On the Road (8)

31 07 2010

Amai Sven, jij schrijft er nogal op los. Zo’n lange teksten! Met zo veel details!

Inderdaad, dit reisverslag blijft aanslepen en het vraagt tijd van de geïnteresseerde lezer. Maar wie écht geïnteresseerd is, maakt daar toch gewoon tijd voor? Ik ga dus lekker door met een uitgebreide beschrijving van mijn trip en wie dat niet ziet zitten, neem ik geenszins wat kwalijk.

In Vermont lijken de mensen in speelgoedhuisjes te wonen. Het zijn stuk voor stuk aantrekkelijke verzorgde woningen, pittoresk tot en met. Dat het vandaag iets minder warm is, zorgt eigenlijk voor een passende sfeer: dit landschap is wellicht zelfs het mooist in de herfst en is in de winter een trekplaats voor skiërs. Het zijn geen typische dorpjes: de huizen liggen vooral langs één lange weg die zich doorheen de bergen slingert. Er is weinig sprake van een echt centrum. Wij houden halt in het dorp Stowe, aan de Riverside Inn, een guesthouse dat vannacht volledig ter onze beschikking staat. We zijn meteen dol op dit grote, prachtig gelegen huis waarvan de typische Amerikaanse rustieke stijl eindelijk eens tot zijn recht komt. Ons verblijf is omringd door bossen en er achter stroomt een idyllisch riviertje met een passend brugje. Wat een schril contrast met de steden die we de voorbije week bezocht hebben.

In de uren voor het eten profiteren we van de omgeving. De eigenaars, het Britse koppel Julian en Kay, bieden ons een hoop fietsen aan en we maken een klein tochtje. De stilte en leegte, de natuurpracht,  zijn welgekomen. Iedereen toont al snel wat spijt dat we hier morgen alweer moeten vertrekken.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Peter’s voorstel om fajita’s te maken, maakt mij iets minder enthousiast en ik participeer niet al te sterk in het koken. Ik zorg dan maar voor een verzorgde eettafel. Ik besluit ook de wijn die ik in Ithaca kocht, te openen. Jammer genoeg zullen we met één fles niet iedereen kunnen bedienen, maar ik weet dat ook Chris er een kocht. Wanneer Chris even buiten gaat, spreek ik met de groep af dat ik ostentatief zal verkondigen dat ik mijn wijn wil delen met de groep, in de hoop dat Chris dat dan ook zal doen. Ik acteer dus mijn spontaan voorstel en Chris trapt er meteen in, wat iedereen meteen aan het lachen brengt. Bij het snijden van de avocado’s laat Sina een mes in haar hand belanden. Maar dat verhindert niet dat we even later toch allemaal gezellig aan tafel zitten.

David is niet al te gek op wat blijkbaar alweer iets te vreemd eten is, maar ik vraag me al snel af wat mijn vooroordelen tegenover de fajita’s waren want ze zijn overheerlijk. Dit is wellicht mijn meest copieuze maaltijd van de hele reis. We kunnen nu ook zo lang aan tafel zitten als we willen en de wijn raakt moeiteloos leeg. Hoe gezellig we het de voorbije dagen ook al gehad hebben, nu kent het ontspannende gevoel een hoogtepunt. Julian & Kay schuiven razendsnel een stoel bij wanneer we hen uitnodigen omdat we nog erg veel eten over hebben. Het zijn praatgrage mensen en ze vertellen ons uitgebreid over hun leven in de VS en in het bijzonder in een skioord als Stowe. Het dessert is uiteraard Ben & Jerry’s, maar ik pas dus. Niet uit principe hoor, ik heb mijn ijsje simpelweg al gehad.

Julian heeft een uitgebreide videotheek en de groep ziet een film wel zitten. De woonkamer is uitnodigend. Ze laten het aan mij over een geschikte film te kiezen. Ik zie behoorlijk wat cinefiele films die me weinig hapklaar lijken voor een diverse groep waarvan niemand echt veel films kijkt. Uit de drie films die ik selecteer kiest de groep Crash, de Oscarwinnende film over racisme en vooroordelen. De indringende film slaat snel aan en ook ik geniet er nog een keer van. Ergens is deze film wat weinig subtiel en nadrukkelijk confronterend, maar dat is net wat het grote publiek wil. Peter is getroffen door wat zich niet zo ver van zijn deur afspeelt. Chris en Maren zijn intussen aan het biljarten en Julian en Kay hebben zich teruggetrokken in hun woongedeelte.

Op mijn kamer wacht een heerlijk bed. Het open raam toont me een stil nachtelijk landschap dat de ideale achtergrond biedt voor een goede nachtrust. Ik val als een blok in slaap. ’s Ochtends moet ik even bezinnen na twee heel bizarre dromen. In één ervan spreek in Engels! Voor het raam zit het roodste roodborstje dat ik ooit zag. Ik hoor een specht. Heeft iemand deze filmische ochtend in scène gezet?

Met wat spijt nemen we afscheid van de Riverside Inn. We zetten koers naar Boston.

(lees hier deel 7)





On the Road (7)

30 07 2010

Na een uitputtende dag in Montréal, verzamelen we om 19u om te gaan eten. Peter heeft een Italiaan uitgekozen, Ferrari. Voor David, die deze reis al enkele keren grenzen verlegd heeft, is het de eerste keer dat hij bij een Italiaan gaat eten! We worden zeer vriendelijk en joviaal ontvangen. Het is er niet zo druk en we genieten in alle rust. Intussen beschrijven we elkaar onze dag en tonen we foto’s. Chris, die net als altijd ook een voorgerecht bestelt, lijkt alles wel te lusten. Elin krijgt, ook als gewoonlijk, haar bord niet leeg. Chris en ik delen de rest van haar spaghetti.

Iedereen lijkt zich bijzonder ontspannen te voelen. Voor het eerst sinds lang blijven we best lang aan tafel zitten. We vertellen Peter over onze Europese eet- en vooral tafelculuur. In de VS heb je amper je laatste hap doorgeslikt of de rekening is er al. We kiezen dan uiteraard ook een dessert. Elin, Sina en ik willen tiramisu, waar Chris nog nooit van gehoord heeft. Maar zijn smaakpapillen kunnen alles aan, dus hij bestelt er nieuwsgierig ook één. ‘Enkel koffie lust ik niet’ zegt hij. Oei, dat hadden we vergeten in onze beschrijving van wat tiramisu precies is… Het dessert bevalt Chris dan ook niet en hij schrokt het naar binnen om er zo snel mogelijk vanaf te zijn.

We besluiten alles door te spoelen en de vriendschappelijke sfeer verder te zetten in een pub. We kiezen voor Sir Winston Churchill, waar er een groot terras aan de straatkant is. Wat de Britse staatsman met deze stad te maken heeft, weten we niet meteen, maar het blijkt wel een van de oudste bars van de stad te zijn. Het is ook een bijzonder groot complex, met diverse bars en dansvloeren, maar binnen zit er nauwelijks iemand. De vernieuwde inrichting vind ik toch nogal stijlloos, zoals de meeste bars in dit deel van de wereld, heb ik de indruk.

De serveersters blijken allemaal identiek, op de haarkleur na: barbiepopjes met een taille waar men met twee handen om heen zou kunnen en een wat naïeve blik in de ogen. Ze hebben zich allemaal in een strak, mouwloos en ultrakort jurkje gewurmd en Peter stelt zich vragen bij het aanwervingsbeleid van deze pub. Kan iemand met een (miniem) maatje meer hier werk krijgen? Dit leidt tot allerlei grappige opmerkingen en we moeten besluiten dat we de poppetjes een klein beetje uitlachen. Ik maak voor de gelegenheid een cartoon en Chris blijkt met zijn makkelijk te stereotyperen uiterlijk een makkelijk slachtoffer daarvoor. De sfeer is zo  optimaal dat ik de rekening voor mij neem (nadat Elin & Chris ons een dag eerder allemaal een shot voorschotelden in Le Sainte Elisabeth). Dat kost me 45 dollar of 33 euro, wat bevestigt dat vooral het cafébezoek in de VS en Canada duurder is dan in ons land. De biertjes zijn weliswaar óók groter.

We wandelen laat op  de avond terug naar onze auberge, allemaal toe aan een goede nachtrust. De volgende ochtend hoeven we pas om 10u klaar te staan. We zijn een goed uur aan het rijden als Peter met het oog op de grensovergang beseft dat hij in alle drukte – hij is verantwoordelijk voor het onderhoud van de wagen, parking, benzine, aanhangwagen – domweg zijn eigen bagage vergeten is. We rijden dus nog maar eens terug en nemen zo een tweede keer afscheid van het gezellige Montréal.

Elin & Peter

Ik heb het nog niet  gehad over de muziek in de wagen. Dat was een iets minder prettig aspect van het reizen in groep. David was de eerste die zijn mp3-speler aansloot en ons trakteerde op zijn muziek. Dat bleek in de eerste plaats vooral gitaarmuziek te zijn – David is een echte gitaarfreak – waaronder beslist te veel Metallica. Gelukkig besefte Peter toen al na een liedje of 3 dat dit niet aan iedereen besteed was. In de dagen daarop bepaalde vooral Peter waar we naar luisterden: country, typische Amerikaanse mainstream à la Springsteen, Neil Young – degelijke artiesten maar toch weinig gevarieerd en enigszins traditioneel – , véél sportpraat op Amerikaanse radiozenders en nog maar eens country. Gelukkig stond de radio soms ook uit. Vandaag laat Elin ons horen wat haar mp3-speler bevat en dat blijken toch ook vooral Amerikanen te zijn, zoals Beyoncé, Timberlake en mindere goden. Luisterbaar soms, maar toch laat het mij vooral beseffen dat ik een veel meer Europese smaak heb: ik luister liever naar Belgische en Britse artiesten en als het dan Amerikanen zijn dan zijn ze iets alternatiever dan de mainstream. Peter heeft als Amerikaan nog nooit gehoord van Feist, die we aangekondigd zien staan voor een optreden in de buurt.

ABBA – uit de muziekverzameling van Elin uiteraard – begeleidt ons naar de grens met de VS.  Na een snelle picknick op een parking, waarbij Peter nog wat houtblokken uit de aanhangwagen gooit wegens verboden mee over de grens te nemen, houden we lichtjes gespannen halt aan de douane. Het onthaal is erg vriendelijk en er zijn geen problemen. Net als toen we Canada binnen reden, blijken de ervaringen van Peter niet te kloppen met wat we nu beleven. We ontdekken ook dat Chris eigenlijk Christopher heet. Hij vertelt ons dat men in Ierland tot halfweg de jaren ’80 verplicht was een Bijbelse naam te kiezen voor kinderen.

Omdat we vandaag veel tijd hebben, houden we halt aan brouwerij Magic Hat. Deze ontstond in de hoogdagen van de hippiecultuur en de huidige bedrijfscultuur is nog steeds erg easy-going en lichtjes subversief. Een geleid bezoek ligt ons minder, we snuisteren wat in de shop en proeven van het bier. Belichting en kleur van de shop neigen nogal naar het psychedelische, maar enkele aankondigingen en de uitleg bij het brouwproces getuigen wel van een gezond gevoel voor humor.

Onze volgende stop in het groene en heuvelachtige Vermont heeft te maken met een haast iconisch Amerikaans merk: de ijsfabriek van Ben & Jerry’s. Dit maatschappijvriendelijk bedrijf, dat toch wel érg lekker ijs op de markt brengt, werd eind jaren ’70 opgericht en kent intussen succes over de hele wereld. Uiteraard is een guided tour, in de VS zowat vanzelfsprekend. Het fabrieksgebouw is erg klein en vandaag wordt er zelfs niet gewerkt, maar er is veel volk. We moeten 40 minuten wachten voor we kunnen deelnemen aan een tour. Een shop en enkele nevenattracties houden ons intussen bezig. Iedere 10 minuten worden zo’n 40 mensen rondgeleid. Ik zie er vooral een illustratie van de extreme onnozelheid van de doorsnee Amerikaan. De jeugdige gids dreunt zijn lesje mechanisch af en moet toch tal  van grappig bedoelde opmerkingen, flauwe moppen en ergerlijke kreetjes van bewondering bij ieder detail verdragen. Na 20 minuten  staan we alweer buiten, dus erg veel hebben we niet geleerd over ijs, des te meer zijn we gehersenspoeld: Ben & Jerry’s zijn de beste. Nu heb ik natuurlijk al enorm genoten van dit lekkere en naar het schijnt vetarme ijs, maar in België vind je het nauwelijks. Enkel in bioscopen en videotheken vind je deze veel te dure lekkernij, maar dan enkel in vergezochte smaken. Ik leer in de fabriek hoe dat komt: de 5  soorten die je bij ons kan kopen, staan bovenaan in de top 20 van populairste smaken. Het zijn geenszins standaardsmaken en ze hebben gegarandeerd abstracte namen als Funky Cookie Crazy Donut Monkey Fairly Vanilla, wat bij ons geen mens kan onthouden. Ik denk dat Ben & Jerry’s geen goede marktonderzoekers heeft en veel kansen laat liggen, want als ze meer gangbare smaken als simpelweg chocolade bij ons in de winkel op de hoek zouden aanbieden, zou die volgens mij, als fervent ijsjeseter, goed verkopen.

We krijgen een proevertje op het einde van de tour en de Amerikanen kunnen zich nauwelijks bedwingen. Nog meer erg onnozel gegrap volgt en wanneer de smaak van die dag dan nog chocolade met munt betreft, een afschuwelijke combinatie, wil  ik echt naar buiten om me aan het kraampje een reusachtig ijsje naar mijn zin te kopen. Peter ziet het anders: we kopen hier ijs als dessert voor onze zelfgemaakte maaltijd vanavond, maar ik hang de Sven uit: ik kies niét samen met de anderen 4 smaken uit die iedereen aanstaan, ik wil mijn ijsje nú en voel een kleine ergernis opborrelen: wil men mij hier verbieden een ijsje te kopen? Ik keer de groep de rug toe en schuif aan voor een eigen ijsje.

Ik verpest met dit akkefietje geenszins de sfeer hoor. Wat volgt, zal onze meest aangename avond van de reis blijken. Maar dat is voor de volgende keer!





On the Road (6)

28 07 2010

Na een zeer ontspannende eerste avond in Montréal hebben we vandaag de hele dag om deze stad te verkennen. In de voormiddag stelt Peter ons jetboating voor, een wilde boottocht over de St.-Lawrencerivier waarbij je gegarandeerd nat wordt. Ik heb nog geen zwembad te zien gekregen de afgelopen week dus mij spreekt het wel aan in deze warme dagen wat waterpret te beleven, zeker na de iets te tamme beneveling aan de Niagarawatervallen. Chris moet helaas afhaken, hij raakt simpelweg niet uit zijn bed.

Voor het vertrek zullen we alweer een poncho moeten aantrekken. Geen plastic exemplaar gelukkig, dat zou overigens nauwelijks volstaan. We dragen er ook hilarisch ogende duikschoenen bij. De instructeur biedt ook warme truien aan, en vertelt dat heel wat toeristen uit warmere landen het al snel erg koud hebben en zo’n trui onder de poncho dan best appreciëren. Met ongeveer 35 mensen nemen we dan plaats in een boot die erg doet denken aan pretparkattracties. De eerste 15 minuten vaart de boot met volle snelheid de haven uit. Een begeleidster brabbelt ons allerlei onverstaanbaars toe in een megafoon en met een zodanig sterk Frans accent dat ook zonder wind en opspattend water niet echt duidelijk zou zijn wat ze ons allemaal meedeelt. Van op het water hebben we een prachtig zicht op de stad en ik zie in de verte Habitat 67 liggen, een gebouwencomplex dat ik omwille van zijn bijzondere architectuur deze namiddag eens zou willen bekijken.

De boot nadert de plek waar het allemaal moet gebeuren. Hier  – en hoe dat komt is me niet duidelijk, misschien was het dat wat de begeleidster verklaarde – stroomt de rivier plots razendsnel en heb je ook tal van draaikolken (‘whirlpools’). De dame verdwijnt in een beschuttend hokje en de wij krijgen al snel de ene golf na de andere over ons heen. Als een dolgedraaide dolfijn schiet de boot telkens weer omhoog om dan met veel kracht weer neer te komen op de wilde golven. De watermassa die we over ons heen krijgen neemt steeds grotere proporties aan, tot we vrijwel compleet doorweekt zijn. Het is spectaculair en simpelweg plezierig, maar als we na 30 minuten terug koers zetten naar de haven, is het wel voldoende geweest. Gelukkig is het al erg warm, op een minder mooie dag lijkt dit me net iets minder gezellig. Echt goedkoop was dit ook niet – omgerekend 48 euro – en ik zou het wellicht nooit uit mezelf doen, maar het was anderzijds wel tof en het zorgt voor variatie in de activiteiten.

Bij onze terugkeer wil ik echt eerst wat rusten. Niet dat het jetboating zo vermoeiend was, maar deze reis vraagt veel energie en mijn bioritme is nog niet op peil. Bovendien moesten we wel erg vroeg op staan. Na de powernap ga ik op mijn eentje Montréal bekijken. Het is een gezellige stad met veel groen en ruimte voor fietsers en de metro is, zoals overal behalve misschien in Londen en Parijs, eenvoudig in gebruik. Ik stap af bij de halte die het dichtst bij Habitat 67 ligt en besluit de rest te voet te doen, hoewel het niet vlakbij is. Maar ik ken mijn stapvermogen en binnen het half uur ben ik ter plekke. Dit gebouwencomplex is een lust voor het oog, al is het na meer dan 40 jaar wel wat van zijn glorie verloren. Maar de bijzondere stijl waarin het gebouwd is, de heerlijke, schijnbaar nonchalante manier waarop de wooneenheden op elkaar gestapeld zijn, en de ligging maken er toch een bezienswaardigheid van. Het omliggende groen maakt volledig deel uit van het complex en voorbijgangers wordt via diverse bordjes de toegang ontzegd, hoewel er geen afsluiting is. Ik fantaseer even over het wonen hier – dit is niet alleen een apart gebouw, de bewoners beschikken ook over allerlei extraatjes zoals o.a. een shuttle naar het centrum van de stad – , maak wat foto’s en zet mijn weg verder.

Ik heb niet zoveel zin om dezelfde, eentonige weg terug te nemen en ik kijk op mijn plan hoe ik langs een andere kant toch bij de metro kan komen. Ik zie dat er een klein parkje is verderop waar de metro langskomt, dus wandel ik er heen. Helaas heb ik me, zoals het elke toerist wel eens overkomt, vergist: de metro stopt niet in dit park en meer zelfs, ik zie eigenlijk helemaal geen metro. Ik ben trouwens het water overgestoken en vraag me toch af of Montréal een metro onder water zou bouwen voor dit klein stukje schiereiland. Maar goed, wat nu?

Wie dit echt allemaal niet zo specifiek wil weten, kan de volgende alinea’s gerust overslaan. Ik reconstrueer voor mezelf graag even waar het misliep. U ziet me op het plan de oranje route wandelen van metro tot Habitat 67. Dan beland ik in dat parkje – overigens zeer mooi maar ook wat desolaat, er zijn amper mensen – keer een stuk terug en zie, toch wel erg vermoeid al, geen andere optie dan de brug over te steken. Mijn plan is om de metro te nemen op het eiland. Wanneer de brug eindelijk achter me ligt, beland ik op het eiland in een soort tussenwereld. Ik tref geen mens aan, al hoor ik wel heel wat verkeer in de buurt, en volg een wandelpad dat me volgens mijn kaart naar de metro moet leiden. Ik stuit echter op werkzaamheden en een man doet van ver teken dat ik niet verder mag. Ik kom uiteindelijk via omwegen bij de biosfeer terecht, een natuurkundige attractie waar gelukkig veel volk rondloopt. Mijn kaart toont geen weergave van al die kleine wandelpaadjes dus ik weet even later niet echt precies waar ik ben. Ik zie  ook nergens pijlen naar de metro en begin me zelfs af te vragen hoe hier een metro kan zijn, midden in een park. Ik heb geen weet van een tunnel en er is ook niets bovengronds te zien. Ik aarzel om mensen aan te spreken, want als hier eigenlijk geen metro is, sta ik wel voor aap natuurlijk. Anderzijds staat het toch duidelijk op mijn kaart! Vrijwel iedereen die er rondloopt is trouwens toerist en weet niets over een metro of ze wijzen me vaagweg een richting aan.

Ik heb dorst en ben kapot – gelukkig is het niet al te zonnig vandaag – en begin behoorlijk pissed te worden. Waar is hier het informatiecentrum? Waar staan de nodige pijlen? Wat is dit voor een bizar eiland? Wat doen de mensen hier terwijl duidelijk is dat hier niets te doen is? Ik tref een groot gebouw met een openluchtzwembad aan. Er is haast niemand, maar de speeltuin er tegenover lokt wel redelijk wat mensen. Hier moet ik toch wat te drinken kunnen kopen? Of een ijsje misschien? Niets te bespeuren. Ik loop te vloeken, neem willekeurige richtingen en zie dan eindelijk een pijl naar de metro. Godzijdank! Ik neem alvast mijn metroticket.

Maar weer pech: er staat een hek voor de weg die ik in moet slaan, wegens werkzaamheden. Ik volg het hek in de hoop op een ingang, maar het is zinloos. Ergens daar achter dat hek en die bomen, moet de metro zijn, hoewel me dat nog altijd surrealistisch lijkt zo midden in een park. Maar ik raak er niet. Ik begin me radeloos te voelen. Niet omdat ik niet weet waar ik ben – ik ben er gerust in dat op tijd terug in mijn hotel geraak – maar wel omdat ik misschien wel nog uren zal moeten stappen – misschien wel helemaal terug vanwaar ik gekomen ben. Tja, ook dit hoort  bij reizen en steden bezoeken en ik geef mezelf een schouderklopje omdat ik er toch kalm onder blijf. Maar in mijn achterhoofd groeit de nachtmerrie dat ik voor eeuwig en altijd op dit stomme eiland moet blijven.

En dan zie ik plots een parking en een loket en een kraampje en weet ik veel wat nog allemaal aan de rand van het eiland: hier blijkt een ferry te stoppen. En hij ligt net aan wal! Ik ren er heen, zie niemand in het hokje zitten en loop dan maar door naar de boot. De schipper leidt net een handvol mensen aan boord. Ik meld hem dat ik geen ticket heb en hij stuurt me bedaard de boot op met de melding dat ik straks kan betalen. Het eerste dat ik zie is een drankautomaat en ik stort me er op. En dan vertrekt de overzetboot en kan ik eindelijk dat eiland een welgemeende fuck you toewensen.

De schipper merkt wel op dat hij eerst nog naar een andere stopplaats moet vooraleer terug naar de stad te varen. Het kan me allemaal niet schelen, ik ben blij dat ik zit en drink. Ik heb net niet genoeg kleingeld voor een ticket en wil betalen met 50 dollar, maar de schipper is tevreden met het kleingeld. Misschien heeft hij te doen met deze verwilderde, misschien zelfs paniekerige toerist.

Ik plof neer op het achterdek, zet mijn mp3-speler aan en laat een langverwachte kalmte over me heen komen. Mijn dag is nog niet helemaal om – het is iets na 4 – maar ik vrees dat ik Montréal voor gezien houd. Ik hoef niet meer te winkelen en wil dat park op die heuvel met dat befaamde uitzicht al niet meer zien. De boot vaart intussen toch wel behoorlijk ver weg (blauwe lijn op de kaart), maar daarna verloopt alles als voorzien en een half uur later ben ik dan  – eindelijk – terug in de stad. Mijn laatste zucht van ergernis wordt geslaakt.

Ik neem de metro en stap uit bij een drukke winkelbuurt. Daar kan een Ben & Jerry’s me bekoren nadat ik in Toronto ook al genoten had van hun chocolade-ijs. Het kost even moeite uit te leggen wat ik wil – wat is ‘hoorntje’ in  het Engels? Maar dan blijkt het chocolade-ijs op! Straciatella dan maar, maar dat woord kent het meisje niet. Haar Engels is ook erg pover en we raken er dus niet goed uit. Maar uiteindelijk zit ik op een bankje met een bananenijsje.

Wordt vervolgd!





On the Road (5)

27 07 2010

Na een onderkoelde nacht in een over-geairconditioneerde kamer en verwarde dromen over de regels en tactieken van een baseballmatch, staan we zeer vroeg op en verlaten we Toronto. Het zal een lange rit worden, maar we vervelen ons geenszins. Wel valt ons op – en nu ga ik dus nóg een keer zagen over airco – dat het in de auto erg koud is. Wie een trui of jasje bij zich heeft in de wagen, maakt daar dankbaar gebruik van. Uiteindelijk vraag ik toch aan Peter – correctie: meldt ik aan Peter – dat het te koud is. Misschien ben ik wat kregelig omdat hij dat zelf niet merkt. Het is zo’n mooi weer en wij zitten in een koelkast.

Onderweg houden we halt bij een supermarkt langs de snelweg. Het is een reusachtige en keurige winkel, die weinig heeft van dat rommelige en drukke van de doorsnee Amerikaanse winkels. Zeg maar chique. Peter verdeelt de taken: we moeten eten kopen voor de picknick die middag. We zijn een groep met initiatief, dus op een mum is alles gekocht. De aanhangwagen beschikt over koelboxen, dus we kunnen nog een uurtje doorrijden. Achter het groezelige wegrestaurant waar we dan stoppen, blijkt een prachtig stukje groen te  liggen met bomen en picknicktafels. Beeldt u geen obligaat stukje gazon in met een vuilbak en een halve tafel zoals u die ook langs Vlaamse autosnelwegen vindt. Dit is een half bos, glooiend – hier is natuur nooit plat –  en idyllisch. Er zit niemand dus we kiezen de beste tafel, half in de zon, half in de schaduw, en we genieten van onze zelfgemaakte boterhammen. Het brood is hier nergens echt stevig, maar er is veel keuze en alles smaakt. Er heerst een echt vakantiegevoel.

Na lang rijden – waarbij Maren ook nog een keer vraagt om de airco lager te zetten – komen we aan in Montréal. We weten al dat het wel meevalt wat Frans spreken betreft, maar ik ben wel het enige groepslid dat die taal spreekt. Maren wil kost wat kost wat Frans leren. Dan komen we aan in ons hostel – hier ‘auberge de jeunesse’ genoemd. Het is erg gezellig en de service is hartelijk. Dat was in Toronto ook wel het geval, maar hier is de afstandelijkheid toch kleiner. We installeren ons snel en dan ga ik al gauw de stad even in om alweer een BMO – Bank of Montréal – te vinden. Wat in Montréal niet zo moeilijk kan zijn.

Om 19.00u verzamelen we om te gaan eten in O Noir, een erg bijzonder restaurant. Het is er volledig donker. Het concept lijkt wat zinloos, want waarom zou je er dan nog gaan eten? Maar we laten ons toch overhalen. Dat het eten er wat duurder is, overtuigt ons net dat het niet zomaar een toeristenlokkertje is. Je wordt ontvangen in een vestibule met bar, waar een vriendelijke dame je opwacht. Er wordt gevraagd gms’s en alles wat licht kan geven achter te laten en vervolgens kies je uit het menu wat je die avond wil eten. Er wordt ook gevraagd om aan tafel te blijven zitten. Naar het toilet ga je dus vooraf of nadien.

Vervolgens komt een blinde ober ons halen. We moeten in rij gaan staan en een hand op de schouder leggen van de persoon voor ons. Is dit een pretparkattractie? We stappen een pikdonkere ruimte binnen. We zien werkelijk geen hand voor ogen. Het is er muisstil want wij zijn de eerste gasten. De ober wijst ons een stoel aan door onze hand er op te leggen. Ik ga als eerste zitten zonder besef te hebben waar ik zit. Aan een lange of ronde tafel? In het midden of aan de rand? Tegen de muur? Ik merk dat Chris naast me zit en er langs de andere kant een lege stoel is. Ik volg met mijn handen de rand van de tafel tot ik een hoek voel. Sina vermoedt dat ze tegenover me zit maar als we allebei onze handen uitsteken, tasten we in het duister. Dit zijn blijkbaar erg brede tafels.

We spreken allemaal onze verwondering uit maar stellen al direct een probleem vast. Je hebt geen idee wie er naar je luistert. Met als gevolg dat we allemaal door elkaar praten en mensen grappen maken waar niemand om lacht. Toch vinden we dan een soort ritme en vooral wat rust en wachten we nieuwsgierig op wat er komt. De ober bezorgt onze drankjes. Eerst maakt hij duidelijk tot wie hij zich richt door dicht bij deze persoon te staan en natuurlijk ook door te zeggen welk drankje hij aanbiedt. Dan steek je je hand uit, ergens in de donkerte voor je, tot je een glas of een hand voelt. Dat loopt alvast gesmeerd. Het zijn brede glazen die niet makkelijk kunnen omvallen, want die kans zou er in zitten als je in het rond moet tasten op zoek naar je glas.

Ons voorgerecht komt al snel – een champignonslaatje – en is erg lekker en verzorgd. Ook bij het hoofdgerecht stel je vast dat eten heel mentaal gebeurt. Je hebt geen idee hoeveel er nog op je bord ligt dus kan je niet inschatten of je zal genoeg hebben of je bord niet leeg zal krijgen. Je kan ook niet kiezen wat je op je vork steekt. Soms hap je ook naar lucht, letterlijk, omdat je er niet in slaagt een blad sla of zo op je vork te krijgen. Uiteindelijk komen de vingers er aan te pas. Om te voelen wat er nog ligt en om de boel bij elkaar te schrapen want enkel met je vork lukt dat niet.

Het meest vervelende is dat er intussen nog een pak andere mensen in de ruimte zitten en die maken gigantisch veel lawaai. Erger dan in de refter van een school. Dat komt vooral omdat er in één groepje iets gevierd wordt en dus wordt er gezongen – waarbij de mensen van een andere tafel zelfs meezingen – maar ook omdat al die mensen net als wij geen idee hebben wie hen hoort of tot wie ze zich richten. Dus roepen ze maar. Ik stoor me toch enigszins aan hun onbeleefdheid en gebrek aan zelfbeheersing en het doet beslist afbreuk aan de gezelligheid. De obers (allemaal blind of slechtziend, wat in dit geval natuurlijk niet uitmaakt) zijn de enigen die rondlopen en om te vermijden dat ze op elkaar botsen herhalen ze monotoon een bepaald woord dat we maar niet verstaan. Het vergroot de kakafonie uiteraard. Maar het eten is echt uitstekend. Ons dessert is al even prima. Chris heeft een surprise genomen en heeft dus geen idee wat er op zijn bord ligt. Hij heeft de indruk dat het een soort taart is.

Stiekem hoop je dat er toch ergens even een lichtje aanfloept zodat je toch een indruk krijgt van de ruimte. Een foto nemen zou een grappig effect opleveren. Ook de tafelschikking blijft erg vaag. Ik hoor de anderen wel maar weet toch niet goed wie waar zit. De ober maakt intussen geen fouten, alles verloopt bijzonder vlot. Wanneer we klaar zijn vraagt hij nog of iemand naar het toilet moet. We zouden kunnen overwegen in het donker te betalen, maar wie zou daarmee het meest gefopt worden? Dus wordt je naar de receptie geleid waar gelukkig geen al te fel licht brandt. We rekenen af  (55 dollar of  zo’n 40 euro) en maken nog een praatje met de ober. Het geheimzinnige woord blijkt ‘tention’ te zijn, een afkorting van ‘attention’. Uiteraard, dat ik daar niet aan gedacht had. We vragen hem ook naar het lawaai. Dat vindt hij vandaag ten zeerste meevallen! Ik hoop enige kregeligheid te zien, maar hij lijkt er perfect te kunnen mee  leven.

We sluiten onze avond af met een drink in de grote tuin van de drukbevolkte  pub Le Sainte  Elisabeth (‘europeen pub’). Hoewel het pas 21.00u is het hier al donker, maar nog steeds erg warm. Het is dus een aangename zomeravond en we drinken op België want het café promoot Stella. De sfeer is zeer relaxed en mij valt de ongedwongenheid op waarmee we met elkaar omgaan, terwijl we elkaar amper 3 dagen kennen. Niemand in de groep lijkt het ergens lastig mee te hebben en ziet het zitten om nog 9 dagen met elkaar opgescheept te zitten.

Wordt vervolgd, uiteraard!

Lees hier

deel 1
deel 2
deel 3
deel 4





On the Road (4)

26 07 2010

Hét symbool van Toronto is de CN Tower, het op één na hoogste gebouw ter wereld. Het vraagt een uurtje aanschuiven om van een verbluffend uitzicht over de hele stad te genieten. Het zicht over deze opvallend groene stad is werkelijk eindeloos en adembenemend. Er is een kleine glazen vloer voorzien die een unieke maar ook wel beperkte kijk oplevert. Bezoekers halen de onnozelste capriolen uit en rollen onnozel en aanstellerig over het glas om toch maar een bijzondere foto te hebben van zichzelf. Op een vloer.

We keren terug doorheen de drukke winkelstraten van Toronto . Het is stikheet op een draaglijke manier, maar mijn hoofd heeft wel de kleur van een tomaat aangenomen. We doorkruisen ook de mooie en rustgevende campus van de universiteit van Toronto. Stilaan vinden we dat we de stad wel gezien hebben. Het gedeelte dat op onze kaart staat hebben we vrij goed verkend, maar Toronto is eigenlijk nog ontzettend veel groter. Ik voel mijn voeten niet meer en hoop op nog een half uurtje rust vooraleer we naar het baseballstadion trekken. Aan de andere kant van de stad.

In Toronto, en andere grote steden in de VS en Canada is vrijwel over wi-fi beschikbaar. Op een bepaald moment turen zowel Elin, David en Chris naar hun geavanceerde gsm, maar ze beseffen al snel dat dat niet meteen voor gezelligheid zorgt. Ook in de hostel zitten massa’s backpackers op laptop of varianten daarop te tokkelen. De leefruimte zit vol, ieder voor zijn eigen schermpje. Ik vind dit een opmerkelijke evolutie. Je vraagt je af of ze als soloreiziger nog aan sociale contacten toekomen en waarover ze maar kunnen blijven communiceren als ze gewoon op hun kamer blijven zitten. En hoe neem je een laptop mee in een rugzak? Ik ben blij  met mijn ouderwetse notitieboekje.

De groep vervolledigt zich opnieuw en in de metro beschrijven we onze ervaringen van die dag aan elkaar. Dan naderen we het Rogers Centre, het baseballstadion van Toronto. In eigen land ben ik nog nooit naar een sportwedstrijd geweest dus ik kan niet  vergelijken, maar dit gebouw is alleszins impressionant en reusachtig. In de gangen tref je de ene eetstand naast de andere aan. Frieten, hamburgers, pizza, gefrituurde kip, popcorn, hotdogs, chips, frisdrank, nacho’s, … noem maar op. Homer Simpson zou uit zijn dak gaan.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Vanuit de binnengang betreden we onze tribune en het uitzicht is fenomenaal. Het speelveld is énorm en de 50.000 zitjes (!) creëren een echt arenagevoel. Er is niet zo heel veel volk vandaag. De lokale Blue Jays spelen tegen een Amerikaanse ploeg, de Baltimore Orioles, en dat is blijkbaar niet zo’n heel belangrijke match. Ondanks de vele lege zitplaatsen gaat iedereen toch op de aangewezen plek zitten, zelfs al zit je dan wat opgepropt en moet telkens de hele rij rechtstaan als iemand honger of dorst heeft. Al meteen is er van alles te zien. Spelers en trainers begeven zich op het veld, er loopt een cameraman rond wiens beelden in perfecte resolutie op een reusachtig scherm worden getoond, een mascotte doet wat van hem verwacht wordt. Dan treden twee zangers naar voor die  de twee volksliederen van de deelnemende ploegen zullen zingen. Peter maant ons aan om op te staan. Ik frons mijn voorhoofd (da’s een grote frons) want dit is toch mijn volkslied niet? En ik ben nu eenmaal niet de enthousiasteling die vooral doet wat anderen doen óf me zeggen wat te doen. Maar ik wil vooral niet het soort Sven zijn dat Peter onlangs nog beschreef, dus ik sta netjes recht. Peter’s hand op zijn hart vind ik er dan weer flink over en ik rol  haast met mijn ogen omwille van zo veel patriottisch vertoon. Het Canadese volkslied is overigens veel mooier.

Het spel zelf is weinig interessant en ik knikkebol bij momenten. Peter tracht ons een basis van het spel uit te leggen, maar het boeit me niet. Er zit geen vaart in de match, want tactiek verhindert het tempo. De momenten dat er daadwerkelijk geslagen en gelopen wordt, zijn veel te zeldzaam. Het wordt langzaam donker en de CN Tower, die naast het stadion ligt, wordt kleurrijk verlicht. Het is een zwoele avond en er heerst een ontspannen sfeer. Ik blijf me verbazen over dit imposante gebouw. Het prijskaartje moet overweldigend zijn. Mocht theater over dergelijke infrastructuur beschikken, inclusief het verbluffend grote scherm, de verlichting en de excellente geluidskwaliteit, zou dat een rechtstreekse invloed hebben op de samenleving en op de beleving van cultuur in het bijzonder, daar ben ik zeker van.

Een oudere dame die aan een Haaltertse postbeambte doet denken, tracht onze tribune op te zwepen met ergerlijk gekrijs. Haast instinctief weiger ik ook maar een kreet mee te roepen. Gelukkig laat ook de rest van de groep zich kenmerken door rust en observatie, al zit Peter wel als een gek te supporteren voor de Amerikanen. Achter ons zitten twee broers van middelbare leeftijd met een gemeenschappelijke vriendin over alles te praten behalve baseball. Hun getetter is meer dan irritant, zo denkt ook Chris er over. Je vraagt je af wat deze mensen hier komen doen. Maar anderzijds is er op zoveel momenten eigenlijk niets te zien.

Een homerun zorgt er voor dat het publiek een eerste hoogtepunt beleeft. Er zullen er nog twee volgen op een match die uiteindelijk bijna drie uur duurt. Maar net dan staan wij aan te schuiven voor een vette hap, want we zijn intussen flink hongerig geworden. Om 10.00u is de match ten einde, Toronto heeft gewonnen. De massa begeeft zich naar de uitgang en de straten stromen vol. Chris wil nog uitgaan, maar de rest van de groep is collectief doodop en zoekt het bed op. We moeten morgen vroeg op.

Wordt vervolgd.

Lees hier deel 1, deel 2,deel 3





On the Road (3)

25 07 2010

Het spijt ons niet het stadje Ithaca te moeten verlaten en we ontbijten snel in een Donkin Donuts, waar ik toch voor een zo gezond mogelijke hap kies. Na een rit van een drietal uur zijn we al in Niagara, wat ons allemaal een beetje binnensmonds doet vloeken want het betekent dat de afstand New York-Niagara echt wel in één dag te overbruggen viel en we Ithaca gerust links hadden kunnen laten liggen. Anderzijds was het best een aangename dag en hebben we ook mooie dingen gezien.

Tja, de watervallen dan. Waarvan ik vermoedde dat ze toch niet zo indrukwekkend zouden zijn, zoals ook het Vrijheidsbeeld dat niet was. Maar ze ogen toch behoorlijk impressionant. Je ziet al van ver waar ze liggen, door de reusachtige nevelwolk die er boven zweeft. Langs de kant van de VS is het net iets minder spectaculair, omdat je langs Canadese zijde de watervallen veel meer op je ziet afkomen. Bovendien zie je langs die kant ook veel duidelijker dat er twee watervallen zijn.

Er heerst een wat pretparkachtig sfeertje, en de drukte valt best wel mee. Het is er dan ook groot genoeg en er zijn tal van uitkijkposten om alle nieuwsgierige toeristen plaats te bieden om het schouwspel te bekijken en te fotograferen. Vooraleer we de grens oversteken, willen we een boottocht maken langs de watervallen. Voor 12 dollar kan je plaatsnemen op The Maiden of the Mist (Peter: ‘Let’s get you guys on that boat!‘). Iedere passagier krijgt een wat ridicule blauwe plastic poncho aangestoken, die eigenlijk niet zo heel erg nodig blijkt. Je voelt weliswaar de nevel op je neerdalen, maar je raakt er verre van doorweekt van. Nu is het wel een hete dag natuurlijk, als er meer wind is wordt je wellicht natter. Ik geniet van de boottocht omdat je wel erg dicht bij de watervallen komt, maar het milieuvervuilende aspect van die poncho’s is me er dan weer te veel aan. Stiekem snak ik eigenlijk naar een iets wildere pretparkattractie waarvan je toch een beetje nat wordt.

Om de trivialiteit van het hele gebeuren te onderstrepen, zit de student die als toezichter is aangesteld, ostentatief in Ulysses van James Joyce te lezen. Met zijn nerdy bril en woeste krullen onder een Amerikaans petje lijkt hij wel uit een Amerikaanse komedie te komen. Na de boottocht nemen we de tijd om de watervallen ook van de andere (drukkere) kant te bekijken. De blauwe figuurtjes op de boot, die wij daarnet waren, zien er eigenlijk heel onnozel uit, samengepakt op de golven.

Het Hard Rock Café waar we willen lunchen, zit veel te vol, dus we kiezen voor een snelle snack aan een kraampje. Ik ga voor pizza en die smaakt me heerlijk. Iedereen lijkt zich erg ontspannen te voelen in de groep en we lijken allemaal goed met elkaar te vinden (Peter: Sweet!). Dan is het tijd om de grens over te steken. Peter pakt uit met verhalen over de gemoedelijkheid en vriendelijkheid van de Canadezen, terwijl de grens oversteken van Canada naar de VS dan weer tijdrovend en lastig kan zijn. Maar de zakelijke ontvangst en collectieve ondervraging komen niet met dat beeld overeen. Sina vraagt nadien terecht: ‘Zhis were zhe friendly guys?’.

Dan volgt een behoorlijk saaie, twee uur durende rit waarbij we zo goed als niets van Canada zien, op een snelweg na met bomen langs. De E40 maar dan langer en iets groener. Je ziet in de verte weliswaar de herkenbare, prachtige skyline van Toronto, maar het duurt ontzettend lang eer we er echt zijn. Op een verder vrijwel horizontale horizon, tekent de stad zich duidelijk af, met de CN Tower als opvallendste accent. Hoe doen ze dat daar toch dat je elke grote stad vanuit de verte kan zien liggen?

Toronto ligt te blinken in de zon. Het is een vrij nieuw aandoende stad, alsof ze er nog maar enkele jaren is. Hoewel het de grootste stad van Canada is, komt ze erg bevattelijk over. De sfeer is nog sterk Amerikaans, waardoor de stad wat aan New York doet denken, maar er is veel minder hoogbouw waardoor ik ook met Brussel durf vergelijken. We worden wel meteen gewaarschuwd welke straat we beter mijden, vooral ’s nachts. We arriveren in onze jeugdherberg, waar net een barbecue wordt georganiseerd. Wie een zonnebril draagt krijgt zelfs een biertje gratis. Peter vraagt ons of we het zien zitten daar te eten en dat vinden we best want het is goedkoop en we zullen nog genoeg op restaurant gaan. Het is helemaal niet druk op de patio waar er gebarbecued wordt en de grote steak is enorm lekker.

Hoewel ik me niet te oud voel voor een jeugdherberg – je vindt er trouwens mensen van alle leeftijden – en ik het niet erg vind een kamer te delen, vind ik me minder in de wat opgeklopte  Where Are You From-sfeer. Toch kan een wispelturige Schotse ons overhalen mee te gaan op de pub skroll die ze organiseert. Een kroegentocht zeg maar. Ze is in haar nopjes dat haar initiatief wel 20 mensen weet te lokken, maar dat betekent wel dat de eerste kroeg eigenlijk al te klein is. De tweede pub is veeleer een taverne dan een kroeg en is weinig spectaculair. Toch is de sfeer erg ontspannen en spreekt iedereen elkaar vlot aan. De meeste van deze mensen zijn alleen op reis en zijn gewend te socializen met vreemden. In een reusachtig glas wordt een plaatselijk bier geserveerd.

David & Chris

De volgende (Ierse) pub lijkt veel meer op een echte bar. Er staat een zanger met een gitaar en er zit veel jong volk, die allemaal uit de jeugdherberg lijken te komen. Zowat iedereen drinkt bier. Frisdrank lijkt geen rol van belang te spelen. Cola wordt gewoon uit een blikje in een plastic bekertje geschonken, toch weinig stijlvol. Voor zo’n wereldstad vind ik dit ook niet zo’n professioneel café.

Ik voel de vermoeidheid toeslaan en Elin beweert dat je per dag maar één uur inhaalt van het tijdsverschil. Logisch dus. Om middernacht geef ik er dan ook de brui aan. Sina en Maren zijn al vertrokken, David vermijdt alcohol, Chris verbroedert met een Brit en Peter lijkt eindelijk wat te ontspannen. Ik vertrek alleen maar na 5 minuten heb ik geen idee waar ons verblijf is. Er was een kerk tegenover, maar de kerk die ik nader is eigenlijk een andere. En de kaart van Toronto die we gekregen hebben, ligt op mijn kamer. Het lijkt me dus het verstandigste terug te keren. De Schotse zit buiten en legt me met plezier de weg uit.

De kamer is warm, maar onder enkel een laken slapen is zeer doenbaar, zelfs aangenaam. Toch vinden de anderen dat de airco aan moet en dus luister ik de hele nacht naar het geblaas van dit vervloekte apparaat. Ik hoop vooral dat het me geen verkoudheid oplevert zoals de twee vorige keren in de VS en gebruik dus maar een deken. In een stad waar het in de zomer ’s nachts nog altijd 20° is. Dwaas.

De volgende dag zullen we doorbrengen in Toronto. Ik kijk er naar uit even te internetten en moet ook een bank zoeken want mijn kaart weigert dienst aan de gewone bankautomaten en ik heb nog geen Canadees geld. Na enigszins uitgeslapen te hebben, stap ik een bank binnen waar een vriendelijke bediende me uitlegt dat je met een MasterCard niet aan elke automaat terecht kan, maar enkel aan die van BMO, the Bank of Montréal. Zo is er gelukkig eentje vlakbij, maar ik ben toch ontevreden over de diensten van ING, die me verzekerd hadden dat ik probleemloos geld zou kunnen afhalen in het buitenland.

Ik lees daarna snel mijn mailtjes maar vergeet wel het nieuws te lezen en heb ook geen tijd om een blogartikel te schrijven, want Chris, David en Elin staan te wachten om naar Toronto Island te varen met de ferry. De Duitse meisjes maken een eigen uitstap en Peter moet zich met allerlei voorbereidingen en verwerkingen bezighouden. Met de metro raken we vlot aan de haven, waar twee ferry’s klaarliggen. Op de ene zit een massa volk, op de andere haast niemand. Toch varen ze beiden naar het eiland. We kiezen uiteraard de minst bevolkte, al brengt die ons niet naar het midden van het eiland.

Toronto Island is een droomachtige plek. Het lijkt op een reusachtig park met straten en zelfs enkele huizen én een brandweerkazerne. Wie woont hier, of beter gezegd, wie heeft het geluk hier te wonen? In al dit groen en deze rust? Er zijn tal van plekjes waar je in de zon of  in de schaduw zou willen liggen om weg te dromen. We slenteren een half uurtje door het gedeelte van het eiland waar niet veel volk lijkt te komen. Langs de ene kant biedt het eiland een schitterend zicht op Toronto, aan de andere kant ligt dan bizar genoeg het reusachtige Ontario Lake, waarvan je de overkant niet eens kan zien. Het eindeloos uitzicht, het strand en de rotsen aan die kant van het eiland, doen aan een eiland in de Middellandse Zee denken.

In het midden van het eiland is meer volk te vinden. We huren fietsen en pauzeren op een bankje met zicht op de stad. Er is ook een kleine luchthaven op het eiland en toevallig landt er net een vliegtuig, het lijkt recht op ons af te komen. In het restaurant waar we lunchen eet ik middelmatige zalm met rijst terwijl de anderen lekkere vettige dingen eten. Maar het spijt me niet, want vanavond gaan we naar een baseballmatch en daar wordt ongetwijfeld al even vet geschranst. Wat zal deze sportieve activiteit mij te bieden hebben? Een baseballmatch kan wel 3 tot 4 uur duren! Toch kijk er naar uit om eens de sfeer op te snuiven want dit typische Noord-Amerikaanse evenement.

Wordt vervolgd.

Lees ook deel 1 deel 2 en deel 4





On the Road (2)

24 07 2010

Na een snel en vroeg ontbijt is het tijd om de groep te ontmoeten waarmee ik de komende dagen enkele staten van de VS en Canada zal doorkruisen. Ik weet vooraf enkel dat het een internationaal gezelschap  betreft, maar heb geen idee van leeftijden of aantallen.

De groepsleider is de 24-jarige Peter, een bruingebrande Californiër die al heel wat van de wereld gezien heeft. Hij komt plichtmatig enthousiast over maar is goed voorbereid en straalt vertrouwen uit. De Duitse Sina, een boomlange advocate en haar landgenote Maren, begroeten me vriendelijk. De robuuste Ier Chris blijkt het vierde lid van de groep te zijn dat ouder is dan 30. Dat is fijn. De twee jongste groepsleden zijn de Brit David, die net die dag 21 wordt, en de Zweedse Elin die na twee jaar als au pair gewerkt te hebben in Washington, haar leven in de VS afsluit met deze reis. Iedereen doet zijn best sympathiek over te komen in diverse soorten Engels. Het achtste groepslid komt niet opdagen.

Ik had op meer volk gehoopt, maar nu weet ik niet meteen waarom eigenlijk. Dit lijkt een voldoende heterogene groep om er een aangename reis van te maken. Ons vervoermiddel is een luxueuze mini-van die geschikt is voor 13 personen en dus alle plek biedt om comfortabel te reizen. Peter houdt ons voor dat hij een prima chauffeur is en hoopt dat hij ondanks zijn leeftijd op ons respect kan rekenen.

Onder een al behoorlijke warme zon verlaten we New Jersey. In de auto wordt er luchtig gekletst om de kennismaking uit te  breiden. Peter geeft blijk van veel kennis over zijn eigen land én heel wat Europese landen, maar zijn familieverhalen doen een drang naar conformisme vermoeden, de hoop in het correcte Amerikaanse plaatje te passen. Elin is wat veramerikaniseerd in de twee jaar als nanny waardoor ze haar eigen land nu stilaan te klein is gaan vinden en ze haar toekomst ergens anders hoopt uit te bouwen. Maren is een PR-manager bij een Duits bedrijf en toont zich nieuwsgierig en geïnteresseerd in iedereen. Chris is beslist niet de hooligan waar men hem zou kunnen voor aanzien. Iemand die meer wil zien dan enkel de lokale pub gelukkig. Zijn Ierse accent is bijna grotesk. David noemt zichzelf een computernerd met een passie voor gitaren en formule 1 en hij gebruikt graag moeilijke woorden. Sina is de stilste. Ze zal zich iedere dag een ander kapsel en andere bril aanmeten, zo zal blijken.

We rijden Pensylvania binnen en genieten van een groen maar eentonig landschap. De lunch moet snel gaan vandaag – al zullen we ons later afvragen waarom eigenlijk – en daarvoor is de keten Subway geschikt. Op mijn broodje kalkoen liggen volgens mij twéé kalkoenen, zo dik belegd is het, maar het smaakt heerlijk. De cultuurverschillen leveren al meteen vraagtekens op: waarom eet Chris chips bij zijn broodje? In de VS, maar dus ook in Ierland, is dit niet zozeer een snack als iets dat je bij je boterham eet. Gelukkig vinden Sina en Maren dat even vreemd als ik.

Al snel na de middag zijn we terug de grens met de staat New York overgegaan en belanden we in Ithaca, een universiteitsstadje in bij de grens met Pensylvania. Het dorp ligt op heuvels en oogt eigenlijk wat verlaten. De vele typische Amerikaanse houten huizen komen wat verweerd over en overal groeit onkruid. Dat er geen mens op straat is, is vooral te wijten aan het uiterst warme weer. Het centrum oogt gelukkig wat aantrekkelijker. Tijdens het schooljaar wordt deze stad overspoeld door studenten van de Cornell University en is er dus gelukkig meer dynamiek. De bioscoop met enkel Europese producties lokt dan wellicht meer kijkers.

We logeren in een zeer doordeweeks en typisch motel, dat jammer genoeg geen zwembad heeft zoals de vele hotels die ik op mijn reis langs de Westkust van de VS ben tegengekomen. We verkennen de stad maar lijken door een oven te wandelen. Toch merken we daar slechts korte tijd iets van. Het leven is hier geairconditioneerd. In de auto, het motel, alle winkels en restaurants, is het koel. Dat mag dan wel nu erg van pas komen, ik heb er ook bedenkingen bij. Zoveel mensen op de wereld moeten het klimaat waarin ze leven aanvaarden, hier sluiten ze dat gewoon uit. Maar anderzijds: wij zetten toch ook onze verwarming aan in de winter? Toch genieten wij ook van een bries door een open raam, de regen na een warme dag, een koele woonkamer die de hele dag verduisterd was. Is dat niet wat minder kunstmatig? Met Peter valt daar niet over te discussiëren: airco ís belangrijk.

We maken een kleine uitstap (met de wagen) doorheen het gebied rond de stad. We bevinden ons bij Cayuga Lake, het grootste meer van de Finger Lakes, een adembenemend mooi gebied waar New Yorkers graag hun vakantie doorbrengen. De huizen zijn opmerkelijk mooier en verzorgder en hier en daar zijn er zelfs villa’s die aan het oog ontrokken worden door hoge afsluitingen. Het meer is omringd door heuvels, waardoor je de zeilbootjes vooral van bovenaf ziet. Schitterend!

We parkeren op een groot terrein aan het meer. De parkwachter is erg jong. Chris vraagt zich dan ook af of dit ‘a student walk’ is?

Peter: ‘A Student Walk? Euh… yeah, euh…’
Sven: ‘He’s saying: ‘ a student WORK’.
David: Funny, a Belgian having to translate between an American and an Irish.

Tja, het taaltje van Chris is wennen. Iedere ‘i’ klinkt als ‘o’. ‘Mine’ is ‘moine’ en ‘like’ is ‘loik’. Ook onze culturele verschillen zijn een onuitputbaar onderwerp van gesprek. De Duitsers zijn in de wolken met alle Duitse acteurs die ik ken (toch wel drie), maar Elin is minder thuis in Zweedse cinema. Peter vraagt haar een bekende Zweedse regisseur te noemen. Het lijkt wel het laatste te zijn waarover ze het wil hebben. Na lang nadenken zegt ze ‘Euh, that old guy who’s dead now‘. Ingmar Bergman dus.  We hadden op een moderner antwoord gehoopt, maar anderzijds: hoeveel 22-jarige Belgen zouden een passend antwoord kunnen geven over de cinema uit België?

We wandelen tot nabij de Taughannockwaterval, die we onderweg van bovenaf gezien en gefotografeerd hebben. Het is een zeer smalle maar erg hoge waterval die eindigt in een aantrekkelijk meertje. Enkele mensen zijn aan het zwemmen en ik heb bijna spijt dat ik mijn zwembroek niet bij heb. We laten onze voeten afkoelen en zijn tevreden dat dit wat doodse stadje dan toch iets te bieden heeft. De korte wandeling doorheen een schaduwrijk bos werkt eveneens ontspannend. Een zeer idyllische plek.

Terwijl het langzaam begint te regenen, arriveren we in een wijnhuis  – in het gebied zijn heel wat wijngaarden. Peter heeft ons vooraf gevraagd of we ook bereid zijn wijn te kopen, omdat het wat gênant is enkel te proeven. Maar de barman zegt ons zelf vooraf dat hij er alle begrip voor heeft als we niets kopen aangezien we op doorreis zijn. Onze wagen is nochtans groot genoeg. Voor 2 euro mag je 8 wijnen proeven. De half-zoete zijn het populairst maar wij zijn er toch het minst over te spreken. De droge en half-droge zijn het lekkerst en de wijn van het huis, de Finger Lakes Chablis, een soort Chardonnay, vinden we allemaal het lekkerst. Chris en ik kopen een fles ervan, die helemaal niet duur is. Ik voel me ook enorm aangesproken door de fugde, een uit boter en suiker bestaand dessert dat er overheerlijk uitziet en in tal van variaties bestaat. Jammer genoeg zie ik me dat in deze warmte niet meenemen (de porties zijn beslist te groot om het die avond zelf op te eten).

We eten in het restaurant van de wijnhandel. Een gezellige plek waar bijna geen andere gasten zijn. Ik geniet van een heerlijke Amerikaanse hamburger – en voor wie dat toch niet zou weten: dat is beslist géén McDonaldshamburger, maar een heerlijk en stevig stuk vlees op een bord met groenten. Jammer dat Amerikanen geen tafelcultuur hebben. Hoewel het erg gezellig is en er geen andere gasten zijn, is de rekening er al nadat we amper de laatste hap hebben genomen. Peter lijkt dit heel normaal te vinden en ontzegt ons zo de kans om nog wat te keuvelen. Anderzijds is het voor mijn lichaam nu 2u ’s nachts en het vooruitzicht van een bed is ook niet slecht.

We rijden terug naar ons motel doorheen het groene landschap. Opvallend is dat de grillige – nooit volkomen platte – tuinen van de vele mooie huizen in elkaar en de omringende bossen opgaan zonder afsluitingen of hagen. Het oogt allemaal erg natuurlijk en het moet leuk wonen zijn hier. Dan tekent zich ineens, om het plaatje compleet te maken, een prachtige en vooral een volledige regenboog voor ons af. Ze lijkt het hele, weidse landschap te willen overbruggen. Hoe vaak ziet een mens een regenboog in zijn geheel? Het is een schitterend zicht en een mooi einde van een eerste, aangename dag.

Toch is de dag nog niet om. Peter wil met ons graag een aantal zaken overlopen. We voelen ons niet zozeer kinderachtig behandeld, maar doordat Peter zich op dat moment nadrukkelijk als autoriteit opwerpt, moet ik wel de drang onderdrukken om onnozel dociel te gaan doen. Ik kan zijn gevoel voor humor nog niet inschatten. Daarna roept ons bed maar Elin merkt op dat we de verjaardag van David toch niet zomaar kunnen laten passeren. We bestellen dus wat in de wat troosteloze bar van het motel, maar David wil zelf eigenlijk niets drinken. Peter vertelt me dan dat een Sven bij hen in de organisatie (die vooral met Europeanen werkt) synoniem is voor een moeilijke mens. Zoals in ‘I hope you don’t have a Sven in your group‘ of ‘How to deal with Svens‘. Blijkbaar hebben in het verleden een keer of wat te vaak Svennen tegengewerkt. Bijzonder grappig toeval, of klopt het gewoon? Ik maak Peter duidelijk dat hij mij nog helemaal niet kent en hij beter nog had gewacht vooraleer dit bekend te maken.

Ithaca was niets bijzonder, en we hadden misschien zelfs in één trek kunnen doorrijden naar Niagara, onze bestemming van de volgende dag. Maar anderzijds was het fijn rustig kennen te kunnen maken met elkaar en het land en een gebied te leren kennen waar je echt nog helemaal niets over weet.

Lees hier deel 1





On the Road (1)

23 07 2010

De regenwolken die zich die donderdagochtend vormden, deden me met veel plezier op vakantie vertrekken. Toch ben ik zo iemand die bij veel aangename activiteiten altijd zorgen zoekt. Ik vertrek nooit volkomen rustig op vakantie, maar ja, wie wel? Dit keer was het mijn kredietkaart die ik toch nog snel getest wou hebben voor ik de bus naar het station nam. Ik had ze nog maar enkele maanden en was niet zeker of ik ze wel al een keer gebruikt had.

En daar sta je dan aan de geldautomaat, beseffend dat je voor deze kaart een andere code nodig hebt dan je gewone bankkaart, en dat ik daar geen enkele weet heb. En dat ik mijn bus moet halen zodat ik mijn trein kan halen om mijn vliegtuig te halen. 09.40u en al in paniek. Bushalte, bankautomaat en woning liggen gelukkig allemaal dicht bij elkaar. Ik haast me, met zware rugzak, terug naar huis, gooi mijn voor het vertrek netjes opgeruimde bureau ondersteboven en vind na enkele minuten de juiste code. Race naar de automaat, verheugd vaststellen dat alles werkt en dan zelfs meteen een bus kunnen nemen!

Dat wil zeggen dat ik ook een trein eerder kan nemen dan voorzien en ik dus ruim op tijd op Zaventem aankom. Het inchecken verloopt wat chaotisch, maar in mijn voordeel. Ik was me niet bewust van twee rijen: eentje om in te checken en eentje om je bagage af te geven. Ik kies dus gewoon de kortste rij (rij 1: 50 mensen, rij 2: 1 mens, ik had moeten beseffen dat dat niet klopte). De dame aan de balie legt me vriendelijk uit dat ik me eigenlijk vergist heb maar dat is niet zo erg en meteen regelt ze ook maar meteen mijn tickets. Ze biedt me zelfs de keuze aan: raam of gang? Ik denk aan beenruimte en beslis dus  maar gang.

Het effectieve vertrek naar New York gebeurt slechts een kwartier te laat. De tussenstop is Madrid. Vanuit Brussel rechtstreeks naar New York vliegen was immers een flink pak duurder. De Madrileense luchthaven is impressionant groot en erg mooi. Ik vind de shuttle die me naar een andere gate moet brengen en moet nu een wachttijd van twee uur overbruggen. Ik prijs mezelf om zo’n goed boek voorzien te hebben. De titel is Alles is Belangrijk en de bespreking mag u later verwachten. Maar het sleept me mee en dus valt die wachttijd enorm mee.

In het vliegtuig blijken gang of raam weinig verschil te maken als het op beenruimte aankomt, maar wat blijk ik weer geluk te hebben! Mijn stoel bevindt zich voor de nooduitgang, waar ik dus lekker de benen kan strekken. Voor een vlucht van 7,5 uur is dat mooi meegenomen. De verhoopte film stelt teleur: ook al is het de wellicht ergerlijk slechte Nanny McPhee 2, toch wou ik die wel gezien hebben, maar ik zit veel te ver van het scherm af. De tweede film is Date Night, die ik gelukkig al gezien heb.Dan maar verder lezen. Ik heb 3 romans mee voor een reis van 14 dagen. Zal dat genoeg zijn?

Ook na 8 vliegreizen ben ik me er slechts oppervlakkig van bewust dat ik deze manier van reizen eigenlijk niet zo aangenaam vindt. Nu dringt dit besef weer sterk door, als alle lucht in mijn lichaam uitzet, ik heb warm heb zonder te zweten en de smakeloze maaltijden een flauwe misselijkheid veroorzaken. Het is de eerste keer dat ik op mijn eentje vlieg – ik ontmoet mijn reisgenoten in New York – en dat is toch wat saai.

Ik land om 19.30u plaatselijke tijd in New York en verlies nog eens bijna een uur aan de douane en bagageophaling. Ondanks de vermoeidheid – voor mij is het nu eigenlijk half drie ’s nachts –  moet ik me nu ten volle concentreren, want de trip naar het hotel is de minst voorbereide en meest zelfstandig verplaatsing die ik moet maken. Ik zoek eerst en vooral een shuttle die me van de luchthaven naar Manhattan kan brengen. Dat zie ik nergens aangegeven staan. Ik voel geen onrust of paniek, maar wel een gebrek aan daadkracht. Ik wil slapen. Uiteindelijk vind ik dan toch een kiosk voor inlichtingen. Ze  stellen me daar een goedkopere formule voor dan die waar ik naar vraag en tonen me waar ik de shuttle kan vinden. Ik krijg een folder mee zodat ik het logo herken. Het is intussen al donker in New York, maar het is erg warm.

Op straat spreekt een assertieve zwarte me meteen aan. Wheredyneedtogo? Ik zie het logo dat ik zoek op zijn shirt en koop meteen een ticket. Hij gooit me klantvriendelijk op de juiste bus en voor ik het weet ben ik onderweg. Tweede halte, meldt hij me nog. De Aziatische chauffeur krijst weliswaar ook allerlei suggesties door de luidspreker, maar die zijn onverstaanbaar. De tweede halte blijkt nog steeds op de luchthaven te zijn. JFK Airport heeft immers heel wat terminals. Ik ben blij dat ik me daarvan bewust ben en dus niet afstap aan de tweede halte, wat erg belachelijk zou zijn natuurlijk. Ik heb natuurlijk de tweede halte nodig buiten de luchthaven. Dat lijkt achteraf bekeken allemaal erg evident,  maar de concentratie is veelgevraagd op dit late uur.

Na 20 minuten alleen al rondrijden op de luchthaven, zetten we eindelijk koers naar Manhattan. Het is een erg lange rit en ik vecht tegen de slaap. Ik weet dat ik, eens in Manhattan, nog heel wat zoekwerk en reistijd moet doormaken. Dan barst er een hevig onweer los. Het regent dat het giet en we belanden in een file. Mijn vakantiegevoel is ver weg. De oude Mexicaanse dame naast mij tettert in haar gsm en de chauffeur blaft allerlei onzinnige zaken door de microfoon. Ik lees dat ik hem straks een tip moet geven maar vraag me af waarom.

Maar dan stopt de regen, verschijnt een pracht van een skyline en ontvouwt New York zich in al zijn glorieuze, avondlijke metropoolse schoonheid. Gele taxi’s omringen de bus, Broadwayreclames vechten om aandacht, hotelluifels reiken uitnodigend tot op de straat, heerlijke affiches van films en series die bij ons nog moeten verschijnen geven me het gevoel in de toekomst belandt te zijn. De stad baadt in het licht en de straten lopen vol, ondanks de net afgenomen stortbui.

De bus dropt enkele reizigers bij de eerste halte. Enkele passagiers hebben vragen, maar de chauffeur snauwt hen iets toe in onverstaanbaar Engels. De tweede halte is Port Authority Bus Central. De chauffeur krijgt zijn tip omdat hij met mijn bagage sleurt, maar ik zou hem eigenlijk willen duidelijk maken dat hij maar kan verdienen als hij vriendelijker is. Doch nu zijn het mijn eigen zorgen die mijn aandacht verdienen. Waar moet ik nu in godsnaam naartoe?

Ik stel al snel vast dat alle bussen op straat shuttlediensten zijn en geen officiële stadsbussen. Ik stap dus maar binnen in het busstation, waarop zondagavond om 22.00u natuurlijk niemand aan de balie zit. Het station blijkt reusachtig groot en zelfs op de derde verdieping vertrekken bussen. Vind hier maar eens de juiste bus naar New Jersey, waar mijn hotel wacht.

Gelukkig ben ik vooraf te weten gekomen dat ik bus 320 nodig heb, want ik zie nergens schema’s of aanwijzingen.Ik koop een ticket aan een automaat. Het lijkt me evident dat bus 320 vertrekt op perron 320. Dat blijkt gelukkig zo te zijn, maar later zal ik van mijn reisgenoten horen dat dat puur toeval was. Bus 320 vertrekt gewoonlijk immers vanop perron 231 – logisch hé? – alleen niét op zondagavond na 22u. Dan vertrekt hij dus wél van op perron 320. We reizen om te leren en ik vind mezelf heel volwassen en verstandig en dapper. Mag dat even, in al mijn vermoeidheid?

Aan de bushalte staan twee mensen en ik plof neer met mijn rugzak. Dit lijkt goed te zullen gaan. Maar vijf minuten later staan er plots wel 50 mensen en allemaal zijn ze in een mooie rij gaan staan. Waar ik dus niet in sta. Gewoonlijk zou ik dan zo beleefd zijn om maar achteraan te gaan staan, maar mijn zware rugzak en drang naar een bed zeggen foert.  Ik ben verdorie al 24u wakker! Wanneer de bus voor komt rijden, steek ik 48 mensen voor, mijn verdediging al oefenend in mijn hoofd. Maar niemand zegt iets en wanneer ik neerplof kan ik weer een zorg van mijn lijstje schrappen. Juiste bus gevonden, nu nog de juiste halte.

De bus verlaat Manhattan, rijdt de Lincolntunnel door onder de Hudsonrivier en stopt maar niet. Ik twijfel even. Op de kaart had mijn hotel niet zo ver geleken van de tunnel. Ik zal dus toch stilaan moeten afstappen. Ik ken mijn halte, maar er is nergens een signaal te zien dat meldt waar we zijn en ook de chauffeur zegt niets. Ik spreek dan maar de man naast mij aan. Ik ben toch al overduidelijk een toerist, laat me dan maar even een domme toerist zijn. Wat ik blijkbaar enkel in mijn gedachten ben, want de man vindt mijn vraag helemaal niet onredelijk en zegt me wanneer ik af moet stappen.

Om 22.30 sta ik dan eindelijk voor mijn Holiday Inn. Ik had ook in Manhattan kunnen overnachten, maar dit hotel is de vertrekplaats voor een reis die morgen al om 07.30u aanvangt. Een reuzevriendelijke baliechef wenst me hartelijk welkom en een kwartier later lig ik gedoucht en wel te snurken in een heerlijk bed. Als morgen de reis pas echt begint, was dit alvast een generale repetitie van formaat.

Deel 2

(de foto’s komen van het Internet)






Last Minutes

21 07 2010

Morgen, of wanneer u dit leest, vertrek ik op vakantie. Voor de derde keer trek ik naar de Verenigde Staten en dit keer neem ik er ook een stukje Canada bij. Over wat ik op die reis allemaal ga zien en doen, heb ik wel wanneer dat allemaal gezien en gedaan is. Ik tracht tussendoor wat te bloggen, maar mijn ervaring leert me dat het leesbaardere stukjes oplevert als ik pas na de reis één en ander meedeel. De querty’s ginds helpen ook al niet natuurlijk. Toch kan het zijn dat ik de verleiding niet kan weerstaan en u hier alvast deelgenoot maak van mijn observaties.

En anders bied ik u enkele van die voorgeprogrammeerde, lichtvoetige stukjes aan die ik nog liggen had. U ziet wel. Ik ook.

De voorafgaande stress was stukken kleiner dan de vorige keren. Ervaring zeker? Ik heb ook beduidend minder geld uitgegeven vooraf, zo stilaan heeft een mens wel alles in zijn bezit dat hij nodig heeft om comfortabel te reizen. Benieuwd wat ik ga vergeten zijn, of erger nog, wat ik ga verliezen.

Wanneer ik terug ben, is er misschien een regering. Is Eef bevallen. Is de zolder bij mijn moeder heringericht. Bent u allemaal naar Inception gaan kijken. Zijn de Gentse Feesten voorbij. Is mijn vakantie over zijn helft. En mogelijk ook over zijn hoogtepunt. En wie weet wat nog allemaal.

En hopelijk is er een film op het vliegtuig!

Met dit allegaartje aan gedachten neem ik afscheid!





Lectuurflop: De Stolp

21 07 2010

De lokroep van de stapel lectuur die ik verzameld had om mee te nemen op vakantie, was zo sterk dat ik toch alvast één van de zes boeken uitgelezen heb. Het thema van De Stolp – vijftien jongeren worden opgesloten in een huis voor een educatief realityprogramma – leek me wel wat. Ik heb het wel voor microwerelden en relaties tussen heel uiteenlopende personages.

De auteur is de Gentenaar Jeroen Theunissen en de prijzen en odes die hij volgens de cover al verzamelde, doen echt vermoeden dat het hier een (mij) onbekend literair talent gaat dat ik dringend moet leren kennen. Ik zie beoordelingen als ‘taalgevoel’ en ‘kritische signalen’, ‘literaire ernst’ en ‘ongekunsteld’. Voor de volledigheid wel even melden dat al die fraaie bewoordingen over zijn voirg werk gingen. Ik moet zo meteen maar eens wat opzoekwerk doen over de kritieken die De Stolp wist te verzamelen, want leger en nietszeggender proza heb ik de  laatste maanden niet onder ogen gekregen. Is dit de auteur ‘die mijn allerscherpste aandacht vraag’t, zoals Ons Erfdeel beweert?

Theunissen voert een groep jongeren op waarvan nauwelijks een personage echt uitgewerkt wordt. Enkelen verdwijnen ook al snel zonder dat daar een woord aan vuil wordt gemaakt. Ik wil beslist aanvaarden dat de karakters eigenlijk nauwelijks van belang zijn en de individuele lotsbestemmingen geen plaats hoeven te hebben. Misschien staat het collectieve centraal, of zijn de personages maar metaforen. Toch is dit wat frustrerend. 132 bladzijden – dat is gelukkig niet veel – volg je een groepje figuren die al die tijd even nietszeggend blijven. Ze hebben een  naam, maar zijn nergens levensecht, hoe nadrukkelijk Theunissen ook jongerentaal hanteert. Wat ik overigens een erg slecht idee vind, want het maakt je proza snel gedateerd. Ook de opzet van het televisieprogramma krijgt slechts heel sporadisch aandacht. Enerzijds zat daar beslist veel meer in, anderzijds bood dat, gezien het uitgemolken Big Brother al vermoeiend genoeg was, weinig nieuws. Toch verwerkt de auteur dit gegeven zeer onconsequent en clichématig in de plot. Het lijkt hem niet te interesseren en dat is zijn goed recht, maar misschien had hij dan maar gewoon een andere opzet moeten bedenken.

Maar goed, tot dus ver beschouw ik dit boek op een nogal oppervlakkig niveau. Het is Theunissen om meer te doen dan een tienerverhaal over de belevenissen van wat jongeren. Alleen heb ik geen benul wat ik dan wel uit De Stolp dien te halen. Iets over verlossing vinden, zoals de achterflap suggereert? Een schets van een generatie? Ik weet het niet en helaas wil ik het na het uitlezen van dit boek  ook niet meer weten. De Stolp is uiteindelijk gewoon zeer onbevredigende lectuur die dus gelukkig niet in mijn handbagage belandt is, want de treurnis die dat over mijn toch wel lange vliegreis zou werpen, zou geen goede start van mijn trip zijn.

Moet ik Theunissen nog een kans geven? Moet ik dat vorige werk, dat zoveel positiever onthaald werd, toch nog uitproberen? Heel misschien ooit eens. Toch heeft ook zijn bejubelde taalgebruik me absoluut niet kunnen bekoren. Ik vind zijn stijl schools, geforceerd en afstandelijk. Laat dus voorlopig maar zo.





Belgakots TV

18 07 2010

Zelfs al kijk ik in deze periode nauwelijks televisie, vanwege het weer maar ook omdat er simpelweg alleen maar onzin te bekijken valt. Toch zit aan mijn verdraagzaamheidsgrens wat een zeker reclame-offensief betreft. Het gaat over een aantal verschillende spotjes voor Belgacom TV, waarin een jammer genoeg uitermate irritant kroost opgevoerd wordt.

Wat is er leuk/vertederend/grappig/ aan ettertjes die hun ouders op zo’n ergerlijke manier de les spellen? Hoe moet onze sympathie groeien tegenover een product dat ik nu associeer met het soort gezinnen dat ik liefst zo veel mogelijk vermijd: die waar de kinderen de baas zijn en de ouders naar hun pijpen moeten dansen. Walgelijk vind ik de willoosheid  en zelfs vanzelfsprekendheid waarmee die ouders het gekef en geëmmer van hun kinderen ondergaan.

Zijn dit realistische taferelen? Tja, misschien in de leefwereld van de reclamemakers. Bij ouders die zichzelf en hun carrière belangrijker vinden dan hun kinderen. Maar zoals wel vaker is er een gigantische kloof tussen de mensen die de reclame bedenken en het doelpubliek. Niet dat er geen arrogante kinderen bestaan, maar moeten die opgevoerd worden als de norm?

Mochten de makers of de mensen van Belgacom overigens overwegen om in hun volgende spot maar een filmfreak centraal te stellen die iedere vrije dag wel een filmpje verteert, bespaar u de moeite. Ik heb absoluut geen behoefte aan een filmzender die me een veel te beperkte selectie van films aanbiedt, waarvan ik de meeste zelfs al gezien heb. Deze raad, die u een duur  marketingonderzoek bespaart, is volkomen gratis.





imaGINAtion

14 07 2010

Getuige mijn lijstje met zoektermen zijn jullie massaal op zoek naar een film waarin Geena Lisa zou meespelen. Bedankt om mijn bezoekcijfers tot recordhoogtes te brengen, maar er is zelfs mij als filmfanaat niets bekend over wat voor filmplan dan ook voor Geena Lisa. Ze is al zo pover als zichzelf, laat haar eerst die rol maar uitwerken.

Wat ik u dan wel te melden heb over film is dat volgende week zowat de beste film van het jaar in onze zalen verschijnt: het niet te versmaden Inception, een klein meesterwerkje vol geniale ideeën. Lees hier mijn recensie en trappel nog een week van ongeduld.

(alsof ik niet weet dat u eigenlijk allemaal op zoek bent naar de sex-tape van die andere Gina)





Gepamper: Oskar

11 07 2010

Net voor de grote hitte aanving, werd ten huize Elke en Sam mooi de zomer ingezet met de komst van Oskar, een broertje voor Simon en Anthe. Proficiat aan alle deelnemers!





Cyclus

10 07 2010

Na anderhalve week vakantie lijkt het voorbije schooljaar ver weg. De laatste dagen van juni zetten als vanouds aan tot reflecteren, maar ik heb bewust wat tijd genomen om daarover te schrijven. Hier toch, want er bestaan ook na het laatste feestje in benevelde toestand snel neergekribbelde gedachten, die ik bij nader inzien maar voor mezelf houd. Over alweer eens afscheid van een groepje fijne persoonlijkheden, die leerlingen die de lagere school vaarwel zeggen. Over de (bij ons op school) intussen haast vanzelfsprekende warmte tussen collega’s die zich samen door de laatste loodjes slaan, een rapport in de ene en een glas Freixenet in de andere hand – soms lijken die laatste dagen één langgerekt feestje. Waarop ouders en kinderen met cadeaus komen aanzetten, briefjes en kaartjes hun werk doen, je met de één na de andere sympathieke mens een praatje slaat en met wat spijt beseft dat je die vermoedelijk niet snel nog eens terug zal zien.

Bizar is dat, ergens. Welke andere job verloopt zodanig in cycli? Welk ander beroep biedt telkens weer dat moment van closure en die nieuwe lei twee maand later? Enerzijds is dat heerlijk, die tien maand aan één stuk doorgaan, afsluiten en herbeginnen. Ik hoed me wel voor routine en ben geneigd de loop der dingen eens te doorbreken, maar het zorgt ook voor stabiliteit. Anderzijds, zoals ik hier al eerder schreef gaat dat meestal met emoties gepaard. Zo’n schooljaar is een intense belevenis, dat je vooral samen moet doormaken. Met je collega’s – wat was dit jaar weer voldoeninggevend – , met je leerlingen en hun ouders. Ik weiger ongevoelig te worden voor telkens weer die vaarwels. Niet dat ik snotterend aan de schoolpoort de zesdeklassers sta uit te wuiven. Maar ik focus me toch altijd een moment op wie die leerlingen waren die je laat gaan (en die bij ons steeds twee jaar bij dezelfde leerkracht zaten).  Ik blijf hardnekkig foto’s nemen. Die ik ook dapper laat afdrukken en in overzichtelijke albums plak. Wie doet dag nog?

Ook aan sommige ouders, waarvan enkelen zelfs vier jaar lang kinderen in mijn klas hadden, was ik minstens … gewend geraakt. In die mate dat je er gerust nog een glas wil mee gaan drinken of op een feestje naast hen wil belanden. Maar dat is eerder onwaarschijnlijk. Je hebt nochtans geïnvesteerd in een relatie met die mensen. Leerkracht zijn vraagt sociale vaardigheden, wat me niet zo moeilijk valt zolang ik eerlijk mag zijn. Er zijn discussies en wrevels geweest, maar er is ook veel gelachen. En dat moet je dan ook opgeven om vervolgens aan de slag te kunnen met die volgende ouders. Een aangenaam aspect van de job met een wat wrange afloop.

Idem voor die collega’s. Elk jaar is er wel iemand die komt en iemand die gaat. Soms één jaar, soms na vele. Soapseries hé, met wisselende personages. Maar soms ben je zo’n fan dat je hoopt dat de scenaristen een manier vinden om al die personages gewoon in het verhaal te houden. Gedrevenheid is een aantrekkelijk sociaal aspect, stel ik  vast.

Emotioneler hoeft het hier eigenlijk niet te worden, maar ik voeg er graag nog een niet zo bekend liedje aan toe dat weliswaar wat sentimenteel is, maar de sfeer bij ons wat bepaald heeft de laatste dagen. Ik wens er mijn afscheidnemende zesdeklassers een mooie toekomst mee toe en laat het maar gepaard gaan met een gemeende ‘tot weerziens’, ook voor hun ouders.

(P.S. Ja, ben teruggekeerd naar de oude lay-out… voelt weer als thuis)





Mee

5 07 2010

Tijdens het kijken naar de Werchterverslaggeving op televisie, kom ik tot de vaststelling dat ik echt wel veel muziek ken. Ik die nog nooit een voet op een festivalweide of in een concertzaal gezet heb. Maar meer dan de helft van die vermelde groepen ken ik en heel wat van die liedjes staan zelfs al op mijn mp3-speler. Of ga ik alsnog toevoegen. De ontdekking dat enkele van die groepen gewoon Vlaams zijn, is dan weer wat onnozel van me.

Natuurlijk is Werchter de laatste jaren veel toegankelijker geworden en zijn de meeste hoofdacts vaste waarden die iedereen kent. Gaat men voor de conventies die de dertigers met geld aanspreken. Ben ik gebrainwashd door StuBru. En die tientallen onbekende kleine groepjes op de kleine podia negeer ik nu even. Maar ik voel me weer helemaal mee. Oef.








%d bloggers liken dit: