De Sint en zijn Piet

30 11 2011

Hoezeer we soms van het tegendeel overtuigd zijn, leerkrachten weten niet alles. Daarom zaten mijn collega’s en ik vandaag op een pedagogische studiedag (een conferentie dus) rond het thema taalvaardigheid en begrijpend lezen.

In de eerste helft van de voormiddag begaven we ons allen netjes naar de vooraf bepaalde workshop, de volle aandacht bij het onderwerp en in mijn geval met een grote bereidheid tot discussie. Hoewel interessant en bruikbaar, werd de informatie ons voorgezet zonder dat onze eigen inbreng van belang was. De aanwezigen uit het traditioneel onderwijs leek dat wel te bevallen – hun reacties bleven beperkt tot wat gemompel in hun vuist – maar de Freinetleerkrachten in het lokaal wilden toch zo graag hun ei kwijt.

Vandaar dat ik na de pauze wat minder meegaand werd en een sluimerende subversiviteit zich van mij meester maakte. Gelukkig bleek de tweede workshop een stuk actiever: we zouden kennis maken met een website die (al dan niet anderstalige) kinderen de kans bood een woordenboek op te bouwen met eigen definities en beeldmateriaal – mywondictionary. Mijn collega Geert geeft lichamelijke opvoeding en mijn directeur hoeft in de praktijk niets meer uit te proberen, dus vormden ze niet bepaald een motiverend gezelschap. Net op de nipper vielen ook Katrien, Cindy, Caroline en Hilde binnen, collega’s die voor een andere workshop ingeschreven stonden maar tijdens de pauze afzagen van hun plan, waardoor ze toch maar liever aansloten bij ons. Het moet gezegd dat dit sfeerbepalend werkte, terwijl we ook de aandacht hoog hielden.

Maar tja… hoewel in het dagelijks leven beschaafd en volwassen al onze verantwoordelijkheden dragend, doet dit soort situaties iets met een mens. Ineens zijn wij weer de leerlingen en moeten we luisteren naar iemand anders. Dat luisteren alleen al is moeilijk – we hebben toch altijd wat te vertellen – maar we steken elkaar ook aan met allerlei infantiele opmerkingen die dan nog eens hilariteit winnen doordat we ze moeten fluisteren. The good old days waarbij je de slappe lach nauwelijks kon bedwingen tijdens de les, zullen wel niet meer terug komen – ik heb al jaren geen slappe lach meer gehad, denk ik – maar de geringste aanleiding is toch goed genoeg om ons weer in de rollen van vroeger te laten kruipen.

Nu, we bleven beleefd en rustig hoor. Maar toen we zelf aan de slag mochten, lieten we ons helemaal gaan. De opdracht was zelf een woord toe te voegen in het on line woordenboek, met uitleg en beeldmateriaal. Meer is niet nodig om ons, respectabele burgers, te laten degraderen tot kinderachtige pubers die bij het woord Sinterklaas vooral de zakken en pieten vermeldenswaardig vinden en kiezen voor weinig flatterende foto’s. Hahaha en hohoho – dat onze leerlingen het maar niet te weten komen.

Maar we schamen ons niet. We hebben gewoon nog eens bewezen dat we een team zijn met veel enthousiasme, dat de zaken van een lollige kant kan bekijken – er zit al zo weinig humor in het onderwijs. Het risico lopend dat u geen voeling krijgt met onze flauwe flow en ons gedrag finaal afkeurt, laat ik toch even meegenieten van onze bijdrage. Het audiofragment blijft u gelukkig bespaard.

En morgen zijn we weer gewoon volwassen en pedagogisch verantwoord en een voorbeeld voor uw kind…

Advertenties




Mijn oma is dood (maar ze leeft nog)

23 11 2011

Afgelopen zomer werd mijn grootmoeder 88. Zeggen dat dat er een feeststemming was, is veel gezegd. Mijn grootmoeder is niet graag jarig, dat is al jaren zo. Maar nu kon er echt geen glimlach af. Niet dat er veel animo onder de verzamelde familieleden viel vast te stellen, maar toch, eens jarig leek ze toch altijd weer mee te willen, al was het maar omdat ik drie stukken taart at om haar plezier te doen.

Nu zijn we een aantal maanden later en er is geen beterschap. Mijn grootmoeder lijkt op haar 88e vastbesloten ongelukkig naar haar levenseinde te sukkelen. Haar gezondheid is daarbij geen doorslaggevende factor. Ze zit met een slecht genezende wonde, kneusde onlangs weer haar ribben bij een val, heeft evenwichtsstoornissen waardoor ze al eens haar vloerbedekking van zeer nabij moet bekijken, maar al bij al is ze voor een hoogbejaarde best nog vief. Dokters en professoren prijzen haar al jaren voor de kwaliteit van haar lichaam!

Maar vooral tussen de oren wil het niet meer mee. Mijn oma heeft er genoeg van. Ze klaagt en zeurt en plengt al eens een traan, weigerend nog enige schoonheid in het leven te zien. Vanuit haar standpunt kan ik dat soms begrijpen, al negeert ze koppig iedere scheut optimisme. Ze zit vaak alleen, is niet meer goed te been, eet niet meer met smaak, staart gedachteloos naar televisie en toont geen enkele interesse in wat voor ontspanningsmogelijkheid dan ook. Een Story doorbladert ze zonder enig genoegen en de post uit de brievenbus halen is de uiterste krachtinspanning en tegenwoordig haast de enige uitstap. Durf haar nergens voor uit te nodigen want ze komt niet (ook al omdat dat fysiek steeds moeilijker wordt).

Ze ziet mij en andere familieleden graag op bezoek komen. Ze heeft vijf zonen – waarvan drie gepensioneerd – , zeven kleinkinderen en als ik me niet vergis negen achterkleinkinderen. Maar dat garandeert geen zoete inval. Sommigen komen weliswaar eens per week, enkele zelfs iedere dag, maar nooit erg lang. Ik vrees ook dat de plichtmatigheid steeds voelbaar is. Er wordt dan geponeerd hoe druk het wel is en wat allemaal nog moét. Het gezelschap houden van een bejaarde hoort daar niét bij, zo laten ze haar voelen. Sommige kleinkinderen slagen er niet in één keer per jaar langs te komen. Druk druk druk, u moet dat verstaan. Ik woon het verste weg maar teken minstens drie keer per maand present.

Ze blijft daar consequent waardering voor uitspreken, maar toch kost het me een inspanning, dat geef ik al een tijd toe. Ik zie er de tijd wegtikken en aanhoor haar geweeklaag. Er zit al eens een buurvrouw of zo bij en dan val je al snel een erg enge wereld binnen, waarin dooddoeners of praatjes over het weer de dienst uitmaken. Ik verbijt mijn ongeduld, blader in haar roddelblaadjes en eet een koekje of tien. Een echt gesprek hebben we nooit. Mijn oma wil wel weten hoe het met me gaat, maar haar wereldbeeld staat mijlenver van de werkelijkheid. Ze begrijpt niet veel  – hoort ook niet goed – en beoordeelt alles vanuit een achterhaald, door de media gevoed angstenpatroon. Schoolmeester worden afgeslegen door bendes Turken en mijn broer moet bedelen voor een korst brood. Er is dus niet echt sprake van een conversatie. Zelfs de kracht van een anekdote gaat snel verloren.

Het is ook normaal dat ze, vanuit haar neerwaartse spiraal, enkel nog geïnteresseerd is in haar eigen situatie. Het aanhoren van haar problemen, bezie ik als mijn taak als kleinzoon, zelfs al krijg ik steeds meer het gevoel dat anderen die taak verwaarlozen. Ik word er ook moe van. Maar waarom zou ik, die een actief, gevarieerd, genotsvol, sociaal en impulsrijk leven leid, het niet kunnen opbrengen om haar nu en dan een uur gezelschap te bieden en wat aandacht te geven?

Straks denkt u nog dat dit artikel over mij gaat. Dat ik beroep doe op uw ‘vind ik leuk’s om mijn status als doodbrave kleinzoon bevestigd te zien. Maar de essentie is dat mijn bekommernis omgeslagen is in bezorgdheid. Ik krijg steeds sterker het gevoel dat mijn oma het wel  gehad heeft en ze zich, los van fysiek welzijn, een plaatsje aan het reserveren is in het hiernamaals. Maar hoe praat je zulke gedachten uit haar hoofd?

Ik vrees ook, en nu ga ik boude uitspraken doen, dat veel mensen ook niet inzien waarom dat uit haar hoofd moet gepraat worden. Misschien willen we wel allemaal dat ze op een ochtend niet meer wakker wordt, omdat ze dat zelf toch zo graag wil (en ons dat dan allemaal verlost van al die lasten?).

Alleen mag ze dat verlangen dan al uitspreken, in hoeverre is dat gefundeerd? Ze is altijd al bang geweest van de dood. Daar nu naar lijken te verlangen wijst of op een depressie of op een verpakte noodkreet. Intussen heeft dit doemdenken dan toch effect op haar gezondheid. Ze krijgt wel veel hulp in huis, maar het begrip zelfstandig wonen wordt duidelijk uitgehold. Ik vraag me dus af wanneer mijn vader en zijn broers deze situatie willen onder ogen zien. Het woord ‘rusthuis’ valt zelden. Mijn oma heeft zich daar altijd negatief over uitgesproken. Haar buren argumenteren mee. In eigen huis ben je de baas. Daar zit je evengoed alleen. Je krijgt er eten maar verder ziet er ook geen mens naar u om. Je krijgt er maar een klein kamertje. Enzovoort.

Ik begin dat te betwijfelen. Volgens mij zou mijn oma opgelucht zijn dat er altijd hulp in de buurt is, ze verlost is van een huis dat te groot is en een tuin die ze niet kan onderhouden. Waar wel degelijk andere mensen zijn om elkaar gezelschap te houden. Waar mensen professioneel het soort kletspraat gebruiken dat mijn oma net apprecieert. Of zal het één van haar zonen zijn die op een dag  – laat het nooit zover komen – haar van een verse luier moet voorzien? Ik dacht het niet.

Mogelijk overschat ik die seniorenopvang. Mijn oma is geen gemakkelijk mens. Maar wat is het alternatief? Een laf ontwijken van de realiteit, tot er op een dag iets erger gebeurt – een zware val, een heupbreuk, een attakske –  en ze maar meteen terechtkomt op een afdeling waar het onvermijdelijk naar pis ruikt? Ik ken mijn familie wel een beetje. Het zou best wel eens kunnen dat ze dat een normaal perspectief vinden.

Ik weet ook dat een plek in een rusthuis lang vooraf gereserveerd moet worden. Gezien de huidige gemoedstoestand van mijn oma en mijn akelige aanvoelen, is het misschien te laat om die zoektocht nu aan te vangen. De familie toont zich bereid de periode tot dat ultieme moment – wat evengoed nog jaren kan zijn – zwijgend te overbruggen, al zijn dat dan vele uren bezoek. Ik zucht daar diep om. Ik word er moe van. Ik schuif het van me af maar trek het me ook aan. Het is niet mijn zorg. Het is wel mijn zorg.

Zekere secreten van tantes, niet vies van wat gestook, etaleerden jaren geleden al hun zogenaamde barmhartigheid met de belofte dat er altijd een bedje voor haar zou klaarstaan, mocht het zover komen. Ik vind dat  het zover is. Waar is dat bedje nu?

Weet u wat mijn oma eigenlijk echt het aller- aller- allerliefste zou willen? Bij mij of mijn broer wonen. Echt waar. Ze laat zich dat al eens ontvallen, al weet ze meteen hoe absurd dat idee is. Ze ziet ons heel graag. Ik vind het een verpletterende verantwoordelijkheid dat de sleutel tot haar geestelijk welzijn misschien wel in onze handen ligt. Ik verkies dan toch maar bot egoïsme, in dat geval. Ik ga niet voor de status van heilige. Ik dek me in met die drie bezoekjes per maand.

En voilà, dan ben ik misschien nog slechter dan mijn familieleden.

Wat nu?

************





Beste Panosbakker (2)

11 11 2011

Geachte heer,

Kent u me nog? Enkele jaren geleden was ik een trouwe klant. Ik heb u toen nog ongevraagd advies gegeven rond uw voorraden.

Ik neem het u geenszins kwalijk dat u die periode achter zich heeft gelaten. Ik ben geen klant meer van Panos. Niet vanwege een ontevredenheid over het assortiment of de kwaliteit van uw waren, noch over de bediening. Eigenlijk zit er geen bewuste beslissing achter. Eerder toevallig bleken andere zaken handiger voor mijn aankopen.

Dit is echter naast de kwestie. Ik richt mijn schrijven tot u omdat ik vandaag heb vastgesteld geen spijt te hebben van het feit dat ik niet langer tot uw klantenbestand behoor.

Vandaag betrad ik voor het eerst sinds lang uw winkel – u blijkt de enige bakker in de buurt die al om kwart voor 8 open is. Ik koos uit uw ruim assortiment een meergranenbrood. Voor het eerst maakte ik kennis met jullie intussen ietwat befaamde vierkant brood. Ik was daar eerlijk gezegd niet enthousiast over. Een vierkant brood, dat slaat toch nergens op? Het klinkt onnatuurlijk: een in zijn bakvorm vastgistend gedrocht, een anomalie als gevolg van een mislukt wetenschappelijk experiment. Als een vierkant ei. Een gladgeschoren cactus. Een banaan zonder schil of een voorgebakken biefstuk. Producten waarvan marketeers denken dat ze het leven van de consument vergemakkelijken, terwijl het in feite iets bizar is. Of alleszins niets uitmaakt. Want waarom is mijn brood vierkant?

De broodzak informeert me daarover, via een opsomming van voordelen die eveneens enkel door marketeers bedacht kunnen worden. Zo mag ik me bv. gelukkig prijzen dat elk sneetje even groot is. Maar zit de charme van een rond brood er nu net niet in dat niet alle sneetjes even groot zijn? Want met zo’n korstje valt vanalles aan te vangen. Men dopt het in soep of gebruikt het als schraper voor een lekkere saus. Iets waar een volwaardig snee brood niet geschikt voor is. In mijn geval doen het begin- of eindsneetjes dienst als excuus: ik eet een chocolade ventje en maak mezelf wijs dat dat mag omdat ik er een boterham bij eet. Dan heb ik het over zo’n futiel sneetje waarmee het brood aanvangt. Maar genoeg daarover.

Voor de toevallige meelezer schets ik wel even het verschil tussen uw vierkant brood en het reeds lang bestaande langwerpig brood waarvan de sneden eveneens min of meer vierkant zijn. Dat verschil is futiel, hoewel uw brood vierkant is en de oude versie langwerpig. Maar het punt is dat u uitsluitend vierkant brood verkoopt en geen rond meer. U biedt de consument dus geen keuze en maakt ons wijs dat deze verandering bedacht is om de klanten een plezier te doen terwijl een duidelijk een economische strategie achter zit die te maken heeft met kostenbesparende maatregelen en functionele stapeling.

Ik kan u als commerciële onderneming niet kwalijk nemen winst als primair doel te stellen. Maar het maakt wel dat ik in plaats van brood vooral een product van u koop.Een schijnbrood haast. Een hallucinatie. Dat in veel te dunne sneetjes wordt gesneden. Waarmee ik dus suggereer dat met de nieuwe broodvorm ook een nieuwe snijmachine kwam die zo afgesteld is dat men net één sneetje meer krijgt, om de illusie te laten ontstaan dat we meer brood hebben voor dezelfde prijs. Maar iedere doorwinterde broodeter zal het bevestigen: de sneetjes zijn te dun.

In de hoop dat feedback van een klant door u als een opportuniteit wordt beschouwd, sluit ik mijn schrijven af met een oprechte gelukswens wat verdere innovatieve initiatieven betreft en wie weet hoort u binnen enkele jaren weer van me.

Met vriendelijke groeten,

Sven De Schutter





Lectuurtip: Zomerhuis met Zwembad

6 11 2011

Het genoegen van goede lectuur laat zich slechts enkele keren per jaar waarnemen. Ironisch dat het leesplezier bij zulke werken ook altijd het snelst voorbij is, gezien de manier waarop het je aanzet verder te lezen. Zomerhuis met Zwembad wist me op een avond of drie compleet voor zich te winnen en nam in mijn hoofd al snel de vorm aan van een heerlijk spannende film.

Ik had vooraf de kans hoog ingeschat dat deze roman me zou bevallen. Van Herman Koch las ik ook Het Diner en dat bleek al te getuigen van zijn talent om levensechte personages te schetsen die geloofwaardige dialogen hanteren en in een situatie belanden die psychologisch steeds benauwender wordt. Zomerhuis met Zwembad vergroot deze eigenschappen nog met als resultaat een razendsnel voortdenderende thriller.

De protagonist is er eentje om niet snel te vergeten. Marc Schlosser is een huisarts met bedenkelijke morele opvattingen en sociale principes. Wanneer hij met vrouw en dochters gaat logeren bij een patiënt die hem uitgenodigd heeft in zijn zomerhuis in Frankrijk, gebeuren er een aantal zaken die de onderlinge relaties drastisch dreigen te veranderen.

De sterkte van deze meeslepende roman zit volgens mij in het strakke verteltempo. Geen enkel personage of situatie is er zomaar: alles en iedereen heeft zijn rol in het verhaal. Koch heeft zijn plot volledig onder controle. De occasionele afdwaling gunt ons een blik in het hoofd van het hoofdpersonage: er huizen weinig empathische gedachten, zeker voor een huisarts, die het verhaal een griezelige ondertoon geven.

Grote literatuur is dit niet, maar Koch toont zich een meesterlijk verteller die schitterend personages tot leven kan wekken en een verstikkende atmosfeer weet op te roepen. Het is lectuur voor het grote publiek – het werd dan ook een bestseller – , meeslepend zoals de betere Hollywoodfilm.





Gepamper: Mil

3 11 2011

De luiers en papflessen stonden al even klaar en kunnen nu hun nut bewijzen: Flore en Bart mogen zich immers de kersverse ouders noemen van hun eerste kindje Mil. Ik wens hem een voorspoedig leven toe en wens zijn ouders van harte proficiat!





Lectuurtip: Onder Vrienden

2 11 2011

Ik was wel te vinden voor de hapklare vertelstijl van Paul Baeten Gronda, van wie ik zijn eerste roman Nemen wij dan samen afscheid van de liefde las. Zijn derde roman  – een toch wel erg dun boekje – is me goed bevallen, al vind ik dit echt sneetjeslectuur: zo leg je er gerust meerdere tussen je boterham.

PB Gronda beschrijft het samenkomen van een groep vrienden ter ere van de dertigste verjaardag van het hoofdpersonage. De samenstelling van de groep en de verrassende onthullingen die de relaties tussen allen na die avond duidelijk geherdefinieerd zullen hebben, zorgen voor boeiende lectuur, hoewel die zaken weinig origineel zijn en zelfs in zekere zin gezocht en nadrukkelijk literair aandoen. Vriendengroepen in romans bestaan altijd uit een klein, bevatbaar clubje, verantwoord samengesteld uit koppels en vrijgezellen, hetero’s en homo’s, rijke en minder rijke, intellectuele en minder intellectuele personages en dan liefst nog iemand met een andere nationaliteit of huidskleur. Kortom: het soort vriendengroepjes dat vooral in fictie voorkomt. En in hoeverre bent u in werkelijkheid wel eens getuige van een grote revelatie, laat staan van meerdere na elkaar?

Hoewel het me dus stoort dat PB Gronda zo weinig moeite heeft gedaan om wat levensechter uit de hoek te komen – hoewel: voor iemand die volgens de achterflap ‘afwisselend in Leuven, Borgosesia en New York woont’ is dit misschien wel levensecht – leest Onder Vrienden lekker weg. De personages zijn leuk getypeerd en de dialogen zijn gevat. Jammer dan ook dat er niet meer mee gedaan wordt. Ronald Giphart – ongetwijfeld een invloed op Gronda – zou er zich niet zo makkelijk vanaf gemaakt hebben.

De beschouwingen rond het ouder en volwassener worden, beschrijft de achterflap als ‘Zo snijdt hij met humor en venijn in zijn eigen vlees en in dat van zijn leeftijdsgenoten‘. Dat vind ik vergezocht, want hoewel Gronda niet veel tekst nodig heeft om de opvattingen van de personages te schetsen, zijn het ook best wel stereotiepe beschouwingen. Ik vraag me toch wel af wie die leeftijdsgenoten van Gronda in werkelijkheid zijn. Dit lijkt me beslist geen verhaal dat als illustratie kan dienen bij de identiteit van mijn generatie. Maar wijn wonen dan ook niet afwisselend in Leuven, Borgosesia of New York natuurlijk.

In zijn geheel dus echt te weinig essentieel en nergens zijn potentieel waarmakend, maar wel een leuk leestussendoortje.

Om af te sluiten een fragmentje dat ik erg herkenbaar vond:

“Maar hij is echt een beste kerel hoor, als je hem leert kennen. Weet je wat het is met al die geweldige mensen die je eerst moet leren kennen? Dat zijn eikels. En je leert hen niet kennen, je went gewoon aan het feit dat het eikels zijn.”








%d bloggers liken dit: