Afgelopen zomer werd mijn grootmoeder 88. Zeggen dat dat er een feeststemming was, is veel gezegd. Mijn grootmoeder is niet graag jarig, dat is al jaren zo. Maar nu kon er echt geen glimlach af. Niet dat er veel animo onder de verzamelde familieleden viel vast te stellen, maar toch, eens jarig leek ze toch altijd weer mee te willen, al was het maar omdat ik drie stukken taart at om haar plezier te doen.
Nu zijn we een aantal
maanden later en er is geen beterschap. Mijn grootmoeder lijkt op haar 88e vastbesloten ongelukkig naar haar levenseinde te sukkelen. Haar gezondheid is daarbij geen doorslaggevende factor. Ze zit met een slecht genezende wonde, kneusde onlangs weer haar ribben bij een val, heeft evenwichtsstoornissen waardoor ze al eens haar vloerbedekking van zeer nabij moet bekijken, maar al bij al is ze voor een hoogbejaarde best nog vief. Dokters en professoren prijzen haar al jaren voor de kwaliteit van haar lichaam!
Maar vooral tussen de oren wil het niet meer mee. Mijn oma heeft er genoeg van. Ze klaagt en zeurt en plengt al eens een traan, weigerend nog enige schoonheid in het leven te zien. Vanuit haar standpunt kan ik dat soms begrijpen, al negeert ze koppig iedere scheut optimisme. Ze zit vaak alleen, is niet meer goed te been, eet niet meer met smaak, staart gedachteloos naar televisie en toont geen enkele interesse in wat voor ontspanningsmogelijkheid dan ook. Een Story doorbladert ze zonder enig genoegen en de post uit de brievenbus halen is de uiterste krachtinspanning en tegenwoordig haast de enige uitstap. Durf haar nergens voor uit te nodigen want ze komt niet (ook al omdat dat fysiek steeds moeilijker wordt).
Ze ziet mij en andere familieleden graag op bezoek komen. Ze heeft vijf zonen – waarvan drie gepensioneerd – , zeven kleinkinderen en als ik me niet vergis negen achterkleinkinderen. Maar dat garandeert geen zoete inval. Sommigen komen weliswaar eens per week, enkele zelfs iedere dag, maar nooit erg lang. Ik vrees ook dat de plichtmatigheid steeds voelbaar is. Er wordt dan geponeerd hoe druk het wel is en wat allemaal nog moét. Het gezelschap houden van een bejaarde hoort daar niét bij, zo laten ze haar voelen. Sommige kleinkinderen slagen er niet in één keer per jaar langs te komen. Druk druk druk, u moet dat verstaan. Ik woon het verste weg maar teken minstens drie keer per maand present.
Ze blijft daar consequent waardering voor uitspreken, maar toch kost het me een inspanning, dat geef ik al een tijd toe. Ik zie er de tijd wegtikken en aanhoor haar geweeklaag. Er zit al eens een buurvrouw of zo bij en dan val je al snel een erg enge wereld binnen, waarin dooddoeners of praatjes over het weer de dienst uitmaken. Ik verbijt mijn ongeduld, blader in haar roddelblaadjes en eet een koekje of tien. Een echt gesprek hebben we nooit. Mijn oma wil wel weten hoe het met me gaat, maar haar wereldbeeld staat mijlenver van de werkelijkheid. Ze begrijpt niet veel – hoort ook niet goed – en beoordeelt alles vanuit een achterhaald, door de media gevoed angstenpatroon. Schoolmeester worden afgeslegen door bendes Turken en mijn broer moet bedelen voor een korst brood. Er is dus niet echt sprake van een conversatie. Zelfs de kracht van een anekdote gaat snel verloren.
Het is ook normaal dat ze, vanuit haar neerwaartse spiraal, enkel nog geïnteresseerd is in haar eigen situatie. Het aanhoren van haar problemen, bezie ik als mijn taak als kleinzoon, zelfs al krijg ik steeds meer het gevoel dat anderen die taak verwaarlozen. Ik word er ook moe van. Maar waarom zou ik, die een actief, gevarieerd, genotsvol, sociaal en impulsrijk leven leid, het niet kunnen opbrengen om haar nu en dan een uur gezelschap te bieden en wat aandacht te geven?
Straks denkt u nog dat dit artikel over mij gaat. Dat ik beroep doe op uw ‘vind ik leuk’s om mijn status als doodbrave kleinzoon bevestigd te zien. Maar de essentie is dat mijn bekommernis omgeslagen is in bezorgdheid. Ik krijg steeds sterker het gevoel dat mijn oma het wel gehad heeft en ze zich, los van fysiek welzijn, een plaatsje aan het reserveren is in het hiernamaals. Maar hoe praat je zulke gedachten uit haar hoofd?
Ik vrees ook, en nu ga ik boude uitspraken doen, dat veel mensen ook niet inzien waarom dat uit haar hoofd moet gepraat worden. Misschien willen we wel allemaal dat ze op een ochtend niet meer wakker wordt, omdat ze dat zelf toch zo graag wil (en ons dat dan allemaal verlost van al die lasten?).
…
Alleen mag ze dat verlangen dan al uitspreken, in hoeverre is dat gefundeerd? Ze is altijd al bang geweest van de dood. Daar nu naar lijken te verlangen wijst of op een depressie of op een verpakte noodkreet. Intussen heeft dit doemdenken dan toch effect op haar gezondheid. Ze krijgt wel veel hulp in huis, maar het begrip zelfstandig wonen wordt duidelijk uitgehold. Ik vraag me dus af wanneer mijn vader en zijn broers deze situatie willen onder ogen zien. Het woord ‘rusthuis’ valt zelden. Mijn oma heeft zich daar altijd negatief over uitgesproken. Haar buren argumenteren mee. In eigen huis ben je de baas. Daar zit je evengoed alleen. Je krijgt er eten maar verder ziet er ook geen mens naar u om. Je krijgt er maar een klein kamertje. Enzovoort.
Ik begin dat te betwijfelen. Volgens mij zou mijn oma opgelucht zijn dat er altijd hulp in de buurt is, ze verlost is van een huis dat te groot is en een tuin die ze niet kan onderhouden. Waar wel degelijk andere mensen zijn om elkaar gezelschap te houden. Waar mensen professioneel het soort kletspraat gebruiken dat mijn oma net apprecieert. Of zal het één van haar zonen zijn die op een dag – laat het nooit zover komen – haar van een verse luier moet voorzien? Ik dacht het niet.
Mogelijk overschat ik die seniorenopvang. Mijn oma is geen gemakkelijk mens. Maar wat is het alternatief? Een laf ontwijken van de realiteit, tot er op een dag iets erger gebeurt – een zware val, een heupbreuk, een attakske - en ze maar meteen terechtkomt op een afdeling waar het onvermijdelijk naar pis ruikt? Ik ken mijn familie wel een beetje. Het zou best wel eens kunnen dat ze dat een normaal perspectief vinden.
Ik weet ook dat een plek in een rusthuis lang vooraf gereserveerd moet worden. Gezien de huidige gemoedstoestand van mijn oma en mijn akelige aanvoelen, is het misschien te laat om die zoektocht nu aan te vangen. De familie toont zich bereid de periode tot dat ultieme moment – wat evengoed nog jaren kan zijn – zwijgend te overbruggen, al zijn dat dan vele uren bezoek. Ik zucht daar diep om. Ik word er moe van. Ik schuif het van me af maar trek het me ook aan. Het is niet mijn zorg. Het is wel mijn zorg.
Zekere secreten van tantes, niet vies van wat gestook, etaleerden jaren geleden al hun zogenaamde barmhartigheid met de belofte dat er altijd een bedje voor haar zou klaarstaan, mocht het zover komen. Ik vind dat het zover is. Waar is dat bedje nu?
Weet u wat mijn oma eigenlijk echt het aller- aller- allerliefste zou willen? Bij mij of mijn broer wonen. Echt waar. Ze laat zich dat al eens ontvallen, al weet ze meteen hoe absurd dat idee is. Ze ziet ons heel graag. Ik vind het een verpletterende verantwoordelijkheid dat de sleutel tot haar geestelijk welzijn misschien wel in onze handen ligt. Ik verkies dan toch maar bot egoïsme, in dat geval. Ik ga niet voor de status van heilige. Ik dek me in met die drie bezoekjes per maand.
En voilà, dan ben ik misschien nog slechter dan mijn familieleden.
Wat nu?
************

![img_7199[1]](http://svendeschutter.files.wordpress.com/2010/11/img_71991.jpg?w=300&h=264)









vooraleer ik nog meer schoolmeesterachtige protestpraat ga uitslaan.
Akkoord, de mensen in wie ik CD&V het sterkst verpersoonlijkt zien, zijn net wat naar de achtergrond verdrongen:
van Vlaanderen. En dat is dan nog flatterend bedoeld, want Macy is wel een erg goede acteur. Om maar te zeggen: Peeters is inderdaad niet het met gouden brilmontuur en zuur lachje getooide typische CD&V’ertje, maar de glamour van Italiaanse villa’s, martini en nespresso is ver te zoeken. Peeters doet me op zijn best aan een verdienstelijke bankdirecteur denken die ik niettemin van enige beschetenheid zou verdenken. Nee, dan stem ik nog liever voor 




U zei?