
Theatrale Exageratie… Heerlijk toch, dokters met humor die moeders met zin voor overdrijving lik op stuk geven? Of zou dit een doodserieuze medische term zijn?

Theatrale Exageratie… Heerlijk toch, dokters met humor die moeders met zin voor overdrijving lik op stuk geven? Of zou dit een doodserieuze medische term zijn?
Sinds Jelle Cleymans zich een weg ettert doorheen de serie Thuis slaag ik er nog meer in dan voorheen, dit leven zoals het helemaal niet is, compleet te negeren. Ergens ook jammer, want het schabouwelijke taalgebruik en de stereotiepe personages konden mij op sommige momenten inspireren tot genietbaar geëmmer hier, maar het was uiteindelijk amper draaglijk geworden.
Momenteel blijkt het taalgebruik in allerlei series echter plots een item. De Standaard pikte het geklaag op diverse internetfora op over het taalgebruik in nieuwe series als Los Zand en Code 37. Man Bijt Hond gaf daar gisteren een leuke draai aan. Ik ben als taalliefhebber wel tevreden met deze nieuwe aandacht – al die pietjes precies in Man Bijt Hond vond ik extreem sympathiek! – , hoewel ik me niet de illusies maak dat er iets zal veranderen. Overigens hoeft het voor mij ook niet van dat steriel Nederlands te worden, hoor.
Maar de Taal van Thuis heeft me dus jaren geërgerd, al die laat ik nu maar even links liggen. Over het schabouwelijke gepruttel in 16+ had ik het twee jaar geleden al. Dus over naar de actualiteit. Het taalgebruik in Los Zand vond ik bij momenten storend: zoals vroeger al gezegd wil ik nog tolerant zijn tegenover verkavelingsvlaams, maar dialect vind ik absoluut not done. In tegenstelling tot velen vond ik de acteurs wél verstaanbaar, maar dat wil niet zeggen dat ik ze met plezier aanhoorde. Enkele van de gesprekken waren beslist tenenkrommend dialectisch en voorzien van een geforceerdee naturel. Terzijde: deze serie wil ik best nog verder bekijken al garandeer ik niet dat ik de eindstreep haal.
Dan was er Code 37, een doorslagje van een kopie van een tweedehands politieserie. In Vlaanderen misschien wat ongezien, maar verder op alle vlakken ongeïnspireerd. En saai, niet te geloven. Maar ter zake: de Antwerpse en Brabantse accenten waarvan sprake in vele media, deden me niet veel. Zoals elders al opgevoerd, hoor je zeker in Gent diverse accenten, dus wat zou dat. Maar hier is meer aan de hand: de taal die de acteurs hanteren leunt zo dicht aan bij dialect, dat het bijzonder irritant wordt. Doet pijn aan de oren.
Ik heb daar wat over nagedacht. Als ik me in het dagelijks leven maar in beperkte mate erger aan dialect en accenten, waarom zou ik dan in Vlaamse series en films wel verwachten dat men perfect Nederlands spreekt? Mijn conclusie is eigenlijk paradoxaal: ik heb helemaal niets tegen deze manier van spreken. Van nieuwslezers, presentators, omroepers en radiovolk verwacht ik dat uiteraard wel, maar acteurs hebben als opdracht fictie te brengen die aanleunt/gebaseerd is op/lijkt op de werkelijkheid. Dus moeten ze toch klinken zoals gewone mensen?
En dus zit het probleem voor mij helemaal ergens anders: het ligt aan de acteurs. Eén van de dames in Man Bijt Hond vond bv. dat Van Vlees en Bloed verknoeid werd door de dialectwoorden erin. Niets van gemerkt, moet ik zeggen. Als de acteurs overtuigen, maakt het mij eigenlijk niet echt uit wat ze spreken. Koen De Graeve kan zijn Aalsters doorgaans amper verstoppen, en toch hoor ik hem zeer graag bezig in alle soorten rollen. Ik raak er dus steeds meer van overtuigd dat goede acteurs het verschil maken en dat er ook steeds minder zijn helaas. Vlaanderen raakt bedolven onder would-be vedetten, bimbo’s die vanbinnen even blond zijn als vanbuiten en veredelde figuranten die zich allemaal acteur noemen.
Ik heb zelf geen acteerambities, ik snap ook dat het charisma van een acteur meer uitmaakt dan zijn werkelijke talent en dat een goed acteur meer is dan iemand die mooi spreekt. Wat een goed acteur dan wel is, valt moeilijk te omschrijven. Het laat me niet om toch even af te wijken van mijn punt en mijn loep boven het Vlaams acteervolk te houden. Ik beschouw dus even wat willekeurige Vlaamse acteurs om te zien wat er hapert en aanslaat.
1. Veerle Baetens: overschat. Gigantisch nog wel. In de vier minuten van Sara die ik ooit meepikte, vond ik haar al amper boven het minimum amateurniveau uitsteken. In Code 37 hanteert ze zeker twee gezichtsuitdrukkingen. In Loft ging ze op in het decor, zo grijs wist ze te zijn. Ik moet haar niet. De verpersoonlijking van het banale. In Vlaanderen ben je dan een ster.
2. Marijke Pinoy: Een mens met een wel erg beperkt register, waardoor ze al al haar rollen op elkaar laat lijken. Of ze nu de drama queen staat te wezen in De Keyser van de Smaak of moederlijk is in Ben X en Los Zand, ze blijft emoties verwarren met gesticuleren en zeuren. Let ook eens op haar gruwelijke articulatie. Haar jury duty in het gedrocht Moeders en Dochters onthulde bovendien dat ze in werkelijkheid ook gewoon zo is.
3. Maaike Cafmeyer: We love her. Niet? Ze is leuk , ze is grappig… Wacht even. Is ze echt grappig? Of heeft ze gewoon enkele grappige rollen gespeeld? Ze mocht heerlijk stuntelen in Het Geslacht De Pauw. Ze mocht heerlijk bot wezen in Loft. En ze komt beslist sympathiek en charmant over. Maar acteert ze eigenlijk goed? In Aspe zag ik haar nauwelijks aan het werk – niet uit te kijken, deze belegen misdaadprul – maar ik wacht alleszins tot ik eens echt onder de indruk zal zijn. Haar legendarische opdringpoging bij Paul Van Himst als vrouw van Bart De Pauw was echter ijzersterk. Acteren is ook: laten vergeten dat je een actrice bent. Ik geef haar nog heel wat krediet.
4. Jelle Cleymans: een ware verschrikking. Dit is echt wel allesbehalve een acteur. Ik blijf beleefd over zijn smoelwerk, maar dit is echt wel the very poor man’s Leonardo Dicaprio Zac Efron Rupert Grint. Ja, inderdaad, die irritante kerel die Ron speelt in Harry Potter.
5. Adriaan Van den Hoof: geweldig in zowat elke rol die hij speelde in het Peulengaleis en het gerelateerde Nefast voor de Feestvreugde. Memorabel als zieligaard in de sketches uit Man Bijt Hond. Maar beschikt hij over de veelzijdigheid en de diepgang die we van een goed acteur verlangen? Zijn gastrol in Code 37 was alvast heel erg om te lachen. Zonder dat dat de bedoeling was. Misschien komt het ooit goed, maar ik zie hem gewoon geen ernstige rollen vertolken.
6. Marilou Mermans: haar website opent met mijn lofuitingen en die zijn gemeend. Zou een monument moeten zijn in Vlaanderen, maar blijft toch wat onder de radar door gebrek aan grote rollen. Of net door zo op te gaan in haar rollen dat niemand haar herkent in een andere. Grote klasse dus. En dat moet dan opdraven in Familie en Thuis.
7. Frank Aendenboom: Dit is dan wel een momument, dus wat valt er te argumenteren? Dat deze knotwilg uit de Vlaamse filmwereld zo vaak in het dialect geacteerd heeft. En daar nooit iets tegen in te brengen viel want je geloofde iedere minuut. Al mogen ze Lili & Marleen gerust uit zijn cv schrappen.
8. Frank Vercruyssen: iemand uit mijn nabije omgeving deed onlangs een weinig sympathieke indruk op van deze man, maar desondanks weet hij in wat voor rol dan ook, wel steeds te overtuigen. Manneken Pis is nu wel heel lang geleden, De Smaak van de Keyser en (N)iemand toonden zijn talent recentelijk nog. Als Vlaanderen Hollywood was, was dit wellicht Sean Penn of zo. En dan heb ik nog niet eens één van zijn theaterstukken gezien.
9. Eline De Munck: haha. hahahahahahahaha. In het Kruidvat zoeken ze nog iemand.
10. Axel Daeseleire: Jaaaaa, dat Antwerps accent, we weten het. En die typecasting als macho. De man moet ook leven zeker? In zijn begindagen om weg van te lopen (Dief gezien iemand?), maar intussen toch al enkele keren zeer overtuigend geweest en ik heb de indruk dat hij zijn vak ernstig neemt.
Hmm, dit is leuk. Wordt beslist vervolgd.
En nu maar hopen dat al die mensen mij niet bellen omdat ze beledigd zijn.
“Zijde gij bij d’oeren geweest of nie?”
“Ik wil van geen van jullie beiden een nier!”
Lang geleden gruwelde ik met regelmaat om het schabouwelijke taalgebruik in de Thuissoap. Dan maar zoveel mogelijk wegkijken, maar nu ik na een weekje bosklas uitgeput op de zetel neerzak en daarbij bovenstaande flarden scenariowerk van torenhoog niveau opvang, rijst de vraag of deze populaire serie iedere week zo grandioos tussen onbevattelijkheid en absurdisme balanceert. Woont David Lynch in Vlaanderen?
Op het colloquium ‘De Moderne School’, georganiseerd door de stad Gent:
(vrolijke, stralende verschijning aan de infobalie):
- ‘Goeiedag meneer, bent u ingeschreven?’
-’ Jazeker, mijn naam is Sven De Schutter.’
- ‘Even kijken… hierzo! Alsjeblieft meneer, uw naamkaartje, en kijk eens in welke sierlijke letters!’
-’Jaja, maar de familienaam staat wel eerst en dat is eigenlijk niet correct.’
Nog nooit iemand zijn glimlach zo snel zien verliezen.
(Sven De Schutter, beschikbaar voor al uw enthousiasmetemperingen…)
Pedagogische studiedag rond muzische vorming (beter bekend als plastische opvoeding):
Zeg niet:
‘Zet er een prentjen bij, da vinden de kinderen plezant’,
maar wel:
‘voeg er een visuele prikkel aan toe, dat stimuleert het divergent denken’.
Geslaagde dag alleszins.
Op de kantoor van site van film Cinebel:
- Julie, jij niet vergeet d’annoncer het wedstrijd?
- Doet jij het? Ik Nederlandais niet goede.
- Ja, is inderdaadt moeilijke. Wij gaan het samen maken?
- Ensemble être nous fort!
Twee weken geleden al berichtte De Morgen over de AIBV, de superbeveiligde afdeling voor topcriminelen in de Brugse gevangenis. Douglas De Coninck – is dit de énige Vlaamse journalist die nog écht onderzoek doet? -correspondeerde een tijd met Ashraf Sekkaki, een topgangster die er opgesloten zit.
Zijn verhaal is fascinerend, omdat we eigenlijk niet zouden verwachten dat er in België nog zo’n mensonwaardig gevangenisbeleid bestaat. De verwijzing in het artikel naar de gevangenis op Guantanamo Bay is niet slecht gekozen. Sekkaki beschrijft tot in de details de wrede omstandigheden van zijn gevangenschap.
Ik maak me wel wat bedenkingen bij het lezen van dit artikel. Allerlei argumenten uit de discussie over het gevangeniswezen, komen bij me op. Volstaa vrijheidsberoving niet als straf, met het daarbijhorende ontbreken van allerlei zaken die het leven aangenaam maken? Maar het creëren van extra stress, het tergen, het psychologisch martelen zoals het in het artikel beschreven staat, lijken me zinloos, zelfs gevaarlijk.
Maar anderzijds is het logisch dat ik als lezer meega in het verhaal van De Coninck, dat is de bedoeling van het artikel. Ik hoor dus geen argumenten van slachtoffers, specialisten en deskundigen. Ik weet zelfs niet of alles wat in het artikel beschreven staat, waar is. Ik aarzel dus me uit te spreken over deze toestand.
Het is me daar dan ook niet om te doen. Veel frappanter aan het artikel vind ik dat Sekkaki overkomt als een taalvaardig man (het artikel werd geïllustreerd met foto’s van zijn brieven). Dat verbaast me niet alleen omdat hij allochtoon is – ik stel elke dag vast hoe groot de taalachterstand is bij deze groep zonder daarom in hokjes te willen denken – , ook omdat hij een gangster is en daarvan verwachten we nu eenmaal niet meteen dat ze goed opgeleid zijn. Het verband tussen opleidingsniveau en de kans op normvervaging, enzovoort.
Sekkaki schrijft niet alleen vlot Nederlands, hij drukt zich ook correct en met een zekere allure uit. In een tijd waarin een groot deel van de bevolking het schrijven van een gewone brief al als een zware opgave beschouwt, vind ik dat des te opmerkelijker. Een citaat: ‘De bewakers en de gevangen vinden elkaar in hun verslaving en wederzijdse haat. Ik lijk op hen. Net als zij heb ik haatgevoelens, een beklemming net onder mijn middenrif die krimpt en groeit als een tumor.’ Dat is wel wat anders dan Aspe. Die kerel zou verdorie een blog moeten beginnen.
Uit pure gewoonte vormt Studio Brussel de achtergrond tijdens mijn ochtendrituelen. Al jaren. De tijd dat Wim Oosterlinck samen met de hemelse Heidi Lenaerts die ochtend vulde met gezapige nonsens, is al een tijd voorbij. Soit, ik lag er niet van wakker. Peter Van de Veire was een degelijke vervanger van Oosterlinck, maar helaas kon niet hetzelfde gezegd worden van Sofie Lemaire.
Het nieuwsmeisje dat evolueerde tot sidekick werd na verloop van tijd een volwaardig co-presentatrice van Van de Veire, maar al tijdens haar eerste weken slaagde ze
er enkele keren in me in het harnas te jagen. Aangezien Heidi Lenaerts zich ook pas na zekere tijd kon ontplooien, wachtte ik geduldig op wat Lemaire nog zou bewerkstelligen. Maar nee, er viel geen evolutie vast te stellen. Integendeel zelfs.
Wat me in de eerste plaats stoort aan Lemaire was dat ze niet al te snugger overkomt. Eén van haar taken was bv. het persoverzicht, waarbij ze dan vertelde wat ze net in de krant had gelezen. Ze deed dit op een overdreven onthullende toon, alsof zij zelf de eerste was die dit nieuws bracht – de rest van de wereld had het intussen eigenlijk zelf al in de krant of het op het internet gelezen. Dat echter terzijde, want wat vooral stoorde, was dat als Van de Veire dan iets meer over een nieuwtje vroeg, Lemaire echt uit de lucht viel. Ze had het artikel in veel gevallen immers niet volledig gelezen en zat dus steeds een trein achter. Veelzeggend was ook dat Lemaire’s enthousiasme omgekeerd evenredig was met de relevantie van het nieuws dat ze bracht. Met andere woorden: hoe onbenulliger het nieuwtje, hoe meer Lemaire er op los kon lullen.
Veel personen en begrippen die tot de algemene kennis behoren, waren Lemaire ook volkomen onbekend. Meermaals hoorde je een stripverhaalachtig vraagteken boven haar hoofd verschijnen en regelmatig kon ze met de mond vol tanden staan tegenover haar spitse presentator. Toen Van de Veire zelfs een keer de uitdrukking ‘boter op het hoofd hebben’ gebruikte, barstte ze in lachen uit. Wat was dat voor een gekke uitdrukking! Hahahaha en hihihihi. Dat is Nederlands, beste Sofie Lemaire met een diploma van Herman Teirlinck. Met verwondering hoor ik haar dan soms zaken uitleggen waarvan je gerust kan aannemen dat iedereen ze al weet.
De interventies van Lemaire waren ook van een opvallend zwak niveau, waar zelfs een kleuterjuf zich zou voor schamen. Haar woordenschat, spreektoon en zinsbouw zijn de eenvoud zelve. Het zijn mensen als Lemaire die op die manier bijdragen aan de verarming van onze taal. Ik hoef ’s ochtends heus geen Walter Zinzen te horen, hoor, maar een minimum aan niveau is wenselijk.
Maar goed, op 1 september pakte Stubru uit met zijn nieuwe programmering. Van de Veire verdween uit de ochtendether en aldus ook Lemaire. Rust keerde weder in huize Sven. Dat het onwetende Sofietje in haar eigen nieuwe programma ‘op zoek ging naar de antwoorden op de vragen die zij zich stelt’ vond ik behoorlijk ironisch – dat zou een programma van lange duur worden - maar dit alles zou zich buiten mijn gehoorsveld afspelen, dus who cares. Doch Stubru ijvert voor de rechten van het kippetje. Linde Merckpoel mocht immers haar intrede doen als sidekick van Tomas De Soete. Lekker gibberen en kletsen van ’s morgens vroeg zonder ook maar enig zinnig woord te verkopen. Ook Linde nestelt zich dolgelukkig in de rol van onwetende bijzit, kul verkondigend alsof haar leven er van afhangt. Nogmaals, sociologische beschouwingen of filosofische bespiegelingen hoeven echt niet, maar de gemiddelde luisteraar is toch ouder dan 12?
Onlangs meldde Linde dat de lottoformulieren groter zouden worden. ‘Er komen twee roosters bij’, zo legde ze uit. ‘Maar of je dan meer cijfers mag aankruisen, weet ik niet’. Ik heb mijn bedenkingen bij zo’n berichtgeving. Als je iets niet weet, zeg dat dan niet, tenzij er naar gevraagd wordt. Maar vooral: als je dan toch een nieuwtje wil brengen, informeer je dan toch degelijk!? En dan nog: denk eens na. Ooit al eens een lottoformulier bekeken? Also sprach Meester Sven.
Eigenlijk staan Lemaire en nu Linde symbool voor een nieuw slag grieten dat zijn sexe oneer aandoet. Niet alleen omdat ze onnozel of leeg zouden zijn, maar voornamelijk omdat ze zich met zoveel graagte wentelen in de rol van onwetende sidekick. Het mikpunt van de grappen, de giechelende maar naïeve assistente van de alwetende presentator. Het soort vrouwvolk dat tevreden is met een bijrol. Dat zich laat bevoogden en sturen, laat inpalmen en foppen. Stelt dit de huidige generatie jonge vrouwen voor? Met Roos Van Acker had je het niet moeten proberen. Ook Heidi Lenaerts stond waardig boven de nonsens van haar co-presentator. Dat is stijl.
Laat ik mijn dag nu vergallen omdat één of ander simpel ding de krant niet zorgvuldig leest of alomtegenwoordige begrippen niet kent? Natuurlijk niet. Tegenwoordig zap ik zelfs weg. Maar voor we weer aan de discussie beginnen over ’de knop omdraaien’ of ‘negeren’, wil ik het recht opeisen goede radio te mogen aanhoren in de ochtend. Ik weet al lang dat ik dat niet zal vinden op Q (dat is pas peuterradio). Maar dat de (al lang geleden begonnen) verschuiving van Studio Brussel naar de middelmaat zich steeds duidelijker manifesteert in de aanwerving van presentators van kinderlijk niveau (zie ook Siska Schoeters, Ann Lemmens en Steven Lemmens), vind ik beklagenswaardig. Of is het omdat ik zelf ouder word en ik niet meer tot de doelgroep van deze ‘jongerenzender’ behoor? Welnee! De verwerpelijke, recente promotiestunt waarbij met gulle hand auto’s werden weggeschonken (door een zender die vorig jaar nog actie voerde voor een gebrek aan drinkwater, lees vooral de rake column van Tom Naegels hierover, in De Standaard van 27/9!), richtte zich zelfs op ouders van tieners! Het jongerenpubliek wordt steeds minder interessant gevonden en dus moet er vooral zo mainstream mogelijk uit de hoek gekomen worden. En dus hou je het taalgebruik simpel en de inhouden luchtig. Over de muziek spreek ik me al helemaal niet uit, het verschil is bij het zappen niet eens meer te merken.
En zo is dit is nog eens een lekker verzuurd stukje.
Caroline liet weer van zich horen: ‘… die valt dan als een bloksteen in slaap!’
Sarah: ‘Hier zijn wel veel pittakoten in de straat zeg!’
Caroline: ‘Ja, ze groeien echt als spruiten aan de muur!’
Lezer Tom Lievens heeft gelijk: ik zaag de laatste tijd veel te weinig. Ik blog te weinig tout court. Ik heb niets te melden. Gelukkig blijven de televisie en de bijhorende persoonlijkheden ons dagelijks zulke dusdanige nonsens en onzin brengen dat er altijd wel iets te schrijven valt.
Dat Wendy’tje en haar door een bevriende televisiezender geschonken verloofde een kind verwachten is haast potsierlijk omdat ik me niet van de indruk kan ontdoen dat dit wijf ooit aan iets anders denkt dan haar onbestaande carrière. Dat Tom Boonen het aangelegd heeft met een 16-jarige vind ik niet meteen stuitend, dan toch bedenkelijk. Dat de 18-jarige dochter Planckaert een tweede keer bevallen is, hoeft mijn zorg niet te wezen, ware het niet dat het kind voorzien werd van een de zoveelste bespottelijk naam. Ergst van al is dat al de bovenstaande feiten ook nieuws zijn terwijl ik liefst van al zou hebben dat ze zich ettelijke lichtjaren buiten mijn waarneming zouden afspelen.
Tijd voor wat cultuur, oprecht drama, soberheid dus: Canvas kijken misschien? Niet dat er alternatieven zijn, of u moet naar een aflevering van het amateurtheater 16+ willen kijken of op VT4 willen vaststellen dat een kandidate uit een koppel-realityshow voor de charmes van de cameraman van haar eigen serie gevallen is. De vierde wand doorbreken, noemen ze zoiets. Nee, De film van mijn leven dan maar, waarin Lieve Blancquaert mensen bezoekt die vele jaren eerder het onderwerp van een documentaire waren en nu wil ontdekken hoe het met hen afgelopen is.
Het concept vind ik niet slecht, al ben ik eigenlijk niet geneigd te kijken. In de meeste gevallen is er met die mensen niets noemenswaardig meer gebeurd en beperkt het programma zich tot een terugblik. Ik keek dan ook niet meteen voor het onderwerp, maar omdat de trailers die ik van deze aflevering had gezien een klein alarmbelletje deden rinkelen. Er is immers maar één ding verkeerd aan dit programma en dat is Lieve Blancquaert zelf.
Als fotografe kent ze ongetwijfeld haar stiel, maar evenmin als het om een bloemist of tandarts zou gaan, verwacht ik niet dat een fotograaf in staat zou zijn op behoorlijke wijze een programma te presenteren. Het begint al met de klassieke ergernis: het taalgebruik. Lieve Blancquaert is namelijk de zoveelste in het rijtje (Goedele Liekens, Evi Gruyaert, Sergio, …) die op televisie geen enkele moeite meer doet om behoorlijk Nederlands te spreken. Bij Lieve Blancquaert klinkt dat aldus: ‘Zijde dan eel zenuwachig?’, ‘Ik zien dat ier in ene keer!’ of ’Vondet nie raar?’. Discussies over de naturel van een gesprek zijn overbodig: dit hoeven we als kijker niet te pikken. Als Lieve Blancquaert niet zonder dat verkavelingsvlaams kan of meent deze volkse manier van spreken nodig te hebben voor een gezellig gesprek, is ze ongeschikt voor deze job.
Helemaal onvergeeflijk wordt dit wanneer Blancquaert deze stijl combineert met een naïef-oppervlakkige vraagstelling en bijpassende opmerkingsgave. Blancquaert manifesteert zich als een weetgraag tantetje of bomma, of erger nog, een nieuwsgierige buurvrouw die maar op je zetel blijft zitten. Haar vragen zijn niet bepaald slecht, maar krijgen in de vraagstellingstoon een lading dramatiek, sensatiezucht of platte nieuwsgierigheid mee die vooral informatie opleveren die we eigenlijk niet willen horen. Blancquaert fungeert in dit programma niet als doorgeefster naar een publiek, maar puur als bemoeialig kletswijf. ‘Amai!’, stiet ze op een bepaald moment om wat voor reden dan ook uit, een kreet die mij de indruk geeft van geforceerde interesse of oprechte verbazing. Hier moet sprake van het tweede, want ik twijfel niet aan Blanquaert’s engagement. Maar die stijl roept bij mij helaas vergelijkingen op met wijdogige viswijven die op de markt aan het roddelen zijn.
In de voice-over heeft Blancquaert meer aandacht voor haar taalgebruik, maar toch blijft ze op zo’n dergelijk familiaire toon brabbelen dat ik me afvraag tegen wie ze het heeft. Zit haar moeder misschien naast haar en brengt ze die persoonlijk verslag uit van haar bezoekjes? Zo klinkt het toch.
Canvas hoeft voor mij geen ontoegankelijke elitezender te zijn. Maar een baken van degelijkheid en intelligentie zou het wel mogen zijn. En voor de slechte verstaanders: ongetwijfeld is Lieve Blanquaert een sympathieke ‘madam’ en natuurlijk ken ik haar niet persoonlijk. Maar misschien kan ze in de toekomst toch maar beter iets voor Vitaya gaan doen?
Een stagiaire vroeg me vandaag of de leerlingen zomaar uit het hoofd moesten weten wanneer de winter begon. Want ‘dat wist zij zelfs niet!‘.
Op het nabije winkelcentrum prijken tal van affiches ‘De Sint en zijn fanfare komt op 1 december!’.
Zucht.
Drie kinderen zitten aan een tafel te praten in de klas.
Kind 1: Stel je voor dat je zou moeten blijven dubbelen!
Kind 2: Blijven dubbelen is erg.
Kind 3: Ik ga nooit moeten blijven dubbelen.
Ik (leerkracht die niets met het gesprek te maken heeft): Zeg, jongens, eigenlijk klopt dat niet wat jullie zeggen. Ofwel ben je ‘blijven zitten’ ofwel ‘dubbel’ je. Maar je kan niet ‘blijven dubbelen’, want dan gebruik je twee uitdrukkingen door elkaar!
Kind 2: Grrrrrrr! Sven, stop met uwen commentaar!!!
Kind 1: Gij dommerik! Ik zeg ’blijven dubbelen’ en daarmee gedaan!
Kind 3: Dat is kindertaal! Daar weet gij niks van!
Kind 1: Wij zeggen wat we willen!
Leerkracht druipt af…
In de bioscopen van de Kinepolisgroep draait al een eeuwigheid een reclamespotje waarin de Ladies@The Movies-actie wordt gepromoot. Dit is een filmvoorstelling waarop enkel vrouwen welkom zijn. Het spotje irriteert me. Mateloos. Ik wil het nooit en nooit meer zien of horen.
Wat is er zo vreselijk aan?
Er zit om te beginnen te veel Engels in. Om cool te doen. Onuitstaanbaar. ‘Geen misters, enkel sisters!’ Braaaaaak. ‘No misters, only sisters’ had nog beter geklonken. Maar hier is het uitgangspunt dat ‘misters’ en ’sisters’ deel uitmaken van onze dagelijkse woordenschat. En dat is natuurlijk niet zo. Hetzelfde doet zich tegenwoordig overigens maar al te vaak voor met het woord ‘kids’. Terwijl er echt wel niets verkeerd is met het woord ‘kinderen’. Dit terzijde. Nee, misters en sisters dat rijmt en dus moeten we maar mee in die idiotie. Want dat bekt zo lekker. Nochtans verhoudt het woord ‘misters’ zich tegenover ’sisters’ als pakweg ‘banaan’ tegenover ‘wijn’. De persoon die deze tekst geschreven heeft, is een stomme lul.
De dames krijgen ook allemaal een ‘goody bag’. Tja, ‘verrassingspakket’ legt de lat meteen zo hoog, natuurlijk. Terwijl ‘goody bag’ toch zo’n beetje als ‘doggie bag’ klinkt en je dus niet teleurgesteld bent als er enkel een rolletje muntjes, een oude Flair en een handvol cadeaubonnen en reclamefolders met parfumstaaltjes blijken in te zitten.
En dan is er de toon van dit filmpje. Samenzweerderig. Vrouwelijk stoer. Met zo’n beat er onder om huismoeders en veertigplussers af te schrikken. Machisma op maat van de Libellelezeres. Bespottelijk eigenlijk.
Dit om de onderliggende boodschap te benadrukken: Kinepolis meent blijkbaar voor de doorbraak van een nieuw vrouwenrecht gezorgd te hebben: het met vriendinnen naar de cinema gaan. Er wordt nog net niet vermeld dat u de keukenschort mag thuislaten. Tjongejonge, dames, misschien krijgt u zelfs toestemming van uw echtgenoot of vriend en hoeft u na de afwas niet stiekem door het keukenraam te glippen! En dan nog zo’n goody-bag erbij! Nounou, wat een verwennerij. En dat voor maar 9 euro! Vrijheid kost tegenwoordig geen geld meer.
Nee, ik walg van dit spotje en helaas word ik er elk bioscoopbezoek mee geconfronteerd. Ik kijk weg en tracht mijn bewustzijn even te verliezen. Bij de ‘misters en sisters’-zin ram ik mijn vingers zelfs zo diep mogelijk in mijn oren, wat de mensen rondom mij er ook mogen van denken. Of ik ga heel hard tegen mijn gezelschap praten om het maar niet te horen. Ik zou me afvragen wie zulke belachelijke promotie bedenkt, maar ik weet intussen welk soort volk het is, de reclamebedenkers.
Ik vraag me hier bij aansluitend maar meteen af of dit gedoe eigenlijk wel succes heeft. Moet u, dames, per se zo’n initiatief voorgeschoteld krijgen om met de vriendinnen naar de bioscoop te trekken? Bovendien zou de keuze van de film u doorgaans moeten beledigen. Onnozele komedies met Drew Barrymore of inhoudloze fun met de Hunk van de Maand. Das Leben der Anderen of Zodiac zou wel eens een beroep op uw hersenen kunnen doen.
U moet het natuurlijk zelf weten, dames. Ik kan het mis hebben. Weetikveel hoeveel kip er in een vrouw zit? Kakelen en in toom blijven, is misschien net leuk? Lees hier maar eens een ooggetuigenverslag en u krijgt een heel andere indruk.
Vandaag stond ik al om 7u30 op de trein naar Antwerpen te wachten, met een zwaar hoofd van te weinig slaap. Ik werd verwacht in het vormingscentrum van Malle om er te spreken over filmkritiek. Mijn publiek zou bestaan uit juryleden van wedstrijden voor niet-professionele kortfilms. Men stelt namelijk vast dat die een film te vaak op een technische manier beoordelen en daarom zou hen eens verteld worden hoe een ‘echte’ filmcriticus dat nu doet.
Ik moet dat wel meteen in een context plaatsen. Ik ben immers geen journalist. Maar men wilde tegenover Freddy Sartor, een gevestigde waarde in het filmlandschap (de hoofdredacteur van Filmmagie), graag een jonger iemand zetten met een andere kijk op filmbeoordelingen. Dat zou gebeuren aan de hand van een recensie voor een kortfilm, waaruit dan criteria konden gedistilleerd worden om te bepalen welke kwaliteiten een film heeft.
Om half tien bereikte ik eindelijk het schitterend gelegen vormingscentrum, zo’n typisch in rustgevend groen gelegen gebouwencomplex, waar allerlei aula’s, zaaltjes en ateliers ter beschikking staan voor wat voor cursus of vorming dan ook. Ik had nog geen idee wie mijn publiek precies zou zijn en ik zat ook een beetje met een knoop in mijn maag. Ik mag dan wel elke dag voor de klas staan en ik praat graag, maar zomaar even een ‘lezing’ komen geven, ben ik niet gewend.
Ik werd vriendelijk ontvangen door een hippe vormingsmedewerkster en werd vervolgens een zaal vol senioren binnen geleid. Nu ja, dat is wat overdreven, maar ik ben vrij zeker dat de gemiddelde leeftijd van het vijftigkoppige publiek bijna zestig was. Ik zag grijze haardossen en gouden brilmonturen en zelfs een permanentje! Welkom in de wereld van de amateurfilmer.
Freddy Sartor mocht van wal steken. Hij deed dat professioneel, raakte al snel enkele punten aan waar ik het volkomen mee eens was en die ik zeker zelf ook wou aanbrengen en kruidde zijn betoog met weetjes en informatie uit de filmgeschiedenis. Ik kwam intussen wat tot rust en stelde vast dat de kans op gezichtsverlies niet zo groot was als ik in mijn ergste nachtmerries wel eens had kunnen dromen. Dit waren aardige mensen die geboeid waren door het proces van filmkritiek.
Toch had ik alweer klamme handjes toen het zover was. Uiteindelijk was ik zowat de jongste in de zaal en hoewel ik wel wat op papier had staan, was ik niet erg zeker van wat ik allemaal zou vertellen. Zou ik 40 minuten kunnen volpraten? Maar ik kon mezelf tot rust brengen. Ik nam me voor gewoon te doen alsof ik voor de klas stond en het lot speelde me even in de kaart. Door een technisch probleem kon het door mij gekozen filmpje niet worden vertoond (wat me ’s ochtends meteen was meegedeeld), dus ik besloot eerst het filmpje aan het publiek te beschrijven – wat nodig was aangezien het als kapstok fungeerde voor mijn betoog. Met mijn kalmste vertelstem beschreef ik wat er in het filmpje te zien was. Ik maakte oogcontact met iedereen en zag al enkele dames grootmoederlijk glimlachen naar mij. Al snel vloeide uit de vertelling mijn hele toespraak voort. Hier en daar vergat ik even mijn punt (wat me wel vaker overkomt als ik iets uitleg) en soms betrapte ik mezelf op een herhaling. Ik excuseerde me zo nu en dan even voor een mogelijke onsamenhangendheid, maar vooraf was dan ook gezegd dat je het proces van een film beoordelen niet simpel kon samenvatten. Maar ondanks de paar steekjes die ik liet vallen, zag ik de mensen gretig noteren wat ik brabbelde. Op het moment dat ik vreesde even de aandacht kwijt te raken met al te analytische beweringen, liet ik een filmtip of een persoonlijke belevenis opduiken en meteen werd de zaal weer alert.
Toch zie je ook veel mensen onbewogen blijven. Ze vervelen zich, denk ik dan. Of ze verstaan er niets van en dat ligt aan mij. Ik praat wartaal. Gelukkig had ik aan het begin van de lezing gezegd dat ik vooral mijn persoonlijke ervaring kwam beschrijven, en niet zozeer een cursus of handleiding kwam geven. Niet alleen dekte ik me op die manier in tegen eventuele ontevreden luisteraars, ik wou ook niet de pretentie hebben de wijsheid in pacht te hebben.
Ik had zo af en toe aan de mensen in de zaal een vraag gesteld, waar weinig reactie op kwam. Zo vroeg ik onder wat voor genre de meeste niet-professionele kortfilms te categoriseren vallen. ‘Op 22 september is er finale, kom maar kijken’ gromde een oudje op de laatste rij. De rest van de zaal deed er het zwijgen toe, mijn vraag bleef onbeantwoord. Maar ik raakte geenszins van slag. Intussen had ik het, zoals gewoonlijk bij lange uiteenzettingen, warm gekregen en vertoonden mijn wangen een flinke blos. Ik genoot dus ook wel van mijn ‘optreden’. Uiteindelijk probeer je je passie over te brengen naar een publiek. Niet allemaal makkelijke mensen. Zo kampt de organisatie van de nationale competitie voor niet-professionele kortfilms met een aantal kleine problemen. Die draaien dan rond het geven van punten of de beschikbare tijd voor het bekijken en evalueren van de films. En hoewel mijn uitleg leek geapprecieerd te worden, kwam de zaal in het gesprek achteraf toch al snel weer terug op die vervelende situatie, alsof alles wat ik verteld had van geen belang was en hen geen stap vooruithielp. In de Gloria kwam even om de hoek piepen (‘Wij mogen die films maar ene keer zien meneer! En die film die gij bespreekt hebt ge wel 5 keer gezien!);
Eén aandachtig luisteraar wist me op het einde vriendelijk maar kordaat te counteren door me te wijzen op een contradictie in mijn betoog, maar dat vond ik niet erg. Ik vertelde de mensen eerlijk dat ik het ook niet allemaal wist en deze lezing en een confrontatie met een onbekend publiek voor mij ook leerzaam waren in het bepalen van de manier waarop ik films beoordeel. Daar won ik veel goedkeuring mee en ik kon tevreden afsluiten. Met een applausje.
Op zich lijkt het spreken voor een publiek dat je al dan niet kent, niets bijzonder. Toch was ik best nerveus, al stond ik wel open voor de ervaring. Ik gaf mezelf toch een schouderklopje met de gedachte dat echt niet iedereen het er zo vlot van af zou brengen in deze situatie. Spreken in het openbaar is een kunst die ik nog lang niet beheer, maar ik ben vandaag toch niet door de mand gevallen…
Er waren heel wat vragen uit het publiek.
Del
in de cel
Slecht opgevoed,
in de petoet
Hotelgajes
in de bajes
Leeghoofd
van vrijheid beroofd
Brokkelpak
in de bak
Glamourslet
op slot gezet
Weinig lol
voor de snol
Celebritytang
in het gevang
Doos in de doos
U zei?