
Theatrale Exageratie… Heerlijk toch, dokters met humor die moeders met zin voor overdrijving lik op stuk geven? Of zou dit een doodserieuze medische term zijn?

Theatrale Exageratie… Heerlijk toch, dokters met humor die moeders met zin voor overdrijving lik op stuk geven? Of zou dit een doodserieuze medische term zijn?
Amper bekomen van het wat van de pot gerukte idee dat men overweegt ons brutoloon te verlagen, vernam ik vandaag dat nu ook de fietsvergoeding voor leerkrachten op de helling komt te staan. Ik fiets uiteraard niet naar het werk omdat me dat geld opbrengt – ik woon zo dicht bij school dat ik daar amper 13 euro voor terugkrijg – maar ik vind het wel een mooie stimulans. En hoewel ik ook zonder vergoeding met de fiets naar school zou blijven rijden, voel ik me lichtjes verontwaardigd dat men het weer zo ver gaat zoeken: waarom moet de leerkracht rechtstreeks benadeeld worden, de al niet zo fantastische betaalde ambtenaar wiens extra voordelen sowieso al in het niet vallen in vergelijking met die van velen uit de bedrijfswereld? Berg dat idee maar snel weer op, beste beslissingsnemers,
vooraleer ik nog meer schoolmeesterachtige protestpraat ga uitslaan.
Intussen lees ik ook dat de burger jaarlijks meer dan 34.000 euro betaalt om het jacht van onze vorst te laten bewaken. Misschien moet die ook maar eens wat meer fietsen dan jachten.
Maar goed, het onderwijs zoekt naar besparingen. Dat is een treurig bericht, want hoewel onze school niets te kort heeft, is het toch vaak puzzelen en rekenen. Ik roep de stad Gent echter maar meteen op om eindelijk eens wat te doen aan de gigantische energieverspillingen op de scholen. De verwarming zal binnenkort weer op volle toeren draaien en blijkbaar is het hier in stadsscholen zo dat je niet zelf kan bepalen hoe warm of koud je het precies wil in je school, laat staan in je klas. Dus zitten we te puffen en te zweten, staan we in T-shirt voor de klas en moeten we meer dan eens per dag de ramen open zetten. De verwarming uitschakelen, lost niets op, want de vanuit een mysterieuze plek aangevoerde warmte blijft gelijk en verspreidt zich dan over een andere ruimte. De warmste plekken op onze school zijn dus de lokalen waar niemand is.
Boekhoudkundig valt één en ander wellicht niet te compenseren, zo gaat dat bij de overheid. Ik durf er nochtans vanuit gaan dat de verwarming in alle scholen 2 tot 5 graden lager zetten, gigantisch veel meer zal opbrengen dan die lustige fietsers hun kruimels af te pakken.
Mieke Van Hecke heeft makkelijk spreken: zij zit niet met een probleem op ‘haar’ scholen. Toch doet ze ook haar duit in het zakje in het hoofddoekendebat. Ze voert zelfs tegenargumenten op om die hoofddoek toch toe te laten. Ik twijfel niet aan haar intelligentie (wel aan haar breeddenkendheid), maar haar ervaring is zowat onbestaande in deze materie en haar mening dus erg eenzijdig. Ik ben nooit fan geweest van deze oeronderwijzeres, wiens nauwelijks verscholen superioriteitsgevoel maar al te vaak nare herinneringen oproept aan mijn eigen aanvaringen met het bestuur van het katholieke onderwijs. Haar nu weer aan het woord horen, laat me enkele bedenkingen maken.
In de eerste plaats is er het dubieuze feit dat in katholieke scholen wél plaats is voor religieuze symbolen. De logica daarvan vind ik eigenlijk nog altijd bizar -ik kan me er nog altijd niet in vinden dat onderwijs en geloof in onze samenleving nog zo vergroeid zijn – , maar dat is voer voor een ruimere discussie. Maar moslimmeisjes die zich in een katholieke school inschrijven, wordt wel gevraagd hun hoofddoek op school niét te dragen. Dat heeft een ranzig tintje, vind ik. De eigen religieuze symbolen mogen wel, die van een ander niet. Verdraagzaamheid heeft in het katholicisme altijd al een enge betekenis gehad. Bovendien kan ik me de bevoogdende en vingerzwaaiende toon voorstellen waarmee zo’n moslimmeisje en haar ouders in heel wat katholieke scholen ontvangen worden. Ik ben genoeg van die figuren tegengekomen in het katholiek onderwijs, mensen die abnormaal veel waarde schenken aan hiërarchie en eerbetoon, neerkijkend vanuit hun ivoren beleidstoren en in een eng wereldje leven. Maar we wijken af. Ik vind het dagelijks leven op een katholieke school ongezond ver van de (multiculturele) realiteit staan. Misschien zit het enkel in mijn hoofd, maar ik erger me aan de gerustheid van de katholieken: zij moeten in hun school nog lang niet vrezen voor de problemen waar andere onderwijsnetten wel mee te kampen hebben. Op een school werken waar pakweg een derde (of de helft, of 90% wat dat betreft) van de leerlingen moslim is, drukt je iedere dag met de neus op de realiteit. De multiculturele droom is weliswaar nog ver weg, ik blijf het toch erg verrijkend vinden. En zelfs dan, het is gewoon de werkelijkheid. Toch is het niet altijd makkelijk en op zo’n momenten vervloek in binnensmonds de katholieke collega’s die in een sprookje leven.
Ik overdrijf natuurlijk. Laat me duidelijk stellen dat de meeste katholieke scholen even goed of even slecht zullen zijn als scholen van het stedelijk onderwijs of het gemeenschapsonderwijs. Goede en gedreven leerkrachten vind je overal, stompzinnigaards en kinderhaters ook, en op geen enkele klas verloopt alles vlot. Mijn collegialiteit is niet universeel – ook daar ben ik bezoedeld door kennismakingen met engdenkende, ongeïnspireerde en ruggengraatloze leerkrachten – maar uiteindelijk neem ik maar aan dat de meesten van ons het voor het kind doen. Maar in visie en beleid zitten zoveel verschillen.
Ik kan intussen vergelijken. In het katholiek onderwijs moet men zijn plaats kennen. Directies en vooral het bestuur zijn zo doordrongen van hun zeer subjectieve normbesef, dat voor het minste de wenkbrauwen gefronst worden. Leerkrachten wijken best niet af van de uitgestippelde wegen, vaak zelfs ook niet in hun privéleven en de hiërarchie is heilig. Het klinkt als een afgezaagd cliché, maar helaas is het nog echt vaak zo. In heel wat katholieke schoolbesturen zetelen nog zusters en broeders, zich krampachtig vastklampend aan gedateerde vormen en inhoud. Ik heb het dan niet eens zozeer over de gehanteerde waarden – die zijn vaak zo vaag dat ze gewoonweg als algemeen geldend voor onze samenleving kunnen gezien worden - maar over vaak heel oppervlakkige (en soms ook fundamentele) zaken die vooral geen smet op het blazoen van de katholieken mogen betekenen. Een blazoen dat al niet eens zo proper meer is.
Er zal wel weer een lezer of wat zijn die in dit soort bedenkingen redenen ziet om me van frustraties en kleingeestigheid te beschuldigen. Dat zullen dan wel mensen zijn die nog nooit iets gehoord of gezien hebben achter de schermen van het katholiek onderwijs. En toegegeven, er is ook een zekere frustratie: omdat het stedelijk onderwijs nog zo vaak minachtend wordt bekeken door de katholieken en omdat nog zoveel mensen voor het katholiek onderwijs kiezen zonder alternatieven te overwegen. Dat behoudsgezind en slaafs volgen van de conventies, bah. Ik werk nu al enkele jaren in het stedelijk onderwijs en nog steeds vind ik de verschillen opmerkelijk. Op het ambtelijke aspect na, dat zoveel clichés bevestigt, zie ik hier veel meer vooruitstrevendheid en openheid. Ik merk dat kritiek en discussie kan, dat er veel meer ruimte is voor persoonlijke ontplooiing, dat men niet verstikkend vasthoudt aan plichtplegingen en formaliteiten. Natuurlijk is er een chain-of-command en vanzelfsprekend gelden er gewone omgangsvormen. Maar zonder ook maar enige wurgende houdgreep van voorgeschreven regels van een oubollig geloof. En dat is niet eens correct uitgedrukt, want hoewel ik gelovige mensen vaak niet kan begrijpen, is het niet het geloof dat me stoort, wel de hypocriete wijze waarop dat geloof echtheid maskeert en als excuus moet dienen om zelf niet na te moeten denken. Geen wonder toch dat er zoveel duivels volk te vinden is, die kortzichtige interpretatie van geloof creëert volgens mij vooral frustraties.
Mieke Van Hecke had het nog even over uniformscholen. De voor- en tegens van uniformen op school – of, in iets bredere zin, opgelegde kledingvoorschriften – zijn bekend genoeg. En toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat het ook hier enkel een vormelijk argument betreft, de overtuiging dat uniformen een soort fatsoen uitstralen die we blijkbaar moeten linken aan gelovigheid. Ook dat interpreteer ik als een superioriteitsgevoel. Als uniformen een soort mentaliteit moeten stimuleren, vraag ik me nog altijd af welke en waarom dat in onze samenleving niet te merken is. Meer zelfs, hoeveel creatieve en vooruitstrevende mensen kijken niet met veel bitterheid terug op hun uniformschool?
Met dat fatsoen neem ik overigens een term in de mond die ik eerder negatief opvat. Ik associeer fatsoen nog te vaak met afkeuring van wat anders is. Ooit noemde ik een schooldirectrice op deze blog als ’stijfstaand van fatsoen’. Toen ze dat vernam en daar haar beklag over deed, had ze daar zelf ‘kakmadam’ van gemaakt. Dat had ik niet gezegd, het was haar eigen interpretatie. Maar ik ben dus niet de enige die het woord fatsoen eerder negatief beschouwt. Fatsoenlijkheid gaat er immers van uit dat de norm van welvoeglijkheid vastligt, maar dat is nu net niet zo. Maar opnieuw wijken we af.
Laat me concluderen dat ik me bijzonder goed voel in het stedelijk onderwijs en ik overtuigd ben van alles waar het voor staat. Ik geloof in de pedagogische omkadering en de professionaliteit van de mensen die er aan mee werken, zonder dat van hen gevraagd wordt te voldoen aan een uit de lucht gegrepen norm van wat toelaatbaar is.
En het spreekt vanzelf dat mijn school de beste is, ha!
Het einde van het schooljaar lijk ik iedere keer weer een beetje op een andere planeet door te brengen. Fysiek zeker, want ik zit zowat de hele dag ofwel op school ofwel op één of ander feestje. Zo zat ik uren te vergaderen, te rapporteren of te oudercontacten, en waren er aan de andere kant de vele gelegenheden om het glas te heffen. Met je collega’s wat gaan eten om wat druk van de ketel te halen, naar een lentefeest van een leerling, een pensioenfeest dat uit twee gedeeltes bestond, het traditionele teametentje waarmee we het schooljaar afsluiten, een picknick met de ouders, het schoolfeest, het uitwuiffeest, een proclamatie van onze zesdejaars (mét receptie), … Ik dronk de afgelopen weken dus liters cava en nam talloze hapjes tot me (en toch heb ik stellig de indruk dat ik wat kilo’s kwijt ben). Thuis staat mijn televisie dan werkloos te wezen, zucht een torenhoge afwas me toe en verkondigt de koelkast zoemend een grote leegte. Ik raak niet bij de kapper en al helemaal niet in de bioscoop, voel elke dag meer stress om die niet ingevulde belastingbrief en kom zelfs niet aan het oppompen van mijn fietsbanden toe. Haaltertse oma’s turen wanhopig uit het raam en baby’s van vrienden worden kleuters zonder dat ik daar ook maar iets van merk. Meer dan ooit beslaat mijn werk en alle bijhorende pret mijn bestaan, maar voor even is dat niet zo erg.
Maar ook psychisch vertoeft een mens in zo’n periode even ergens anders. Collega’s kondigen hun vertrek of pensioen aan en soms is dat wat te betreuren. Nieuwe collega’s worden voorgesteld. Het leven is weer een beetje een soapserie: personages komen en gaan. En dan zijn er de leerlingen: twee jaar zie je ze groeien, letterlijk en figuurlijk, en dan laat je ze gaan, met een spijt dat zij grotendeels uit je leven verdwijnen maar vooral met een verpletterende besef dat moeilijk te beschrijven valt: zij beginnen aan een nieuwe fase van hun leven en deze tijd zal ooit heel erg ver achter hen liggen, terwijl ik gewoon doorga met hetzelfde en dit moment nooit zo ver achter mij zal liggen als voor hen. Je wordt in de bloemetjes gezet, maar vervaagt intussen tot een herinnering.
Maar je krijgt lieve briefjes en mooie, hartelijke mailtjes en oprechte geschenken, de appreciatie bereikt een summum en soms is het eigenlijk allemaal wat veel en op korte tijd. Ik vrees daardoor bij momenten zelfs de waarde van veel van die gebaren niet hoog genoeg in te schatten. Zo bood mijn klasje me een kunstwerkje aan dat me wat uit het lood sloeg waardoor ik wat onwennig reageerde. Pas de volgende dag werd het voor mij een concreet voorwerp dat ik met het groepje van 9 kan associëren en dus kan beginnen koesteren.
Maar die knop omdraaien lukt wel hoor. Ik snak eerst en vooral naar film. Ik kan nog enkele dagen meepikken van het Brusselse Filmfestival, beleef zaterdag zowat een eigen filmfestival dankzij dit evenement en ga een filmcollege volgen om mijn klassiekers op peil te brengen. Fictie als tegengewicht voor al die realiteit van de voorbije weken. En o ja, ik plan ook een Haaltertse tournee om wat volk terug te zien dat ik tegenwoordig alleen nog op Facebook hoor of zie – hou die voordeur in de gaten. Back to earth.
Ik lees op Melancholia dat een Britse psycholoog met een zelfontwikkelde formule heeft bepaald dat vrijdag 19 juni de dag is waarop men het gelukkigst of vrolijkst is. De schommelingen in mijn humeur zijn eigenlijk al beperkt of kortstondig en ik verkeer dus in een haast continuë staat van wat men minstens tevredenheid kan noemen, maar om de theorie van Dr. Arnall toch eens te controleren, hou ik even de loep boven mijn 19e juni:
Zonder een specifieke gebeurtenis van die dag al nader te bekijken, kan ik al enkele algemene elementen vatten die mijn humeur ten goede komen. Een dag eerder eindigde de toetsenperiode van mijn leerlingen, de verbeteringen en rapporten vorderen gestaag, de druk is dus wat van de ketel. Bovendien nadert de vakantie en is het mooi weer. De basis zit dus snor. Geluk zit hem wel in meer dan het werk alleen, maar mijn werk maakt mij alleszins al heel gelukkig.
Ontwaken met een goede herinnering aan de dag ervoor, is ook al positief. Donderdag was er de première van de nieuwe Vlaamse film Meisjes en dat was een meer dan geslaagde film. De acteerprestaties van Marilou Mermans en Jan Van Looveren zijn enigszins memorabel en de tragiek van de film heeft indruk gemaakt. Minpunt van dat opstaan is dat het vandaag een stuk vroeger is dan anders. Op vrijdag heb ik toezicht duty en omdat alle Gentse crèches en opvangmoeders vandaag staken, moet ik veel eerder dan gewoonlijk op school zijn om ook de halfachtse kleutertjes al opvang te bieden. Toch heeft dat weinig invloed op mijn humeur, want er staan veel leuke dingen op het programma vandaag.
Het is mooi weer en ik jaag het opvanggebroed dus naar buiten. Een rustgevende start van de dag dus, want er is niet veel volk. De eerste twee lesuren verlopen daarna wat wanordelijk omdat de leerlingen niet echt meer een taak hebben, maar we hebben het naar onze zin. De eeuwig creatieve Robbe, nog minder dan twee weken één van mijn leerlingen, zorgt voor een klein hoogtepunt: hij heeft voor zijn klasgenoten sleutelhangers gemaakt en ook voor mij is er een bijzonder cadeautje. Twee afstuderende pinguins, de ene wat groter dan de andere. ‘Dat zijn jij en ik’, zegt Robbe, ‘een herinnering voor jou’.
Kwart over negen en nu al ontroerd.
Om half elf is er een dip: het zwembad laat ons weten dat ook de redders staken en mijn klas dus niet kan zwemmen. Dat is vooral teleurstellend omdat ik voor deze laatste zwemles overtuigd werd om zelf mee te gaan zwemmen. Het zit er niet in, een iets minder sensationele turnles komt in de plaats, waardoor ik nog een drie kwartier klasvrij ben. Tja, ook positief eigenlijk.
Tijdens de middagpauze smaken mijn boterhammen mij weer wonderbaarlijk goed. Ik lijk vaak aan mijn middageten te beginnen alsof ik in geen weken brood heb gegeten. Daarna volgen twee minder vrolijke situaties: ik verlies een spelletje waartoe collega Lynn mij wist te verleiden (hoewel ik tot de laatste ronde op kop stond!) en de toezichters zijn niet te spreken over het gedrag van enkele van mijn leerlingen. Ik moet daar dan over zagen en dat doe ik niet graag.
In de namiddag stellen twee leerlingen een project voor en dat loopt gesmeerd. Héhé, wat zijn we weer geslaagd in onze job. In de nabespreking over rechtbanken en rechtszaken, leg ik uit dat men bij een aanklacht zowel gunstige als ongunstige getuigen kan oproepen en dat die dus mee het oordeel van de jury bepalen. ‘Als jij dus zou terechtstaan voor een moord,’ stel ik de niet altijd goedgezinde Diede voor, ‘kan ik komen getuigen voor jou.’ Er komt snel een reactie: ‘Als ik zou een moord gepleegd hebben, zou jij niet meer kunnen getuigen hoor’. Alertheid bij 12-jarigen en wat zien ze hun meester graag. Maar verder maakt deze opmerking mij eigenlijk niet vrolijker of droeviger en speelt ze dus geen rol bij het opnemen van de geluksstand. Enkel ter verhoging van de anekdotiek dus.
Dan volgt een min of meer grote schoonmaak van de klas. Voor wie zich zuchtend afvraagt of wij nu echt nog anderhalve week gaan niksen, absoluut niet, we gaan zelfs nog werken. Maar het verhindert ons niet wat orde op zaken te stellen in papierwerk en kasten, en dat creëert eigenlijk ook veel rust in mijn hoofd. Gezien er nog een hectische week volgt, is dat dus ook zeer positief. Ik merk trouwens op dat het zonnebloemzaadje dat Mo me amper anderhalve week eerder liet planten in de klas, schijnbaar vanuit het niets al een echt plantje is. Dat is op zich al even doodnormaal als wonderbaarlijk, weer is er zo’n aangename scheut van blijdschap dat mijn leerlingen zo vaak met de juiste dingen bezig zijn. Jaja, schoolmeesterachtige praat enzo maar u hebt dan ook geen prachtjob als de mijne.
Een vrijdagse schooldag wordt traditioneel afgesloten met een afterschooldrink. Zelfs al doen we dat haast iedere week, het zijn vaak momenten om te koesteren. Perfect dus voor de gelukkigste dag van het jaar, alleen moet ik deze week eens overslaan. De ouders van mijn klas hebben een picknick georganiseerd en dat voelt toch een beetje als werken aan. Maar wat blijkt dat, zoals trouwens altijd, weer formidabel mee te vallen. Er is zon en wijn, gezellig gekeuvel en ik word ook nog eens in de bloemetjes gezet met een geschenkje van de ouders. Tja, dit is toch een prima dagje alweer.
En hij is nog niet afgelopen. Na de picknick haast ik me naar een etentje met een tiental Freinetmensen. Leerkrachten dus ook, maar vooral ook mensen die ik eigenlijk allemaal nog niet echt goed ken want we zien elkaar vooral op vergaderingen. Dat er over het onderwijs gepraat wordt, vinden we niet erg. Maar er wordt ook veel gelachen en ik durf het zelfs aan vegetarisch te eten! Dat het bruine goedje dat tussen mijn groenten zit, achteraf peperkoek blijkt te zijn en ik die combinatie niet eens onsmakelijk vond, vind ik een kleine stap voorwaarts voor een moeilijke eter als ik.
Deze avond, die behoorlijk lang duurt, bevalt me ook omdat ik twee vaststellingen doe tussen het kletsen door: dit zijn allemaal erg fijne mensen en ik blijf mezelf toch applaus geven om steeds verdraagzamer en positiever te worden tegenover anderen en vooral mensen die ik niet ken en dan zeker mensen die ik ooit onuitstaanbaar vond. Daarnaast moet ik in alle onbescheidenheid ook vaststellen dat ik sociaal sterk sta. Ik luister geïnteresseerd en praat verstandig mee, ik discussieer en overtuig. Bijna een echte grote mens! Deze vaststelling klinkt misschien wat vreemd of onbevattelijk, maar ik houd me voor dat mensen het eigenlijk af en toe nodig hebben buiten hun kring van intimi te stappen en met behulp van neutrale buitenstaanders eens te peilen naar welke indruk je maakt. Niet dat ik mijn tafelgenoten na afloop een enqûete voorschotel, maar in se zijn we volgens mij allemaal onzeker of angstig en je moet het soms gewoon aandurven jezelf even te scannen wat het functioneren in minder vertrouwde situaties. Achteraf voel je je verrijkt en heb je eigenlijk ook wat kleine grenzen verlegd – tot zover de slotzin van mijn zelfhulpboek. Nee, maar zonder te willen overschatten hoor, maar is het niet normaal dat de avond doorbrengen met minder vertrouwde mensen, met een zekere onbehaaglijkheid gepaard gaat?
Dan is het middernacht en 19 juni is voorbij. De balans is zeer positief en het vooruitzicht van een goedgevulde en alweer zeer sociale zaterdag, gooit nog meer gewicht in de schaal. Toch ik Dr. Arnall’s theorie niet meteen als dogma aannemen. Dit was nu ook weer niet zo een heel andere dag dan de meeste. Wat drukker en met enkele mooie momenten die niet iedere dag voorkomen, maar in zijn geheel genomen toch een dag die even vlot en aangenaam verloopt als de meeste andere dagen. Laat dus ook die 20e juni maar komen, en al die andere, ik raas er door met een brede grijns.
Vandaag is het, zelfs al is het zondag, dag van de leerkracht. Mijn collega’s en ik werden daarvoor vrijdag al flink in de bloemetjes en de taarten gezet.
Ja, die bloem ziet er verdacht gephotoshopt uit, maar ze is wel degelijk echt. Mijn leerlingen boden me verder allerlei zelfgemaakte cadeautjes aan (tot zelfs een versgeperst fruitsapje) en nadien trakteerden de ouders ons op een schitterend dessertbuffet. De doorsnee postbode of hartchirurg zie ik het nog niet overkomen. Leve mezelf!
Deze week deed een nieuwe leerling zijn intrede in mijn klas. Dat is eerder uitzonderlijk in het zesde leerjaar en vooral wanneer het schooljaar al enkele weken bezig is. Maar wat nieuw is, biedt altijd nieuwe mogelijkheden en kansen en dus was het klasje best opgetogen met een nieuwe klasgenoot. Dat het een jongen was, vonden we allemaal een opluchting, want met een verhouding van 12 tegenover 6 waren (en blijven) de meisjes flink in de meerderheid.
Dat het een rustige, bescheiden, vriendelijke, betrokken jongen was, vond iedereen nog veel meer meevallen. De kennismaking met al die Freinettechnieken betekende een grote drempel, maar ze stonden te drummen om hem er over heen te helpen. Na één speeltijd observeren, kon ik al gerust zijn: de nieuweling was in goede handen. Dan word je een trotse leerkracht, hoor. Je ziet een hoop individuutjes stilaan een nieuwe groep vormen (we werken met een graadssysteem, dus de samenstelling is elk jaar min of meer nieuw), hun gezamenlijke inzet voor de nieuwe leerling als bindmiddel. Net wat we nodig hadden.
De spontaniteit van mijn leerlingen en de vanzelfsprekendheid waarmee ze een nieuweling in hun rangen opnamen, vond ik op zijn minst opmerkelijk, aandoenlijk ook. En het kwam van twee kanten. Na één dag al liet E. zijn tevredenheid blijken. Vandaag postte hij spontaan zijn eerste artikel op de klasblog:
Ik ben nog maar een week op de school en ik vind het nu al keitof.
Het is gelijk alsof ik al een jaar op school zit.
E.
Mission accomplished. Iedereen gelukkig, ook de meester, toch een beetje ontroerd om al die pure karakters. Meteen een stukje minder doodop, zalige job heb ik.
En… start! Gedaan met profiteren, gedaan met twee maand nietsen, de eerste schooldag maakt dat ik weer een volwaardig lid ben van de samenleving dat zijn dagelijkse boterham gaat verdienen.
Hoewel ik de voorbije weken ernstig en met graagte aan de voorbereiding van dit nieuwe schooljaar heb gewerkt, is deze eerste week toch een beetje een hindernis – lees: ik zie er een héél klein beetje tegenop. Er is veel werk. Héél veel werk, ‘t is maar dat u het weet. En dan is er nog die belangrijke verjaardag binnen enkele dagen, dat filmfestival, die overvolle agenda, de broer die zijn laatste weken in België doorbrengt, de aankomende tv-verschijning, … Na weken rust, kalmte en tijd, lijkt het universum naar compensatie te streven door me een massaal kopzorgen en slapeloze nachten te willen bezorgen. Maar ik laat me niet kennen.
Een mooie start gewenst ook aan al die leerkrachten in de vriendenkring.
Vandaag werd de leerkracht van het jaar bekend gemaakt. Ook ik was genomineerd en hoewel ik vermoed dat dit stukje geenszins interessant zal zijn voor de meeste lezers, wil ik toch even terugkijken op het evenement dat hierrond georganiseerd werd, deze namiddag in Brussel. Structureel wil ik dit stukje echter simpel houden, ik hou het gewoon bij enkele vermeldingen en bedenkingen.
*Ik had geenszins de verwachting als winnaar uit de bus te komen, omdat ik mijn job eigenlijk niet op echt opmerkelijke wijze uitvoer. Maar op de bijeenkomst zou je ook te horen krijgen wie je genomineerd had en waarom. In de aanloop daarvan werden doorheen de ceremonie nu en dan enkele leerkrachten in de spotlights gezet en werden brieven van leerlingen, ouders en collega’s voorgelezen en dus was het ergens een beetje spannend op welke wijze iedereen aan bod zou komen. Ik kan tevreden zijn. Niet iedereen kreeg aandacht, daarvoor was er wel wat veel volk, maar ik mocht en plein public toch aanhoren waarom mijn leerlingen mij genomineerd hadden. Er werd een stukje voorgelezen uit hun brief. Mijn collega’s hadden het moeten zien. Ik werd bloedrood en was verstomd. Mij hadden ze niet moeten laten winnen, ik zou geheel sprakeloos zijn. Daar gaat je imago van grote bek en aandachtstrekker. Natuurlijk had ik ook graag een volledige ode aanhoord, zoals sommige genomineerden, maar laat ons nu toch blij zijn met minder ook.
*Ik stelde al eerder vast dat er echt wel leerkrachten in alle soorten en maten bestaan. Ook nu werd dat bevestigd. Oud en jong, man en vrouw, klassiek en hip, sportief en truttig, mastellen en bretellen. Interessant eigenlijk en voor mij toch een lichte bijstelling van het vastgeroeste vooroordeel dat leerkrachten met een onopvallende persoonlijkheid geen goede lesgevers zouden zijn. De verhalen die naar voor gebracht werden getuigden allemaal van veel inzet en liefde voor het vak. Maar goed, ik zag ook juffen die mij aan brave catecheselessen en netjes in de rij staan deden denken.
*De genomineerden werden voorgedragen door leerlingen, ouders van leerlingen, collega’s, directies, oud-leerlingen, partners, eigen kinderen en, in het geval van de winnaar, zelfs door de eigen ouders. Frappante verhalen ook: een leerkracht die tussen de chemo’s door even komt les geven, heel wat pregepensioneerden, waaronder een 64-jarige hekkensluiter, een dochter die haar ontroerde moeder prijst, een man die zijn lesgevende vrouw eert, … Aangrijpend was de nominatie van een directrice in wiens school een kleuter om het leven kwam in de klas. Haar hele team én de ouders van het jongetje hadden de brief ondertekend omwille van haar moed en daadkracht tijdens de moeilijke periode. Tragisch maar hartverwarmend.
*Shocking! Er werd melding gemaakt van een leerkracht die van haar directrice niet aanwezig mocht zijn op de uitreiking. Het kon niet toegestaan worden dat één leerkracht van het team aldus boven de anderen zou gesteld worden. Triestig. Heksen bestaan nog. En heel wat leerkrachten hadden op school niet verteld dat ze genomineerd werden, uit schrik voor jaloerse of negatieve reacties van leerkrachten… Terwijl ik er bij ons op school op getrakteerd heb! Wat een verschil.
*Enkele personality’s kwamen mee lof zwaaien. De winnares van vorig jaar, journalist Farouk Ozgünes, kinderrechtencommissaris Ankie Vandekerckhove en Minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke zelf natuurlijk. Vandekerckhove mocht even over haar eigen lagere-schooltijd vertellen, en deed dat met een pracht van een verwijzing die mij goed van pas komt in een volgend artikel.
*We werden ook een beetje verwend. Een goodie-bag waar echt niet alleen maar brol in zat, maar leuke en lekkere hebbedingetjes, waaronder een door het Ministerie van Landbouw en Visserij geschonken bakje aardbeien.
*En dan de winnaar. Het kon vermoed worden dat een man zou winnen. Centraal in heel wat onderwijsdiscussies staat het gebrek aan mannelijke leerkrachten. Dat het dan promotiegewijs beter een 25-jarige is dan een 45-jarige, is aannemelijk. Eerst werd de laureaat uitvoerig beschreven, wat het grappige effect had dat enkel de winnaar zelf al wist dat het over hem ging. We waren ook te weten gekomen dat de persoon die voor de nominatie gezorgd had, intussen opgehaald was om zelf de prijs te overhandigen. Dat bleken dus de (eigen) ouders te zijn, de collega’s, de leerlingen én de ouders van de leerlingen te zijn van de winnaar. Zij kwamen zingend (een variant op een liedje van Frans Bauer, godbetert) en getooid in T-shirts met de afbeelding van hun favoriete leerkracht, binnen en wisten zelf nog niet dat hun meester de winnaar was. Toen de jongeman op het podium betrad, kreeg hij een warm applaus van de hele zaal. Op dat moment heerste er een oprechte sfeer waarin iedereen het eens leek te zijn dat deze leerkracht het verdiend had en zijn hele beroepsgroep echt een heel jaar mocht vertegenwoordigen. We applaudiseerden dus evenzeer voor onszelf, terwijl we mee enthousiast waren om de verbazing en verwondering van de winnaar. Proficiat dus!
Toch verhindert mij dat niet, zoals gewoonlijk, een kritische kanttekening te maken. De titel ‘leerkracht van het jaar’ is een symbolische titel en dus staat de winaar symbool voor alle leerkrachten. In die zin vind ik het heel jammer dat de eer naar een zeer traditionele leerkracht ging. Beide ouders ook in het onderwijs, geeft les in de school waar zijn vader zelf les gaf, een klein dorpsschooltje (de burgemeester ontbrak nog net in de fanclub) waar hij als enige man aan het werk is en de status van de leerkracht aan het goddelijke grenst. Met zijn keurige kapsel en nette hemdje, voldoet de jongeman volkomen aan het stereotiepe beeld van een leerkracht.
Wil zo’n opmerking niet als frustratie of jaloezie zien, alsjeblieft zeg. Niet alleen mocht ik gedurende het aanhoren van al die lofvoeringen vaststellen dat ik echt nog wel een tandje mag bijsteken wil ik ooit zo’n titel waard zijn, ik was zoals net gezegd echt wel blij voor de winnaar. Maar het huidig onderwijs ziet er anders uit. We stappen af van tradities en klassieke methodes (hoewel ik natuurlijk niet weet hoe deze leerkracht voor de klas staat, daar werd niets over gezegd, maar zijn leerlingen zagen er behoorlijk dorps uit en dan koppel je daar niet automatisch nieuwe methodes bij) en de knelpunten van het onderwijs komen slechts in beperkte mate voor in een Limburgs dorpje. Het was trouwens opvallend hoe afwezig verwijzingen waren naar de miserabele werkomstandigheden van vele Brusselse leerkrachten, de taalproblematiek, de wachtlijsten en cultuurkloven. Misschien had Klasse toch voor een leerkracht moeten kiezen die elke dag met twee voeten in een keiharde realiteit staat? Een gemiste kans, die, afhankelijk van de media-aandacht die de winnaar te wachten staat, wel eens erg veel invloed zal kunnen hebben. Maar ja, er is een massaal tekort aan leerkrachten, dus het plaatje moet er positief uitzien. Eigenlijk raak ik tijdens het neerpennen van dit stukje dan toch een beetje geagiteerd. Was dit maar een schijnvertoning, een goed-nieuwsshow?
*Wel interessant natuurlijk, dat zo’n evenement een heel scala aan emoties en bedenkingen oproept. Puur vormelijk was dit dan ook prima opgezet spektakel, gevolgd door een leuke receptie. Frappant ook dat maar liefst zes andere genomineerden op één of andere manier bekenden waren – wat niet wil zeggen dat ik ze allemaal persoonlijk kende natuurlijk, maar ik wist wel wie ze waren. Is de onderwijswereld dan zo klein? Er was zelfs een Haaltertse juf!
*Goed, ik kan er nu dubbel en dik tegenaan. Met de wetenschap weliswaar dat ik nu nooit meer opnieuw zal genomineerd worden (hoe groot is die kans immers?), maar met een stevige bevestiging van mijn vaardigheden en een lintje dat ik morgen ongeneerd stoefend op school zal etaleren.
Ooit bedacht ik zelf een nieuw beroep: de synopsist. Inspiratie vond ik in het feit dat mijn huisgenoten, die net als ik allemaal graag naar televisie keken, zo af en toe het begin of zelfs een volledige aflevering misten van één van de vele series die bij ons gevolgd werden. Meestal vond ik het een klein kunstje te bepalen wat er precies gebeurd was. Met behulp van de tv-gids natuurlijk, maar uiteindelijk ook door gewoon erg goed te kijken en aldus snel te bepalen wie de personages waren en wat er tussen hen gebeurd was. Voor een doorsnee soap was dat niet zo’n probleem, maar daar werd bij ons zelden naar gekeken. Het ging hem echter vaak om afleveringen van (meestal) Britse en Amerikaanse series, waarbij telkens nieuwe verhaallijnen aan bod kwamen zodat je de aflevering toch wel van bij het begin diende te zien.
Later kwam het zelfs voor dat ik naar een programma begon te kijken dat ik eigenlijk zelf niet volgde, maar wel iemand anders bij ons thuis. Als mijn moeder dan, druk in de weer met één van haar vele hobby’s, na tien minuten kon beginnen kijken, schetste ik haar snel de situatie en richtte me weer tot mijn eigen bezigheden. Ik vond mezelf daar op den duur zo goed in, dat ik een gat in de markt zag: ‘een aflevering gemist van uw favoriete serie of te laat thuis om nog te kunnen volgen? Bel naar de synopsielijn en u kunt weer volgen.’
Ik stelde me dan voor dat ik een gezellige woonkamer zat met een stuk of vier tv-toestellen waarop voortdurend gezapt werd zodat ik alles tegelijk kon volgen. Van F.C. De Kampioenen en Poirot naar Medisch Centrum West of Neighbours. Ook films zou ik erbij nemen, want vaak zit essentiële informatie voor de plot, aan het begin van het verhaal. Mensen konden me dan opbellen om b.v. het volgende te aanhoren:
‘Inspector Morse is opgeroepen voor de diefstal van een kostbaar juweel uit de kluis van een Arabische walvisjager. De verdachten zijn de dochter van een concurrerende emir, een ontslagen secretaris met een allergie voor pruimenconfituur en de Hongaarse tangolerares. Aan het begin van de aflevering hebben we echter gezien dat de moeder van de walvisjager nogal nadrukkelijk de aankoop van het juweel afkeurde, dus niet verschieten als die er eigenlijk ook iets mee te maken heeft. Lewis kampt intussen met stinkvoeten.’
‘U hebt een hele week niet naar Mooi en Meedogenloos kunnen kijken? Sally Spectra heeft behoorlijk intens in de verte staan turen en Ridge en Brooke hebben elkaar hun liefde verklaard gedurende meerdere sessies van twintig minuten.’
‘De grap over de worst heeft betrekking op het beroep van de man met het ridicule accent. Dat is namelijk een worstendraaier. Niemand lust zijn worsten, maar de grap verwijst natuurlijk ook naar een dieperliggende betekenis van het woord ‘worst’. Die vijfendertigjarige griet achter de toog speelt de dochter van de cafébazin en we moeten dus veronderstellen dat ze 18 is. Op het einde zal alles op een misverstand blijken te berusten en die antiekhandelaar moet dan trakteren. W
at zegt u? Ah, u wou de afloop nog niet horen?’
‘Harold pleegt ontucht met Mrs. Mangel. Charlene struikelt over het nektapijt van Scott. De Turkse buurman wordt gestenigd door de Robinsons.’
Intussen zou mijn synopsielijn wel failliet zijn, vrees ik. Series worden alsmaar vaker op dvd bekeken, zijn beschikbaar op internet, samen met uitgebreide beschrijvingen van de plot en bovendien zou ik alsmaar minder vriendelijk uit de hoek komen na gehersenspoeld te zijn door jaren van slechte (Vlaamse) series.
‘Witse moet de moord op een landbouwer oplossen. Er zijn drie verdachten, allen te herkennen aan hun slechte acteerprestatie omdat het maar gastacteurs zijn: de echtgenote, de broer en de buurman van de landbouwer. Doch, er is zoals altijd ook één betrokkene die niet verdacht is omdat die een alibi heeft of goed kan liegen en die blijkt dan op het eind toch de dader. Ik vermoed dat dat de zoon van de boer is. Veel plezier nog.’
‘
Die rosse wil meedoen aan het commissarisexamen maar steeds als haar baas naast haar staat wordt ze opgebeld door de school van haar lastige kind, zodat we duidelijk aanvoelen dat ze gezin en werk niet kan combineren. Die homo van wie niet duidelijk is of hij nu grijs is omdat hij de veertig voorbij is of omdat hij er hip wil uitzien, wil ook commissaris worden maar hun vriendschap en collegialiteit zal daar niet onder leiden. Dat kon je weten doordat hij zei: ‘Onze vriendschap en collegialiteit zal hier niet onder leiden’. Verder is er een moordzaak met enkele verdachten, waarvan dan zoals gewoonlijk zal blijken dat die allemaal onschuldig zijn en de dader iemand is die vooraf niets met de zaak te maken leek te hebben. U kent dat intussen wel. Hier is het moeilijker om de gastacteurs van de vaste castleden te onderscheiden, want iedereen acteert even beroerd. Nog een gezellige avond gewenst.’
‘Cois heeft een hele litannie afgestoken, maar daar deze informatie is helaas niet beschikbaar wegens het gebrek aan Nederlandse woorden in de dialoog. We konden enkel nog ‘tes allemoal iet’ ontcijferen. Die in die rolstoel is weer eens ongelukkig want we moeten niet denken dat dat gemakkelijk is, in een rolstoel zitten. Die lesbische dokter wil een kind en heeft zopas in een uiterst educatieve en duidelijk door specialisten opgestelde monoloog uitgelegd hoe kunstmatige inseminatie werkt, zodat we ook nog eens iets bijleren.’
‘Die troela die echt doorleefd acteert dat ze niet door heeft dat ze zich eigenlijk gewoon eens goed moet wassen, is het slavinnetje van een modebedrijf waar iedereen mooi en hip is, behalve zij. Binnen tweehonderd afleveringen is ze mooi en hebt u een lezersbrief naar Dag Allemaal geschreven waarin u verklaart dat ‘Sara het schoonste is dat ooit op tv getoond is en het mag noooooooit stoppen want het is eindelijk nog eens een goeie serie en proficiat aan de vtm en Ben Crabbé kan de pot op’. Op het werk praat u met uw collega’s over de Simon, ‘ne smeerlap maar toch ne schone vent’, vraagt u zich af of u dit weekend de gebouwen van Présence eens zult gaan zoeken ‘om dat toch eens in het echt te zien’ en belt u naar de kuisvrouw van de nonkel van de buren van Kurt Rogiers of die ‘niet weet wanneer Sara schoon gaat worden?’. Maar waarom belt u eigenlijk? VTM zendt op zondag toch een zeven uur durende samenvatting uit waar u nog een keer naar kijkt zelfs al hebt u al de hele week gekeken? Geniet nog van uw avond en succes met de lobotomie.’
Wat denkt u? Een gat in de markt en een gegarandeerd succes?
Ja, alweer onderwijsnieuws, maar dit keer toch absoluut het vermelden waard. Het tijdschrift Klasse maakte immers zopas de nominaties bekend voor ‘leerkracht van het jaar’ en één van de 200 gelukkigen -uit heel Vlaanderen dus – … ben ik!
Ben absoluut vereerd, al kan ik me inbeelden dat dit de meeste andere mensen niet zoveel zegt. Om genomineerd te worden, moest iemand (een ouder, leerling of collega) je voordragen met een motivatie. Wie die voordrager is, weet ik op dit moment nog niet, maar ik heb nogal wat aanbiddende leerlingen moet ik in alle onbescheidenheid opmerken, dus ik vermoed dat daar iemand tussenzit die mij eens in de bloemetjes wou zetten.
Dat dit in dezelfde week gebeurt dat een inspectieteam de school feliciteert voor zijn inspanningen en je ook via andere kanalen bevestigd wordt in het vermoeden dat je op een erg goede school werkt, maakt het toch allemaal nog mooier. Mijn collega’s zullen me morgen weer flink in toom moeten houden. En een stoel bijzetten voor mijn ego. De brief met uitnodiging werpt op dat ‘vrees of bescheidenheid u misschien tegenhoudt aanwezig te zijn.’ Ze kennen mij nog niet bij Klasse.
Maar kom, in alle ernst, dit is eens te meer een bevestiging dat ik het juiste beroep heb gekozen. Straks kan ik nog van een echte carrière spreken…
Rob Vanoudenhoven is ‘het’ een beetje kwijt, kunnen we wel zeggen. Ik ben nooit fan geweest van deze naar mijn mening iets te overschatte leukaard, maar sinds ik vorige maand zelf mocht ondervinden hoe hard de man aan zijn nieuwe programma werkt, reageer ik wat voorzichtiger.
Rob moet een intelligente kerel zijn. Hij heeft immers begrepen dat Tijd is Geld, het op stapel staande spelletje dat hij voor VTM ontwikkelt, niet meteen het beste televisieprogramma zal zijn dat er ooit gemaakt is. De kandidatenwerving verloopt immers via een meer dan bescheiden, noem het zelfs eerlijke oproep. Rob vraagt namelijk wie er wil deelnemen aan zijn ‘nieuw en redelijk tof spelprogramma?’. Kwestie van de verwachtingen maar meteen heel laag te houden.
Wellicht is dit humoristisch bedoeld, maar de meeste kranten die de oproep publiceerden, haalden de uitspraak uit de context, waardoor we eigenlijk echt de indruk krijgen dat Rob zelf ook niet al te enthousiast is. En dat is ook zeer aannemelijk. Niet alleen serveert VTM ons de laatste jaren nog veel bedroevendere troep dan vroeger, waardoor we er maar al meteen vanuit gaan dat Tijd is Geld echt niets wordt. Alweer zo’n panelquizje waarin alle aan VTM verbonden BV’s even komen zetelen omdat ze dat contractueel verplicht zijn, zeg maar.
Maar daarnaast mocht ik zelf even een blik achter de schermen werpen van dit programma, toen het nog in de prenatale fase zat. En hoe gemeend en ernstig Rob Vanoudenhoven ook aan dit programma leek te willen werken, hij leek me niet meteen omringd door grote lichten of creatieve vernieuwers. Dat laat me nog meer vermoeden dat dit spelletje, waarin de deelnemers tijd kunnen winnen die ze met een BV mogen doorbrengen (de BV speelt tegen hen om net minder tijd met zijn fan te moeten doorbrengen), weinig opmerkelijke televisie zal opleveren.
Spijtig van de welgemeendheid en ernst waarmee zulke programma’s misschien wel gemaakt worden, maar ik ben telkens weer heel blij dat ik zo’n nuttige job heb en niet moet tot het besef komen dat nog voor het eindresultaat er is, het eigenlijk niets zal worden. Wie zijn toch al die mensen die zo graag in de media willen werken om daar van middelmatigheid en idiotie hun levensdoel te maken?
Wil u deelnemen? E-mail naar rob@vtm.be of schrijf naar VTM-Rob – Postbus 111 – 1800 Vilvoorde.
Ik was vijf dagen op zeeklas. Geen internet. Geen mails. Geen krant. Geen televisie. Geen radio. Geen nieuws. Geen stress.
Bizar, maar door de focus die je taak op zo’n activiteit vereist, kom je er gewoonweg niet aan toe zelfs maar aan iets anders te denken dan je werk. Dat mag dan al vreselijk klinken, maar alle andere stresserende elementen ontbreken eveneens. Je moet geen boodschappen doen of nadenken over het eten. Je moet geen tien bezigheden combineren. Je moet geen bus of trein halen. Je moet geen vuilnis buiten zetten. Je bent je eigen baas. Dat wil zeggen dat de afgelopen week me wel degelijk ontspannen heeft, al ben ik wel doodop. Hoe contrasterend dus: hoe meer je opgaat in je werk, hoe minder kopzorgen?
De media berichtten vandaag uitgebreid over een groot probleem: steeds meer schooldirecteurs houden hun job voor bekeken. De hoge werkdruk, het niet echt in verhouding staande loon en de foute verwachtingen van directeurs tegenover hun job, worden als belangrijkste oorzaken genoemd.
Alsof hij dit prangende probleem wilde illustreren, en alweer door een bittere speling van het toeval, kondigde onze directeur net vandaag zijn vertrek aan. Dit leek vanuit het niets te komen, en de voornaamste, iets complexere reden zou in dit geval de grote tegenstelling zijn tussen de diverse rollen die een directeur dient te vervullen tegenover al die verschillende publieksgroepen. En dat begrijp ik wel. Meer zelfs, ik kan geen enkele reden bedenken waarom iemand wel nog directeur zou worden.
Net nu het personeelstekort in de Belgische gevangen zo’n veelbesproken onderwerp is, vertelt de ooit wereldberoemde zangeres Conny Fabry in het weekblad Story hoe ze tegenwoordig haar brood verdient. Niet meer met het brengen van smakeloze covers, maar als cipier in de gevangenis. Heeft nog niemand ingezien dat daarmee twee nationale problemen in één klap opgelost kunnen worden? Vlaanderen loopt immers vol met artiesten die steen en been klagen omdat de platenverkoop niets meer voorstelt en ze maar geen plaatsje in Tien om te zien kunnen krijgen. Wel, dames en heren, zoek uw heil in het gevangeniswezen, waar men dringend werkvolk nodig heeft. Als Conny Fabry dat kan, moet het niet zo moeilijk zijn, toch? Dus Mevrouw Onckelinckx, zoekt u even de telefoonnummers op van Danny Fabry, Salim Seghers, Sandra Kim, Peter Evrard, Phil Kevin, Bart Kaell, Lisa Del Bo, Yves Seghers, Patrick Onzia, de dames van Def Dames Dope, Jimmy Frey, Betty, Johnny White, Alana Dante, Samantha, Tony Servi, Frank Valentino, Patrick en Carina en Wim Ravell, en uw probleem is opgelost.
Of de gevangenen niet meer gaan ontsnappen, is natuurlijk niet gegarandeerd. De cipiers moeten immers wel hun mond houden tijdens het werk.
Vandaag verschenen in de media de conclusies van een onderzoek van het VBO (Verbond van Belgische Ondernemingen). Daaruit blijkt dat de meeste jongeren verre van perfecte werknemers zijn. Ze zouden talenkennis, zelfkennis, inzet en doorzettingsvermogen missen. Dat zou geen al te groot struikelblok zijn, mochten de meeste jongeren niet net denken dat ze goed voorbereid zijn op een professionele toekomst, wanneer ze de schoolbanken verlaten.

442 ondernemingen en managers deden mee aan het onderzoek. Dat zijn toch heel wat getuigenissen. Mijn eigenste moeder was daar niet bij, maar zal zich ongetwijfeld kunnen vinden in de resultaten. Vooral zwakke spelling, manke communicatievaardigheden en een al te grote gemakzucht, blijken veel jonge werknemers in haar werkomgeving te typeren, met de nodige ergernissen tot gevolg.(Op de foto twee kassiersters die de nodige maturiteit missen)
Hervorming lerarenopleiding: meer praktijk, meer inhoud en kwaliteit, betere begeleiding, meer samenwerking
Vanaf volgend schooljaar zullen alle stages van studenten lerarenopleiding begeleid worden door mentoren. Ook zullen alle nieuwe leraars in het onderwijs aanvangsbegeleiding krijgen. Met de hervorming worden nog twee soorten lerarenopleidingen onderscheiden: de geïntegreerde lerarenopleiding (de 3-jarige opleidingen tot kleuterleider, onderwijzer of regent) en de specifieke lerarenopleiding (bestemd voor studenten die al een diploma behaald hebben in hoger of volwassenenonderwijs). Voor meer informatie en het decreet verwijzen we naar de website van het Ministerie van Onderwijs. Lees ook het artikel “Toekomstige leraars hebben veel stages gedaan” bij DS Online.
(bron: edublogs.be)
Krijgen we dan betere leerkrachten? In het middelbaar onderwijs wellicht wel. Regenten-in-spe zullen twee vakken in plaats van drie vakken moeten kiezen. Er zal dus meer tijd over zijn voor pedagogische vorming – hebben we niet allemaal vreselijke herinneringen aan het soort leerkrachten dat liever met de bordveger smeet dan de leerstof toe te lichten?
In het lager onderwijs zal de nadruk op stage enerzijds sneller uitmaken welke mensen niet geschikt zijn, en studenten zelf sneller laten ondervinden of lesgeven wel iets voor hen is. Anderzijds heeft het beklemtonen van de praktijk ook tot gevolg dat de echte ‘kennis’ achteruit gaat en de leerkracht theoretisch weinig onderlegd zal zijn. En heeft men al eens gedacht wáár al die studenten gaan stage doen? Zowat elke leerkracht heeft ieder jaar al minstens één stagiair in zijn klas! En dat is niet altijd even leuk.
U zei?