Ik ben een dokwerker (2)

10 08 2012

Mijn zomer is DOK, daar komt het tegenwoordig zowat op neer. Dat wil zeggen: mijn vrijwilligerswerk op de verpozingsplek DOK in Gent laat me niet los. En dat bevalt me enorm. Morgen neem ik een korte vakantie en ik vrees nu al voor het gemis. Klinkt dat ongezond? DOK is een verslaving. Dat wist ik u vorig jaar ook al te vertellen.

Ondanks het wisselvallige weer heeft DOK best al wat topdagen gehad. Er zijn dan honderden bezoekers en die hebben allemaal hun wensen en kuren. Soms doen die ons glimlachen, soms met de ogen rollen (‘Een drankkaart van 5 euro a.u.b.’ – ‘Alstublieft’ – ‘Hoeveel is dat?’). Dat betekent ook dat we het druk hebben, maar we verkiezen die inspanning boven werkloos naar een nat strand en leeg terras te staren. Op zo’n druk dag zweten we en zuchten we, vinden amper tijd voor pauze, worden dorstig en hongerig, vergeten onze zonnecrème, stellen een wc-bezoek uit en voeren een gevarieerde reeks taken uit waarvan het van het strand oprapen van lege potjes babyvoeding tot nu toe gelukkig de minst aantrekkelijke zijn, … maar eigenlijk vinden we dat allemaal fantastisch.

We, zeg ik bewust, want aanvankelijk onthou je je tegenover de tijdelijke collega’s van uitspraken over hoe leuk het is om op DOK te werken. Je durft niet te bekennen dat je eigenlijk wel iedere dag zou willen komen. Dat je na je shift expres blijft plakken. Dat je te vroeg komt of spontaan een handje toesteekt als je eigenlijk niet van dienst bent. Maar dan zie je dit zich steeds nadrukkelijker manifesteren bij je collega’s en waag je je toch aan een opmerking. Of een minder terughoudende collega bekent luchtig hoe fijn het hier is en we zijn hem of haar dankbaar om dat uit te spreken. Nu draaien we niet meer om de pot: we zijn allemaal verzot op DOK.

Onze ‘bazen’ – het formidabele team CarlaLiesbethSofieRudiMichielBartPeter, kortom de Jos – spelen daar een grote rol in. We zien ook wel dat zij nog veel harder werken, iedere taak zonder verpinken opnemen, uren en uren overwerk doen, nergens voor terugdeinzen en elk probleem kalm en standvastig oplossen. Net als vorig jaar neem je die voorbeelden onbewust op. Dat stimuleert.

Maar dat speelt niet de grootste rol. Hoewel de groep medewerkers best groot is en we elkaar niet allemaal kennen, ontstaat er na een tijd toch een soort groepsdynamiek, een vrijwilligersvibe waarin ieder zijn rol heeft. Sommigen hebben hun eigenaardigheden – té vaak de schoonmaakvod bovenhalen, het opvullen van de frigo’s uitstellen, iets te veel aandacht eisen, graag vertellen hoeveel shifts hij of zij er al op zitten heeft, ik zeg maar wat – maar dat verhindert niet dat we het daar eigenlijk best gezellig hebben. En onze bezoekers met ons natuurlijk, hopen we. Het klinkt als een torenhoog cliché, maar samenwerken levert echt grote voldoening op.

Dus, in nog grotere mate dan vorig jaar, moet ik bekennen dat ik een werkvakantie op deze manier verkies boven een luilekkervakantie. In afwachting tot die andere fantastische job weer begint, blijf ik dus met plezier DOKken met Els, Evelien, Davy, Nele, Karliener, Marc, Ann, Patricia, Jeroen, Frank, Tjeu, Vincent, Katrien, Karel, Caroline, Kathleen, Pierke et les autres. In de vurige hoop dat DOK er volgend jaar nog altijd is.

Lees ook: Ik ben een dokwerker (1)

Website DOK





Meneer De Schutter voor u

2 08 2012

In het ING-kantoor waar ik zo nu en dan eens moet zijn, heeft men de loketten verwijderd. Nu doe je je praatje aan een balie, waar steevast een oudere, vaak zwaarlijvige man belangrijk zit te lijken naast een poppemieke dat net iets te vaak moet gecorrigeerd worden bij het geven van uitleg. Samen vormen ze het soort duo waarbij je ongewenste intimiteiten voorstelt die door het slachtoffer gedoogd worden omdat het haar carrière goed uitkomt.

Met dit interieurconcept gaan ook nieuwe klantbenaderingen gepaard. Men heeft blijkbaar ergens beslist dat klanten nu met de voornaam worden aangesproken. Vanaf het moment dat de man aan de balie mijn bankkaart in handen heeft, scannen zijn ogen razendsnel mijn kaart, waarop hij mij meteen aanspreekt alsof hij me kent.

Ik zou daar in theorie eigenlijk geen punt van maken, maar toen het me vandaag overkwam, stelde ik meteen vast dat dit niet klopte. Er ging een klein signaal af in mijn hersens bij het horen van mijn voornaam uit de mond van een onbekende. Bovendien ben ik een klant. Ik vind het dan beleefder formeel aangesproken te worden. Afstandelijkheid en discretie zijn geschikte eigenschappen voor een bankbediende, die je je bij een normale gang van zaken na tien minuten al niet meer herinnert.

Daar komt bij dat ik de man zelf ook niet ken, of althans zijn voornaam niet weet. Hij draagt geen naamplaatje dus ik kan hem niet op dezelfde manier aanspreken. Mocht ik die naam toch weten, ik zou een zekere schroom voelen om zomaar ‘Dirk’ of ‘Jean’ te gebruiken. Het was overigens een duidelijke Dirk, vond ik.

Eén of ander marketingbureau dat de klantenservice van ING gehercreëerd heeft, heeft wellicht bedacht dat dat stijl van nu is. Er is geen barrière meer tussen klant en bediende, letterlijk noch figuurlijk. Voornamen zijn in. Frank en Sabine zijn al jaren niet meer dan dat op één. Men is approachable, zo klinkt het wellicht in marketingmiddens. Of niet, weet ik veel.

Ik slik het  niet. Zou ik het durven, volgende keer gewoon te opperen dat ik ‘meneer’ verkies boven ‘Sven’? Of is dat aanmatigend? Maar is ING dat nu dan eigenlijk ook niet?

Bij ING voelt elke klant zich persoonlijk aangesproken.








%d bloggers liken dit: