen en kwam zo heel wat over hen te weten dat ik eigenlijk nog niet wist.
Enkele van die fantastische opmerkingen moest ik hier gewoon even kwijt. Omdat ze te mooi zijn of grappig, maar ook omdat ik de soms onderschatte intelligentie en wijsheid van kinderen er even mee wil eren. En zo kom ik meteen nog eens positief uit de hoek op deze blog! Dit hadden de kinderen te zeggen:
* ‘Sven en ik komen meestal goed overeen. Soms gaan we niet akkoord met elkaar, maar dat is goed.’
* ‘Een ruzie kan echt een opluchting zijn!’
* ‘Ik word meer boos van binnen.’
* ‘Ik kan het nu beter vinden met de turnleerkracht dan vorig jaar. Toen reageerde ik me op hem af als ik boos was op andere kinderen.’
* ‘Ik ben ’s morgens stil in de klas, maar als de dag vordert, moet ik me soms inhouden.’
* ‘Ik maak veel ruzie, maar meestal om iets doms!’
* ‘Sven begrijpt me supergoed.’
* ‘Ik probeer vaak een engeltje te zijn.’
* ‘Anderen aanvaarden zoals ze zijn, is niet altijd makkelijk!’
* ‘Ik commandeer te veel!’
* ‘Wat Sven van mij denkt, dat weet ik niet.’
* ‘Ik ben nu eenmaal slordig!’
* ‘Ik beken: ik krijg niet graag kritiek!’
* ‘Ik toon respect voor schattige dingen.’
* ‘rekenen zal me nooit aanstaan.’
* ‘X is niet saai, hij is niet mijn beste vriend, maar ik ben er wel voor hem.’
* ‘Sven zegt nooit of ik een mooi handschrift heb!’
* ‘mijn spelling is gelijk altijd getzelvde.’
* ’soms is de onvriendelijkheid sterker dan mezelf.’
* ‘Ik heb heel veel van Sven geleerd.’
* ‘Sven is heel grappig en dat maakt het leuk.’
Zo. Dat ego is ook weer gestreeld.
… begrijpt hij geen snars van wat leerlingen elkaar te melden hebben:
‘Natuurlijk heeft Azalea spelers van White Star nodig!’
????????
U zei?