2013: de conclusie

2 01 2014

Ik wil nog eens iets kwijt en dat is een tijd geleden. Dat ik minder blog heeft alvast niets te maken met Twitter of zo. Daar vind ik niets aan, dat moest maar eens gezegd. Ik heb nog steeds veel bedenkingen en opmerkingen maar soms vind ik ze niet de tijd meer waard om die te gaan beschrijven. Ik communiceer namelijk graag in meer dan 140 tekens.

Belevenissen van echt bijzondere aard zijn er ook al niet te melden, of het moet zijn dat ik het met u wil hebben over die voetstap van mij in de pas gegoten epoxyvloer van de buren of de hernieuwde passie van mijn leerlingen voor lego.

Nu we 2013 achter ons laten vind ik dat ik even moet terugkijken. Ik hecht minder en minder aan deze feestdagen maar van een jaareinde gebruik maken om eens terug te blikken, is zinvol, vind ik. Al is het alleen maar omdat ik dat graag eens terug lees en ik daar vorig jaar wel iets aan gehad heb, die reflectie. Het stuk dat ik vorig jaar schreef bevat voor mij veel principes die nog steeds gelden.

In 2013 was de bijzonderste gebeurtenis de geboorte van mijn neefje Charlie Joe, wiens bestaan voortdurend wonderbaarlijke indrukken oplevert. Ik ben fan. Ik geniet er ook van te zien hoe hij de rest van de familie inpalmt met zijn sprekende blik en fanatiek gewiebel in het zitje.

Bijzonder was ook dat ik een driejarige opleiding afsloot en nu dus een extra attest in handen heb dat me weer een stukje deskundiger maakt als ik het over Frreinetonderwijs heb. Het was een intensieve periode met een groep gepassioneerde en hardwerkende mensen.

Ik bezocht voor het eerst Berlijn en dat was een heel deugddoende en genietbare ervaring. Niet alleen omwille van deze sfeervolle stad zelf, ook omdat dit door omstandigheden een reisje vol luxe en voordelen was. Ik genoot er ook van het fietsen trouwens.

Film was nog meer dan anders aanwezig in mijn bestaan. Ik verbrak mijn record uit 2006 en zag 261 films. Dat klinkt haast ongezond – meer hoeven het er echt niet te worden op één jaar – maar ik verdiep ook wat dat betreft mijn kennis, in dit geval voornamelijk over oude films. Daarnaast kan ik me nu eenmaal een grote portie escapisme permitteren en komt er nog lang geen sleet op mijn drang om in fictie weg te duiken.

En dan was er DOK natuurlijk, misschien wel de gebeurtenis die dit jaar voor mij kenmerkt. Omdat we na twee heel fijne jaren tot een nog meer gesmeerd lopend geheel kwamen, omdat ik er genoot van een ander soort hard werken dan in mijn echte job, omdat die bonte bende vrijwilligers op een aparte manier een soort familie werden. Het voorlopige punt dat we er achter gezet hebben, was ook een reden om terug te kijken op wat die drie jaar met mij gedaan hebben en ik moest warempel vaststellen dat ik echt wel wat geleerd heb. Los daarvan was er nu en dan ook wel eens een ergernis.

Deze hoogtepunten staan ogenschijnlijk veraf van meer filmische climaxen. Ik heb geen vioolconcert gegeven, leerde niet skateboarden, maakte geen reis naar Fijit of adopteerde geen Afrikaans weesje noch een parkiet die Russische wijsjes fluit. Maar ik hoef niemand te overtroeven natuurlijk. Ik kijk wat dat betreft als mens met bescheiden verwachtingen, tevreden terug op het vorige jaar.

Ik blijf mijn werk zeer graag doen, ook al blijft lesgeven een job die best uitputtend kan zijn, vooral psychisch en emotioneel dan. Er is wat weinig plaats of wat te veel kinderen, er is geen budget en te veel administratie, maar die leerprocessen begeleiden is wel immens boeiend. Kinderen zijn in veel gevallen echt interessant en zorgen voor veel lol. Een bosklas is en blijft een prachtervaring. En zelfs na al die jaren in juni die zesdeklassers op de wereld los laten in de hoop dat het hen goed gaat, blijft wat doen met een mens.

Mijn gezondheid is al evenzeer stabiel gebleven, ook dat is van belang. Ik nam afscheid van een tand en dat is zo’n triviaal feit dat het eigenlijk het vermelden niet waard is. Ik was vrijwel niet ziek en weeg nog steeds evenveel als een jaar geleden. Maar qua beweging heb ik minder inspanningen geleverd dan de jaren ervoor.

Ook de meeste mensen rondom mij stelden het goed. Mijn familie is nog steeds in optima forma, mijn drie nog in leven zijnde grootouders zijn intussen echt wel oud maar kerngezond, ieder stelt het wel op nu en dan een akkefietje of een zorg na, die echter in het niets vallen bij de drama’s die andere Aardbewoners meemaken.

De groep mensen om me heen bij wie ik me goed voel, is intact gebleven al blijft het soms zoeken naar een evenwicht. Niet iedereen kan dezelfde portie Sven aan maar met de mensen die het wel kunnen, is de band verstevigd, heb ik de indruk. Ik blijf wel eens sukkelen met de tekortkomingen van anderen maar anderzijds ben ik minder scherp en blijft het allemaal minder lang hangen. Als ik dit jaar als eens piekerde of kniesoorde, had het meestal te maken met mijn positie tegenover de mensen die ik graag heb. Ik hoop dat de juiste mensen weten dat ze belangrijk voor me zijn, de Vliegeraars, de Filmfreaks, de Dokwerkers, de Haaltenaren, de Onderwijsgekken. Ze zijn met velen en krijgen niet allemaal even aandacht maar ze tellen allemaal nog mee voor mij. Ook als hun gezinsuitbreidingen niet meer opgenomen worden in mijn Gepamper-rubriek. Ik kon niet meer volgen, eerlijk gezegd.

Eén van de droevigste gebeurtenissen van 2013 was het dodelijke bergongeval van Kevin, een goedhartige 26-jarige van wie ik een dikke tien jaar geleden leiding was in de jeugdbeweging. Het blijft nu nog, zes maand later, onbevattelijk dat iemand zo plots en veel te vroeg uit het leven van zijn dierbaren verdwijnt. Ik had hoogstens nog eens een vluchtig contact met Kevin in het laatste decennium, maar zijn dood heeft me aangegrepen.

Eveneens bijzonder treffend was de dood van mijn buurman, nadat die enkele dagen vermist was. Geen emotionele maar wel een indrukwekkende gebeurtenis die me vooral liet nadenken over de mate waarin we er in onze maatschappij voor anderen zijn. Wanneer mogen we ons ergens mee bemoeien?

Ik stel vast dat het goddank daar bij gebleven is en ook haast niemand uit mijn omgeving verdere dramatische dingen overkomen zijn. Ik koester mijn geluk. Dat ik alweer een nieuwe laptop nodig had en mijn fiets gestolen werd in 2013, is van geen enkel wezenlijk belang.

Verder ga ik dus best gerust door het leven al blijft het een minder goed idee om de krant te lezen en het nieuws te volgen. Ik hou er zelden een goed gevoel aan over. Dichter bij huis ben ik verontrust over het fenomeen GAS-boete. Ik heb er zelf nog geen gekregen en verneem de ridicule vormen die deze sancties aannemen, ook maar gewoon in de media. Maar dat volstaat al om me soms ongemakkelijk te voelen als ik me buiten de deur begeef. Controle en regels, ik kan me daar ergens wel in vinden – ik berisp mijn buurman ook als ik hem zie sluikstorten – maar de deur naar willekeur staat wagenwijd open. Alle macht aan ambtenaren, die wars van een context mensen gaan straffen. Los van duidelijkheid ook, want ik heb geen idee wat er in mijn stad mag en in een andere niet. Brr.

Het zal mijn 2014 hopelijk in niet te grote mate bepalen, mag ik hopen. Ik wens iedereen wat ik mezelf wens, en dat is hetzelfde als vorig jaar: dat het leven niet te zwaar mag vallen en we overweg kunnen met wat ons pad kruist. Ik ben alvas van plan in het komend jaar mezelf eens te verrassen. Maar dat is voor later.

Advertenties




Lectuurtips?

30 10 2013

kunstvhveldspelTerwijl ik met ongelooflijk genoegen de ene film na de andere bekijk en daarmee zowel een maand- als een jaarrecord zal breken, blijk ik met enige paniek vast te stellen dat ik dit jaar amper gelezen heb.

Ik ben het jaar gestart met drie ongelooflijk goeie boeken. De Halfbroer van Lars Saabye Christensen was een enorm genoegen dat me enkele maanden leestijd kostte vanwege zijn enorme omvang.

Vervolgens genoot ik van Massa van Joost Vandecasteele dat ik liet opvolgen door De Kunst van het Veldspel van de Amerikaan Chad Harbach, opnieuw een erg meeslepende en mooie geschreven tragische roman.

Ik ben het laatste jaar niet meer in de bibliotheek geweest. In de hoofdbib van Gent vind je maar zelden recente zaken want die zijn altijd uitgeleend. De minder recente werken zijn zo groot in aantal dat ik er amper weet aan te beginnen. Bovendien had ik altijd maar boetes want ik was altijd te laat met het terugbrengen. Dus sindsdien koop ik gewoon zelf boeken. Aangezien hier nu minstens vijf aantrekkelijke romans klaar liggen, is mijn leesachterstand dus niet te wijten aan een gebrek aan leesvoer.

100jarigeman.inddIk besloot me begin juli wat te herlanceren met De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween, een typische zwarthumoristische Scandinavische  vertelling van Jonas Jonasson. Ik smulde van de eerste helft van dit verrukkelijk geschreven verhaaltje met zijn leuke personages.

Toen werd het zomer. Ik ging naar Berlijn, zat op DOK, ging naar het zomerfilmcollege en was niet vaak thuis. Ik trachtte nu en dan een bladzijde te vorderen in De 100-jarige… maar ik moest soms zelf enkele pagina’s terugkeren omdat ik niet meer wist wat er eigenlijk gebeurd was. En toen besloot ik het maar op te geven. Ik vond het plots vergezocht, eentonig, artificieel en inhoudsloos en legde het aan de kant. Zo was ik drie maand verder zonder ook maar een boek aan mijn leeslijst toegevoegd te hebben. De tijd voor het slapengaan, de treinritten en toiletbezoek vulde ik met tijdschriften en kranten.

De zomer is al even voorbij, DOK sloot af, het schooljaar startte op, het filmfestival ging voorbij en zo kwam er eindelijk weer een moment dat ik vond aan een boek toe te zijn en daarnaast even een tussenstand op te maken. En ziehier dus mijn schokkende vaststelling: drie boeken.

Met veel zin werp ik me dus op die mooie stapel boeken, maar meer dan een bladzijde of twee per avond blijkt me momenteel niet te lukken. Als een bejaarde die zijn uurtjes dutten nodig heeft, sukkel ik telkens heel snel in slaap. Voor die enkele lezers die hier zo nu en dan een leestip kwamen halen: duim mee op beterschap dus!





The End (5)

24 10 2013

ffg_sponsorGezien ik de laatste vijf jaar telkens het filmfestival van Gent afsloot met een terugblik-blogstukje (wat een tongbreker, serieus zeg), vond ik dat ik me daar ook dit jaar maar even aan moest houden. Nochtans vermoed ik minder indringende herinneringen te zullen hebben dan voorgaande jaren, maar ik lees zelf altijd wel graag eens terug hoe het er aan toe ging dus hier gaan we:

Ik zag dit festival 35 films. Dat is geen record maar wel meer dan de laatste jaren. Dat komt enerzijds omdat mijn programma net iets voller zat. Ik koos dit keer geen vrije dag, maar dat was eerder toeval. Ik heb al lang geleerd niet zomaar veel films te willen zien maar gewoon een interessant schema op te stellen. Zitten daar weinig gaten in, dan wordt dat hevig. Is het schema niet helemaal gevuld, dan kan dat voordelen hebben. Om maar te zeggen: ik streef er niet naar een zo vol mogelijk programma te hebben maar probeer wel elke dag minstens 2 films te zien.

Meest opvallend aan de programmatie vond ik de zwakke weekends. De voorstellingen op zaterdag en zondag zijn enorm succesvol, vaak zelfs uitverkocht en toch zetten de programmatoren niet eens zoveel, laat staan interessante films op die dagen. Zo was er een zondag waarop in de voormiddag simpelweg niets vertoond werd en in de namiddag het programma vooral uit klassiekers bestond. Terwijl je de filmliefhebber die nu eenmaal enkel in het weekend kan, toch meer plezier zou doen met nieuwe films.

Ik  vond de openingsfilm, The Fifth Estate, opvallend zwak. Was dit een toegeving aan allerlei bevriende filmmakers (het is een Belgische co-productie)? Deze film werd duidelijk niet gekozen omwille van zijn cinemakwaliteiten. En dat terwijl je wel het fenomenale Gravity op je programma staan hebt.

Een tweede reden waarom ik meer films zag, was dat de festivalbar een enorme tegenvaller was. Doorheen de jaren is het festivalcafé een ankerpunt geworden, gekenmerkt door zijn wat  wiebelende plankenvloeren, de occasionele tocht en vaak originele inrichting. Gezellig in groep of op je eentje en een ideale plek om af te spreken of iemand op te wachten.

Dit jaar was er geen plaats in de tent – daar moeten recepties gegeven worden om sponsors te bedanken of zo – en dus mocht de festivalganger uitwijken naar Bloomingdales, de bar onder Kinepolis die voor de gelegenheid Marty’s Bar werd genoemd. Gewoonlijk mijd ik dit ongezellige café, waar meestal het soort volk verpoost dat ik eerder associeer met een dancing in de provincie. Het was dus met enige tegenzin, maar ook optimisme, dat ik in gezelschap dit oord  betrad.

Ik waande me al heel snel in Carré en daarmee  bedoel ik geenszins het theater in Amsterdam. Het grootste deel van het publiek bestond me dunkt niet uit festivalgangers (wat mag hoor, maar waar zijn dan de festivalbezoekers allemaal heen?), wel uit opgetutte jongens en meisjes die kwamen partyen. Zithoekjes genoeg gelukkig voor de iets volwassener cinefiel die nog wat wou napraten, maar gezellig kon je die dan ook weer niet noemen want wie in de rust wou zitten, zat ook in de kou. Rust bleek overigens relatief want de volumeknop leek een eigen wil te hebben en wilde ons kost wat kost horendol maken.

Vriendelijk was men er dan weer wel, dat mag ook gezegd. Maar meer dan een keer of twee heb ik het niet opgebracht Marty’s Bar als afsluitpunt te kiezen. Het was ook wel zo dat ik mijn avonden vaker afsloot met een voorstelling in een andere bioscoop, waardoor ik dus toch niet in Kinepolis was, maar spijtig vond ik dat alleszins niet. Mijn nachtrust heeft daar de voordelen van ondervonden.

Er was dus iets minder cinefiele cohesie, al ben ik al mijn filmvrienden vaak genoeg tegengekomen om me deel van een gemeenschap te voelen. Het heeft ook wel iets, al die individuele schema’s die elkaar dan telkens toevallig kruisen, of net niet. En allemaal vertellen we wat we zagen en geven we tips of afraders.

Want de essentie bestond uit het kijken naar films natuurlijk. Ik genoot met volle teugen, ook al combineer ik dit ieder jaar natuurlijk met een voltijdse en veeleisende job. Maar twaalf dagen na elkaar filmkijken, het brengt je toch enigszins in een roes, een soort tweede  bewustzijn dan enkel uit fictie bestaat, uit levens van personages en figuren. Echt heerlijk.

22 van de 35 films waren Amerikaans en dat is niet van mijn gewoonte. Maar blijkbaar wisten die zeker dit jaar mijn nieuwsgierigheid het meest te prikkelen. Daarnaast zag ik 4 Franse, 2 Poolse, 1 Spaanse, 1 Indische, 1 Belgische, 1 Britse, 1 Ierse en 1 Japanse film. Voor het eerst zag ik ook een film uit Kazachstan.

Geen Scandinavische producties dus, dat moet zowat voor het eerst zijn. Er stonden er dan ook amper op het programma. Ik vond ook opvallend veel films goed. Twee bevielen met echt niet (Much ado About Nothing en Carrie) en 4 vond ik matig. Alle andere wist ik in min of meerdere mate te appreciëren, waardoor ik hier dus maar geen lijstje publiceer. Een aantal van de films recenseerde ik hier en daar kan je al wat mee.

DSC_1463Kenmerkend voor deze festivaleditie was de komst van Joseph Gordon-Levitt. Een fijne acteur, maar ik streef er nooit naar bekende gasten in mijn programma te passen. Het was echter puur toeval dat ik even vrij had en ter plekke was toen de acteur uit 3rd Rock from the Sun, Looper, Inception, Premium Rush, The Dark Knight Rises, 50/50, Lincoln en Don Jon aankwam. Ik heb me dus volkomen laten meeslepen in een (beperkte) hysterie en stond breed glimlachend te fotograferen toen hij de rode loper betrad. Hollywoodsterren zie je nu eenmaal niet elke dag en het was al sinds deze dame geleden dat ik nog een steracteur van dichtbij gezien heb.

De slaap is intussen ingehaald, de films gerecenseerd, de lijstjes aangevuld en mijn rapporten geschreven. Ik heb het Filmfest (in tegenstelling tot vorig jaar) met veel energie uitgezeten en binnen een paar weken kijk ik zeker en vast alweer uit naar de 41 editie.

terugblik 2012 – terugblik 2011 – terugblik 2010 – terugblik 2009





Bemoei u

18 07 2013

Toen mijn buurvrouw – een ontwikkelde, stadse, oudere dame – me er attent op maakte dat ze onze gemeenschappelijke buurman al even niet gezien of gehoord had, zag ik daar aanvankelijk geen reden tot paniek in. Het gaat hier om een wat vereenzaamde zeventiger die zichzelf niet zo goed verzorgt en af en toe een glas te veel drinkt. Hij leeft onregelmatig, kijkt de hele nacht naar televisie, komt op ongebruikelijke tijdstippen thuis, … We komen elkaar niet eens elke week tegen in de gang of lift. Zijn doen en laten valt sowieso al niet erg in de gaten te houden.

Wel had ik al sinds ik terug was van vakantie geen krant meer aangetroffen voor mijn deur. Mijn buurman bespaart zich immers een afdaling naar de kelder met afvalcontainers door zijn krant na het lezen voor mijn deur te leggen. Ik lees op die manier gratis de krant en tegelijk zorgt het voor betrokkenheid.

krantDat die krant ontbrak was echter niet zo vreemd. Ik had voor de buurman immers een briefje achtergelaten met de vermelding dat ik op reis was. Het leek me aannemelijk dat hij nog niet gemerkt had dat ik al vijf dagen terug was. Ik meende intussen ook wel al een paar keer zijn deur te horen dichtslaan hebben. Of niet? De buurvrouw – Alice – meende vanop haar balkon – dat bijna grenst aan het zijne – een vreemd geluid gehoord te hebben, maar ze kon moeilijk bepalen waar het vandaan kwam. Misschien waren het straatkatten. Of hippies of zo.

Alice had ook al eens aangebeld, maar kreeg geen gehoor. Soms hoorde onze buurman de bel niet (of sliep hij een roes uit), dus ook dat was weinigzeggend. Ze had het ook  over dochters waarvan ze geen telefoonnummer had. Ik was er niet van op de hoogte dat mijn buurman familie had – die kwamen alleszins zelden langs dan, maar zoiets kan gebeuren. Terwijl mijn buurvrouw en ik dit gesprek hadden, konden we door de deur van de buurman de televisie van jetje horen geven, zoals gewoonlijk, want hij hoort niet zo perfect meer. Eigenlijk leek deze situatie me niet opvallend abnormaal. We hadden het nog wat over ditjes en datjes en lieten het daarbij.

De volgende ochtend vroeg ik me echter af waar onze nuchterheid gezeten had. Deze situatie leek toch eigenlijk wat onrustwekkend. Ik sprong uit bed en haastte me naar beneden. In de inkomhal keek ik in de brievenbus van de buurman. Die zat vol! Ik kon er de ene krant na de andere uithalen. De oudste dateerde al van vrijdag. Vijf dagen geleden. De buurvrouw had intussen blijkbaar ook niet stilgezeten. Ze had het OCMW gebeld om te informeren naar de familie van onze buurman, maar dat bleek niet gebruikelijk te zijn. Ze had de buurman zelf ook opgebeld, maar hoorde enkel zijn antwoordapparaat. Met haar ongerustheid kon ze nergens terecht. De onderbuurvrouw had haar immers opgedragen zich nergens mee te bemoeien, want onze zonderlinge buurman was nu eenmaal een zonderling, vond ze.

Het scenario om iemand te waarschuwen sloop toen al door de diverse hoofden natuurlijk, maar de onderbuurvrouw had op Alice ingesproken: dat was huisvredebreuk! Ik vond dat nonsens. Ik was niet van plan mijn buurman zijn deur in te gaan beuken toch? Met de telefoon in de hand vroeg ik Alice wat voor buren we zouden blijken te zijn als de situatie echt ernstig was en we niets hadden ondernomen. Ik wilde het noodnummer al intoetsen, hoewel ik in mijn achterhoofd tegenargumenten voelde werken. Naar de politie bellen heeft altijd iets aanstellerigs, vind ik, alsof je iets verzint. Of de kostbare tijd van de politie verspilt. En vooral: wat als onze buurman plots de deur opende en ons chagrijnig vroeg waarover we zo luid stonden te converseren voor zijn deur? Dan maakten we ons zelfs misschien wat belachelijk? Voor de zekerheid belde ik nog snel enkele keren aan en klopte luid op zijn deur, maar er kwam geen reactie.

Ik belde dus 101, geruggesteund door Alice, want als we ons vergisten, deden we dat tenminste samen. Ik deed mijn verhaal en kreeg te horen dat de politie zou langskomen. Dat gebeurde een klein uurtje later. Drie vriendelijke agenten, waarvan de oudste zodanig Gents sprak dat ik hem met moeite begreep, vonden onze ongerustheid normaal en meenden dat we er goed aan gedaan hadden te bellen. Ze namen mijn verklaring af, terwijl we wachtten op de dochter, die door de politie gewaarschuwd was.

De dochter kwam aan en het was vreemd te ontdekken dat de man naast wie ik al bijna 7 jaar woon, kinderen had. Ze was niet in paniek, leek eerder wat geërgerd dat haar koppige vader misschien wel weer in de problemen zat. Ze bleek echter geen sleutel gevonden te hebben. De politie wilde niet meteen een slotenmaker bellen – dat zou te duur zijn – maar trachtte eerst met het povere alaam dat ik bezat, de deur te openen. Dat bleek geen succes en er werd een agent met geschikt materieel gebeld.

We stonden in het kleine halletje op elkaar geperst – drie agenten, de dochter, Alice en ik – en ik zette ramen en deuren van mijn appartement open om wat afkoeling te verkrijgen. Ik bood iedereen ook iets te drinken aan. Alice werd toen opgehaald door haar kinderen voor een familie-uitstap en sprak af me later die dag te bellen om de afloop te kennen.

Toen de deur eindelijk open was, gaf dat een vreemde sensatie. Mogelijk was mijn buurman dood. Ik had met de dochter wat over hem gepraat en betrapte mezelf er op dat ik moeite deed om in de tegenwoordige tijd te spreken. De agenten gingen eerst alleen naar binnen – ik ging er sowieso van uit dat ik niet naar binnen mocht – of wou – en de dochter wachtte naast mij. Dit was een heel andere soort spanning dan in de films. Misschien zou ze zo dadelijk te horen krijgen dat haar vader overleden was. We hoorden de agenten binnen praten maar het duurde wel een minuut of drie vooraleer ze naar buiten kwamen. ‘Hij is in leven maar slechts half bij bewustzijn. Hij is gevallen en ligt naast zijn bed.’ klonk het.

Terwijl de dochter naar binnen snelde, dacht ik even na over deze woorden. Het was al bij al geen slecht nieuws en het lot van de buurman ging me wel ter harte, maar toen pas kwam het besef dat het zwartgallige scenario dat Alice en ik besproken hadden, waar was. Men vermoedt altijd het ergste in de hoop dat de realiteit dan meevalt, maar dit was toch een wat beangstigend gelijk. Terwijl ik in het dagelijks leven zo graag gelijk heb.

Meteen daarna dacht ik aan de warmte van de voorbije dagen. Aan de televisie die al tijd keihard stond te kwelen. Aan het feit dat gedurende de dagen dat ik ontspannen zat te barbecueën met familie, op DOK aan het werk was, in de bioscoop zat, op café zat en tientallen keren voorbij de deur van de buurman liep, hij gewond op de grond lag. Te wachten, te denken, pijn te hebben?

DSC_1391Er kwamen een ziekenwagen – zonder sirene, dus dat was een goed teken – en een MUG ter plekke. De oudste agent zei me dat het er toch niet zo goed uitzag. Terwijl men hem binnen de eerste zorgen toediende, ontstond er buiten een gigantische fille. Enkele dagen geleden had ik er hier nog over dat hulpdiensten zo vaak in de weg staan. De ambulancier had de auto gerust een meter meer aan de kant kunnen zetten… Ik vroeg me af of ik de agenten – die allemaal binnen waren – moest waarschuwen, maar ik werd stilaan een karikatuur van een bemoeierige buurman. Gelukkig was de politie alert en werd het nodige gedaan om het verkeer opnieuw vlot te laten verlopen.

Toen kwam ook de brandweer aan. De buurman kon niet via de lift naar de ziekenwagen gebracht worden. Een brandweerlift diende hem van de derde verdieping te halen. Toen kreeg ik hem ook voor het eerst te zien. Dat was best schokkend. Onder het zuurstofmasker leek hij wel 100 jaar oud. Iedereen vertrok. De dochter bedankte me hartelijk.

Die avond belde Alice en ik deed haar het hele verhaal. Ze was uiteraard enorm opgelucht, maar ik nam hetzelfde waar als bij mezelf: die opluchting heeft niet alleen met de redding te maken, maar ook met onszelf: we hebben een risico genomen – want zo ziet een typische Belg dat toch wat – om ons ergens mee te bemoeien, om onszelf voor paal te zetten (want terwijl we in dat halletje stonden, bleef ik verwachten dat de buurman elk moment uit de lift zou stappen met een zakje bierblikjes in zijn hand en een vraagteken op zijn gezicht), en daar hebben we goed aan gedaan. Ze bedankte me ook: zonder mijn daadkracht was ze zelf blijven aarzelen, dacht ze. En was het misschien erger afgelopen. Ik vond het enerzijds heel normaal dat we alarm geslagen hadden, maar anderzijds heb ik voor het eerst zo’n clichématige schroom gevoeld die voor veel mensen een hindernis betekent om onrecht of vermoedens te uiten in situaties waar je op het eerste zicht ‘geen zaken mee hebt’.

De buurman is herstellende, maar is zeer verzwakt en moet alvast een poos op intensieve zorgen verblijven.

update 20/8: de buurman is vannacht overleden aan de gevolgen van een maagbloeding en levercirose.





Gepamper: Charlie Joe

16 07 2013

Beste Charlie Joe

Twee maand oud ben je al en er werd hier op het Verantwoord Tijdverlies nog met geen woord gerept over jouw bestaan op Aarde. Ik had nochtans, net zoals ik steeds welgemeend mijn vrienden feliciteer als ze papa en mama worden, die 12e mei mijn vreugde om jouw komst al blogsgewijs kunnen uiten en daarbij jouw ouders gelukwensen.

charlieDat heb ik niet gedaan. Het eerste kindje van mijn broer verdient een meer persoonlijke boodschap, vond ik. Dus stelde ik mijn mooie woorden wat uit tot ik een duidelijker beeld had van wie je was en wat dat met me deed.

Nu mijn vakantie volop bezig is en ik je intussen vijf keer gezien heb, dacht ik wel te kunnen weergeven hoe ik de zaken zie en aanvoel. Maar wat is dat bijzonder: jij lijkt elke keer weer iemand anders. Je bent Charlie, iedere keer opnieuw, maar telkens een andere dan de keer ervoor. Je bent mijn meest kersverse familielid maar toch slaag ik er niet een mentaal beeld van je op te roepen. Je bent voorlopig nog altijd meer een idee dan een daadwerkelijk neefje.

Dat komt natuurlijk in de eerste plaats omdat je zo razendsnel groeit en verandert. Maar het is ook zo dat onze relatie op dit moment oppervlakkig en uiteraard volkomen éénzijdig is. Ik ken je nog niet en jij kent mij al helemaal niet. De karakterindrukken tot op dit moment doen me jou beschrijven als rustig, knorrig, vastberaden en doortastend. Je kijkt vaak wat bedenkelijk, je geeft doorgaans geen kik, tot een situatie volgens jou anders moet en je wil al meer dan je kan.

Dat is voorlopig maar een schets hé, Charlie Joe. Wie weet blijk je verlegen, beïnvloedbaar, grappig, inventief of veeleisend. Dat zien we dan nog wel. Intussen symboliseer je wel de enorme kracht van geluk die onze familie in zijn greep heeft. Je bent het nieuwste en stevigste model buitenboordmotor aan de familiale sloep. We varen niet, we zweven. Allemaal, tot jouw 90-jarige overgrootmoeder Madeleine toe – al vindt ze jouw naam toch niet je dat.

Je bent geboren op een zondagnamiddag. Tegen de avond vernam ik het nieuws, aan het begin van een nieuwe en drukke werkweek. Je was zo ongeveer op tijd, al hoopte je overgrootvader Willy misschien dat je drie dagen later ter wereld zou gekomen zijn, waardoor jullie samen jarig zouden zijn en hij daar dan mee kon uitpakken alsof het zijn prestatie was. Maar het feit dat je enkele dagen te vroeg was, zorgde wel dat je op Moederdag werd geboren. Kan het mooier?

Ik kwam er pas dinsdag aan toe jou te komen aanschouwen. Charlie bleek ook wel Charlie Joe te zijn, wat ik nog tien keer fantastischer vond want ik hou van samengestelde namen. De trein naar Jette op, te voet naar het ziekenhuis wat net een tikkeltje verder was dan ik dacht. De halve familie was er toevallig ook. We dronken cider – die jouw oma/moeke/mémé/grootmoeder/bomma – we weten nog niet wat het gaat worden – Gerda steeds meebrengt uit Frankrijk en die ik helemaal niet graag drink. We bewonderden het kaartje en de confituur. Een mooie symbolische geste van je papa, dat hij je officieuze grootouders Erwin en Marie-Leen via de jambereidingen betrokken had bij de feestelijkheden.

DSC_0829En we bewonderden jou, dat piepkleine ventje dat ik met moeite vast kon nemen omdat de baby’s die ik doorgaans in de armen gedrukt krijg, al net iets voller en steviger zijn. We spraken vol lof over je glunderende papa en je tot rust komende mama die haar blijdschap uitsprak over de attenties en geschenkjes, en dan vooral over de zelfgemaakte stukken van je andere overgrootmoeder Marie-Louise: een deken, sokjes, een mutsje.

Nadat we jou samen wat gevierd hadden en zo lang mogelijk in het ziekenhuis bleven, namen we afscheid van jullie nieuwe gezin. De rest van de familie was aan eten toe – dat zijn ze altijd eigenlijk – en dus trok ik met de twee overgrootouders, je oma/moeke/mémé/grootmoeder/bomma, tante Ria en Nonkel Johan naar een restaurant in Jette waar we volgens jouw papa zeker de ribbetjes dienden uit te proberen. Over wie zich daar niet goed gedragen heeft en wat er allemaal misliep, hoef ik het hier en nu niet te hebben. Als je dit ooit kan lezen en begrijpen moet je me er maar eens naar vragen, voor zover ik dat dan nog zal weten.

De rest van de week draaide voor mezelf om routineuze beslommeringen, al genoot ik van de aandacht die ook ik als nonkel kreeg van vrienden en collega’s. Ik denk dat veel mensen die me goed kennen, wisten dat ik jouw komst erg belangrijk vond. Ik dacht na over je geboortegeschenkjes en vroeg me af wanneer ik je weer zou zien. In diezelfde week betrad ik het kantoor van het hoofd onderwijs van de stad Gent om er succesvol te solliciteren voor directeur-ad-interim. Voor jou van geen belang, maar voor mij vooral het tweede leuke nieuws van die week, dat ik nu altijd zal blijven associëren met jou.

En nu zijn we dus twee maanden verder. Je papa en mama krijgen niets dan lof over hoe ze met jou omgaan. Ze willen je allebei alsmaar knuffelen en zoenen en denken aan alles. Met jou ergens op bezoek gaan, blijkt gepaard te moeten gaan met een hele verhuizing, maar desondanks blijven ze al die familieleden maar verblijden met visites. Het is wennen jouw papa te zien in een zo’n grote verantwoordelijke rol, maar het lijkt anderzijds echt vanzelfsprekend te gebeuren. DSC_1433b

En er zijn dus al zoveel mensen die om je geven. Je ziet je drie grootouders alsmaar glunderen. Je oma/moeke/mémé/grootmoeder/bomma vindt zichzelf een cliché omdat ze jouw beeltenis op haar smartphone gezet heeft. Je peter Johan – mijn papa – is trots maar lijkt ook nog op zoek te zijn naar zijn relatie met jou. In zijn kielzog nog een heleboel mensen die jou nu al koesteren: Marie-Leen, Deborah, Dimitri, Prosper, Angèle en natuurlijk Ferre, één van je meest voor de hand liggende speelkameraadjes voor de komende jaren. Toen hij jou de eerste keer zag, leek hij wat bang en wees je zelfs radicaal af. Maar eens gewend aan de situatie, haalde hij zijn meest zorgzame kant boven. Hem naar jou zien kijken, levert een dubbele verwondering op.

Je  overgrootmoeder Madeleine wordt deze week 90 en er is natuurlijk wel een reële kans dat je haar niet meer echt zal leren kennen. Ze is weliswaar nog kerngezond maar blijft hardnekkig het tegenovergestelde beweren. Ze koopt cadeautjes voor jou en schept tegen iedereen op wat voor een formidabele papa haar Jensken – haar jongste en favoriete kleinzoon – wel is. Je mama en papa doen ook bewonderenswaardige moeite om haar te betrekken bij jouw aanwezigheid hier.

Ik kijk er nu naar uit om jou te zien opgroeien, Charlie Joe. Of Charlie. Wie je ook wat zal noemen, ik blijf met plezier de dubbele voornaam gebruiken. Voor iedereen die een kind krijgt, zal een voornaam wel gewikt of gewogen worden, maar ik was zo in mijn nopjes met het belang dat je ouders hechtten aan een naam en vooral dat ze in een richting leken te denken die verder ging dan Lukas, Milan of Ethan. Dat ze nadachten over alle mogelijk associaties met je naam. Dat er een link was met het verleden – je papa was altijd al een fan van Snoopy en Charlie Brown.

Toen ik je eergisteren zag, kon ik je niet knuffelen. Die stevige verkoudheid moest ik voor mezelf houden. Ik keek dus vanop een afstand alweer verwonderd naar wat je deed en probeerde me voor te stellen wat je dacht. Ik kijk er naar uit daar nog op veel momenten mee bezig te mogen zijn. Ik ben benieuwd wie je zal worden. Welkom, Charlie Joe!





2012: De Conlcusie

5 01 2013

Ik heb me in het verleden nooit aan voornemens gewaagd, voornamelijk omdat ik al best tevreden was met mezelf en toch niet dacht nog te kunnen veranderen. Op 1 januari 2012 had ik me echter opgelegd conflicten met collega’s te vermijden. Of om precies te zijn: ik wilde voorkomen dat ik collega’s afblafte of al te cassant terechtwees. De maanden voordien had ik immers iets te vaak naar mijn zin mensen op hun plaats gezet. Nu dat jaar om is, kan ik eindelijk weer mijn tanden tonen.

Nee, grapje. Ik kan besluiten dat mijn voornemen vrijwel geen moeite heeft gekost en het me dus gelukt is meer geduld en vriendelijkheid aan de dag te leggen bij een conflict. En dat denk ik beslist ook het komende jaar te kunnen volhouden. Van nieuwe voornemens is geen sprake, want verder ben ik eens te meer best tevreden met mezelf.

tevredenDit mag dan al zelfgenoegzaam klinken, ik heb het voorbije jaar zeer bewust gelet op de mate waarin ik tevreden/blij/gelukkig was en kan alleen maar tot de vaststelling komen dat ik dat het grootste deel van de tijd ook was.

Als ik terugkijk op het voorbije jaar zie ik vrijwel geen tegenslagen of problemen van onoverkomelijke aard. Ik heb niets verloren, er is niets gestolen, ik heb geen ongelukken gehad, heb niemand pijn gedaan, ben nauwelijks ziek geweest. Er is me eigenlijk vrijwel niets negatief overkomen. Ik heb wat gesukkeld met mijn computer, woon nog niet zoals ik het zelf zou willen, erger me wat aan het verkeer en heb best wat tijd verloren op treinperrons. Er waren en zijn best wat frustraties op school, ik zit met mijn gedachten wel eens bij familieleden die kopzorgen hebben, heb wel eens wakker gelegen van stress of nijd, heb het soms te druk naar mijn zin en een enkele keer vreet ik mezelf op door negatieve gedachten. Het nieuws kan me nu en dan eens uit mijn lood slaan, ik denk aan het noodlot, de toekomst, het milieu, mijn gezondheid en de dood.

Maar al bij al valt dat dus allemaal best mee, weet ik hoe hier mee om te gaan en zijn dit geen uitzonderlijke situaties. Om maar te zeggen: u lijdt toch ook? Maar de weegschaal helt ondanks dat alles duidelijk over naar het positieve. Dat klinkt misschien niet helemaal geloofwaardig voor iemand die toch ook bekend staat als kankeraar en zagevent. Maar wie me kent, weet dat ik ook constructief, hulpvaardig, empathisch, optimistisch en vrolijk kan zijn. ‘Bescheiden dus misschien iets minder’, koppelt men daar vaak aan, maar ik geloof sterk dat een mens zijn positieve kanten moet kennen en dat dat in mijn geval misschien wel de basis vormt van mijn grote levenstevredenheid.

De meeste dagen sta ik dus goedgehumeurd op, snel ik goedgemutst naar school, geef graag les, vind mijn leerlingen het grootste deel van de tijd aangenaam, ben elke week wel eens compleet in de wolken met mijn formidabele collega’s die als een tweede familie zijn, kom steeds graag thuis en geniet van mijn vele hobby’s en vrienden.

In 2012 was er veel om tevreden op terug te kijken, zelfs al zie ik sommige mensen te weinig en moet ik met één kwalitatief moment per jaar al tevreden zijn wat sommige vrienden betreft. IMG_3644Er was een geweldig trouwweekend met Jan & Ilse, een kajakweekend met ups en downs, een Ardens verblijf onder vallende sterren, een wandeling rond Brussel, housewarmings, etentjes, babybezoekjes, brunches, verjaardagsdrinks, barbecues. Nu ja, dat staat allemaal in het meervoud hoewel ik echt niet de indruk wil wekken dat ik van het ene feestje naar het andere hol. Ik doe niet altijd genoeg moeite om overal bij te zijn, vind ik, maar ik wil er wel altijd voor zorgen dat de tijd die ik met anderen doorbreng kwalitatief is, want ik zie te veel mensen niet genoeg. Maar ik denk dat er al veel moet verkeerd lopen wil ik hen ooit nog kwijtraken, al zijn de inspanningen niet steeds van beide kanten gelijk.

Er waren kleine momenten van verrukking. Dit stukje schrijven en de persoon in kwestie een week later tegenkomen en daar samen blij om zijn. Van die dagen waarop er echt niets te klagen valt. Een onverwacht sms’je, een bedankje, een inside joke, een opmerking die je doet zweven, een heel fijn gesprek. Te weinig mensen halen hun energie uit zo’n kleine dingen.

Dat ik een massa films gezien heb, wist u al. Vaak in tof gezelschap, mensen die ik koester omdat het altijd zo’n opluchting is vast te stellen dat er anderen zijn die even gepassioneerd met film bezig zijn als ik. Maar ook omdat het we ook over het non-fictieleven kunnen babbelen. Er was het filmfestival als traditioneel hoogtepunt, eens te meer geweldig en gezellig en uitputtend. En filmquizzen tussendoor als alerthouders.

Ik ben me er niet altijd van bewust dat het in de stad wonen zo’n dimensie meer geeft aan mijn vrije tijd. Ik lijd verre van een telegeniek leven en wil mezelf niet tot een hippe stadsbewoner bombarderen, maar toch ben je hier altijd omringd door mogelijkheden. En als een avond eens een ochtend wordt (en dat is eerder uitzonderlijk), en ik fiets naar huis terwijl in de verte de dageraad nadert, voel ik dat ik in een stad hoor. Ook al ben ik al 35 en blijft dit niet duren. Maar dat mijn favoriete Haaltenaren het me dan niet kwalijk nemen dat ik hier zo graag vertoef.

IMG_8747En er was DOK natuurlijk. Al zat het weer niet altijd mee, de magie van deze plek viel niet te ontkennen. Ook dit was de stad, dit was de zomer. Wat een ploeg, vol toffe mensen en nieuwe vrienden. Wat een sfeer en wat een locatie. Beslist memorabel, het soort ervaring waar je later nostalgisch op terugkijkt. Hoe fijn ook dat ik toch heel wat mensen heb kunnen overtuigen om eens langs te komen, ook vanuit dat toch niet zo verre Haaltert. Ik heb echter niet alleen genoten van het sociale aspect van DOK, ook het samenwerken was zo bevredigend. Merken dat er naar je geluisterd wordt, appreciatie krijgen voor je werk, elkaar snel begrijpen en op één lijn zitten: dat is een luxe die ik iedereen zou toewensen op zijn job. Op de hoogdagen jezelf uitputten, maar weten dat je collega’s ook doorzetten. De fysieke vermoeidheid na sommige dagen, was heerlijk. De drink na sluitingstijd altijd geweldig.

Ook van mijn andere (echte) collega’s kan ik niet klagen. Ik werd eindelijk benoemd en vierde dat maar al te graag met mijn collega’s. We beleefden alweer een topteamweekend, steunden elkaar in moeilijke dagen, sloegen ons samen door de zoveelste directeursverandering, zeverden, lachten en gierden op vele, vele andere momenten. Ook in mijn opleiding, dat zestal weekends per jaar, heerste er een enorme positieve sfeer, al krijg ik mezelf niet aan het werk. Maar iedere tweedaagse zorgt voor een energie-opstoot en dat ligt voor minstens de helft aan die fijne mensen daar.  Ik had meer dan twee jaar geleden nooit kunnen denken dat ik met zo’n groep uiteenlopende karakters (en dan nog allemaal leerkrachten!) overweg zou kunnen, en vooral: zij met mij.

IMG_4758Mijn familie is er ook nog. Etentjes en nog meer etentjes. Voor verjaardagen of zomaar. Uitstapjes of bezoekjes. Een ballonvaart ook, afgelopen jaar. Ik voel me wel eens schuldig en egoïstisch omdat ik ook in hun geval mijn heil zoek in een (dus niet zo heel verre) stad en hun dagelijkse beslommeringen dus niet deel, maar ik breng toch erg graag tijd met hen door. Het gaat goed met iedereen, ook dat was een opluchting in 2012. Mijn opa is helemaal niet zo ziek als hij zelf wel eens zou willen, en een oma wil euthanasie zonder dat ze ziek is, maar verder stellen we het allemaal goed en in 2013 word ik zelfs nonkel.

Even terug naar die andere kant van de weegschaal. Ik zat met 50 geweldige kinderen op  bosklas, ieder jaar de leukste week van het schooljaar. Omdat al die impulsen van de buitenwereld wegvallen en ik wat minder meester ben en het dus gewoon allemaal zeer ontspannend is. En dan slaat in Zwitserland het noodlot keihard toe, met een bus in een tunnel. De waarde van het extreme geluk en de zorgeloosheid van onze leerlingen, werd plots onschatbaar, in schril contrast met de nachtmerrie die vele anderen op datzelfde moment beleefden. Ik was diep onder de indruk.

Twee dagen na onze terugkeer overleed Carine. Een inspirerende, formidabele vrouw, geveld door een vreselijke ziekte. Haar afscheidsviering was overweldigend emotioneel, maar ook zo persoonlijk en diepgaand, dat ik vrede kan hebben met haar dood, hoewel ik haar nu en dan ook mis. Ik leefde ook mee met vele anderen die dierbaren verloren. Iemand verloor een vader, iemand een broer, iemand een nieuw leven, iemand twee grootouders. Je kan zo weinig doen dan, maar mijn wensen van sterkte betekenen wel letterlijk dát en mijn gedachten zijn ook echt bij hen.

Ik las onlangs nog; ‘Als we al onze problemen op een hoop gooiden en die van de anderen zagen, zouden we die van onszelf snel teruggrijpen’. Ik heb dus in essentie helemaal geen problemen of zorgen, hoezeer ik ook zaag en zeur. Ik ben zelfs haast een van de gelukkigere mensen die ik zelf ken! Al voeg ik er aan toe dat ik misschien geen al te hoge verwachtingen heb van het leven. Ik ben tevreden, en de ene zal vinden dat ik snel ben, en een ander zal vinden dat ik dat met recht en rede ben. En of tevreden ook gelukkig is, maakt voor mij in deze niet uit.

Wat misschien wel het meest negatieve is in mijn leven, momenteel, is echter de veronderstelling dat de dingen dus niet direct veel beter kunnen. Of wel kunnen, maar niet direct zullen worden. Misschien is dit wel al het hoogtepunt van mijn leven? Soit, ik zal niet kunnen zeggen dat ik er niet van genoten heb, op mijn eigen bedaarde manier. Maar ik word wel ouder. Fysiek gezien valt dat nog net mee, al start ik 2013 met beduidend minder hoofdhaar en moet ik toch iets te vaak naar dokter of kinesist. Maar met aftakeling hou ik me wel bezig als het er is. Het is vooral het mentale besef. 35 klinkt ook zo middelmatig. Een stuk minder interessant dan 25 of 30. Iemand van 35 is niet meer verrassend, ik verras ook mezelf nog zelden. Ik vond mezelf een veel leukere leerkracht toen ik 30 was. Maar wel een minder evenwichtige mens, dat ook. Ik bekijk mezelf soms ook door de ogen van anderen en dan zie ik … tja, iemand van 35. Soms lijk ik niet meer in bepaalde plaatjes te passen. Verdere gedachten heb ik daar eigenlijk niet over, en ik neig geenszins naar het depressieve wat dat betreft, maar ik ben dus geen jong gastje meer.

Anderzijds zou ik om veel reden ook niet terug jong willen zijn. Ik vind dat het leven mij al heel veel geleerd heeft en dat ik die kennis over mezelf aangrijp om weer verder te groeien. Keuzes maken wordt alsmaar makkelijker en spijt heb ik bijna nooit. Ik had veel mensen kunnen zijn maar degene die ik nu ben vind ik eigenlijk ferm oké. Ik kan met mezelf leven en kan overweg met het leven. En dat wens ik eigenlijk iedereen ook toe in het nieuwe jaar.

Bedankt alvast aan iedereen die bijdroeg. En aan wie volhield om tot hier te lezen.





The End (4)

21 10 2012

De 39e editie van het Gentste filmfestival was mijn dertiende. Het is dan ook een verslaving natuurlijk. Bijna veertien dagen lang stond mijn leven in het teken van dit festival. Ik zag zo veel mogelijk films, in mijn geval tussen het lesgeven door. Te lang opblijven, geen tijd om te eten, rode ogen van vermoeidheid, tientallen keren met de fiets naar de cinema, tussendoor trachten te recenseren … het doet fysiek gezien niet altijd deugd. Een gigantische verkoudheid maakte het bij momenten zelfs kantje boordje: afhaken of niet? Maar desondanks was het net als andere jaren een heerlijk summum van escapisme.

Ik heb 31 films gezien op 12 dagen. Het hadden er meer kunnen zijn, maar zoals ik vooraf voorspelde zou mijn overladen programma bovenmenselijke krachten eisen, en dat valt niet te combineren met een job. Ik heb dus enkele keren een film laten vallen. Omdat ik moe was, omdat de film naar verluidde niet erg goed was, omdat het gezellig was in de bar. En één keer omdat de techniek het liet afweten.

Ik heb daar geen spijt van. 31 is best een goed resultaat – het is er zelfs eentje meer dan vorig jaar. Ik zag veel goede films en erg weinig slechte. Die kwamen als vanouds van over de hele wereld: twaalf Amerikaanse, vijf uit België (en allemaal goed!), twee uit Groot-Brittannië, twee uit de Filippijnen, en eentje uit Frankrijk, Israel, Urugay, Zuid-Korea, Hongarije, Tsjechië, Oostenrijk, Mexico, Australië en Denemarken.

Het festival blijft een goed georganiseerd gebeuren. Er kan misschien nog gewerkt worden aan de stiptheid van de voorstellingen in Studio Skoop, maar verder verliep alles doorgaans prima. Het blijft een raadsel waarom het festivalcafé zo piepklein was, maar het heeft niet verhinderd dat we er graag een film doorspoelden. Ik ben dus een tevreden klant.

De slotfilm bleek uiteindelijk de grootste teleurstelling. Passion van Brian De Palma was een grotesk onding. Ik had het te doen met Daniël Termont, die de voorstelling bijwoonde. Onze burgemeester raakt wellicht amper in de bioscoop en dan schotelt men hem zoiets voor. Verder wel fijn dat de verdeler van deze film mij een ticket voor de receptie bezorgde. Dank u, Lumière!

Goed gezelschap maakte als gewoonlijk deel uit van het plezier. Mensen die de verslaving begrijpen en evalueren met kennis van zaken, daar kan je het wel mee uithouden, al die tijd. Jarig zijn tijdens het filmfestival,  – jaar na jaar valt mijn verjaardag tijdens dit filmfeest – was dan ook extra fijn. Net die dag zag ik zelfs drie erg goeie films!

Ik ben natuurlijk wel enigszins opgelucht dat het allemaal weer voorbij is, maar anderzijds sluimert er al enige weemoed in mijn hoofd. Dat het dus maar snel oktober 2013 is, voor de 40e editie!





Me-time! NU!

28 09 2012

Het kan plots omslaan: gisteren beleefden we op school een topdag. We organiseerden met bijna driehonderd leerlingen een kookdag, waar ook het met zijn allen verorberen van al die heerlijke hapjes bij hoorde. Het was een bijna nazomerse dag, alles verliep smooth, ik ontdekte de geneugten van het wokken, en danste zelfs op de tafel ter vermaak van de ukken.  Na school kwamen we met ons team en Freinetgoeroe Marcel tot prachtige, inspirerende inzichten. Ik deed er nog een half Engels/half Nederlands oudercontact bovenop met een heel dankbare ouder, trof in mijn brievenbus het leuke geschenk aan dat ik voor mijn jarige grootmoeder bestelde, stak met veel genoegen de rest van mijn filmfestivalprogramma in elkaar en sloot de avond af met een ontroerende film.

Vandaag viel de stress als een betonblok op mijn kop, hoewel ik dat eigenlijk doorgaans nooit erken. In de klas verliep alles vrij behoorlijk. Tot we naar het zwembad vertrokken. Met vierentwintig prepubers daar te voet heen gaan, vraagt opjaag-talent en een luide stem. Die ene leerling die dan schijnbaar opzettelijk wat trager gaat wandelen, begint aan je weerstand te knagen. Maar we waren ruim op tijd.

Aan de kassa lijkt men in dit nieuwe zwembad nog altijd niet perfect te weten hoe en wat. Lag de inschrijvingslijst voor scholen vorige keer aan de ene balie, ligt hij nu aan de andere. Men wil alle leerlingen een apart polsbandje geven, wat ik onzinnig, ondoordacht en vooral onpraktisch vind. Ik weiger, met de argumentatie dat mijn leerlingen echt niet allemaal goed voor zo’n bandje kunnen zorgen en ze echt geen kostbaarheden bij zich hebben die kunnen gestolen worden.  Bovendien zwem ik zelf mee en kan ik die bandjes dus ook niet zelf bijhouden (overigens ook geen optie want ze zijn niet van elkaar te onderscheiden).

In het zwembad verlies ik vervolgens een contactlens, stoot mijn voet tegen het veel te hoge verzonken gedeelte in het midden van het zwembad en erger me aan het feit dat het zwembad onze school twee ver uit elkaar liggende banen toewijst waardoor collega Geert heel wat heen- en weergewandel te doen staat. Ik tel tot tien, adem rustig uit en besluit dit allemaal maar te negeren, ergens wel beseffend dat we hier nog vele jaren schoolzwemmen moeten doormaken.

Het kleedhokje is toch wel erg nauw, het bankje véél te smal en dan betaal ik de rekening voor mijn eigenwijsheid: één van mijn leerlingen kan niet aan haar kleren want iemand deed haar hokje op slot. Wat in principe niet kan want elk bandje past slechts op één hokje, maar soit. Ik ga op zoek naar een personeelslid, maar vind er geen. Ik betreed zelfs de kleedkamers van het personeel, want alle deuren staan gewoon open, maar nergens iemand te zien. Ik rep me naar de balie, moet daar geduldig het gesprek afwachten tussen de baliemedewerker en een veel te onwetende klant, om vervolgens te horen dat ik iemand van het personeel moet aanspreken.

Terug naar de kleedkamers, binnensmonds vloekend. Ik bekommer me niet meer om de natte zone en betreed mét schoenen de gang achter de kleedkamers – wat ik mijn leerlingen net elke week weer met nadruk verbied  – en wordt daar vervolgens op de vingers getikt door een personeelslid van het zwembad. Deze juffrouw handelt correct en beleefd, en bleef dat ook doen tijdens de verderzetting van ons gesprek, maar ik bereik op dat moment mijn kookpunt. Ik grom haar toe dat ik al een kwartier op hulp wacht, dat er niemand te vinden is, dat niemand ons wil helpen, dat het polsbandjessysteem onhandig is voor kinderen, dat ze maar niet willen begrijpen dat ze het ons leerkrachten alleen maar moeilijker maken met al hun geregel en dat ik maar al te goed weet dat ik daar niet met mijn schoenen mag lopen. Ik bedank haar voor haar hulp, maar dat zal niet gebaat hebben: ik heb deze juffrouw grof behandeld. Het monster in mij was nochtans al maanden rustig.

Mijn leerlingen worden het slachtoffer. Ik jaag ze nog meer op dan voorheen, alweer vloekend dat een half uur zwemmen per twee weken ons wel honderd en tien minuten kost en dat ze dan nog eens veel te weinig moeite doen om door te stappen. Ze wreken zich in de namiddag door geen minuut te zwijgen. Ik ben intussen toch behoorlijk gekalmeerd  – mijn collega’s hebben mijn gesakker geduldig aanhoord – maar voel me eigenlijk uitgeput. Fysiek en mentaal. Het zijn hele fijne kinderen, maar ze zijn met veel. En ik krijg ze niet stil.

Half vier. Mijn gezicht voelt dof en grauw aan. Ik heb een namiddag lang slechts half zicht gehad. Ik wil alleen nog gaan liggen. Niet dat ik ergens genoeg van heb, maar wel voor heel even. Ik wil  – en dat mag je eind september eigenlijk niet luidop zeggen – … vakantie.

En dus moet ik nu maar eens mezelf op de eerste plaats stellen. Ik ben nu wel heel zeker dat ik morgen niét naar mijn opleidingsweekend ga. Ik voel me schuldig, alsof ik ga spijbelen. Ik vind het jammer voor de  mensen die zo veel werk steken in de voorbereiding van de opleiding, de collega’s die ik misschien de indruk zal geven dat ik niet meer geïnteresseerd ben, de ervaren gasten wiens visie en advies ik nu zal missen.

Ik drijf het nog verder. Ik ga de allerlaatste DOKdag van dit  jaar laten schieten. De rommelmarktcoördinatie die me de voorbije acht zondagen nauw aan het hart is komen liggen, zal voor iemand anders zijn. Het slotfeestje met de vele formidabele vrijwilligers, het zegt me even niets. Dat had ik enkele weken geleden nooit kunnen denken.

Ik heb een bijzondere en deugddoende job, maar ze lijkt me soms ook leeg te zuigen. Nu is het dus me-time. Ik wil frietjes en een zetel en een dvd. Dit stukje schrijven om tot rust te komen. Uitslapen en lezen en nog meer dvd’s. En zondag heel de dag met mijn immers van het leven genietende familie de tachtigste verjaardag van onze mater familias vieren in een kasteel met lekker eten en geklets.

Maandag ben ik weer opgeladen, ik ben er zeker van. Maar nu wil ik een pauze van twee dagen.





Enkele reis Afghanistan

9 07 2012

Het vliegtuig is vertrokken. Ik had niet verwacht zo geschokt te zijn bij het lezen van de on line krantenkoppen deze ochtend. Gisteren groeide de Faceboekgroep ‘People for Parwais‘ razendsnel aan, een ultieme, radeloze poging om op te komen voor de Afghaanse vluchteling Parwais Sangari. Dan rest de stille verwachting dat er vandaag wel nog iets zal gebeuren. Vlucht afgelast. Maggie De Block gezwicht. Sangari die het te bont maakt en niet aan boord mag. Maar zelfs dat zit er allemaal niet meer in. Binnen enkele uren landt de 20-jarige, wellicht erg bange, Sangari alweer in eigen land.

Eigen land? Ik vind dat hij het recht heeft België zijn eigen land te noemen. En niet eens omdat hij al dan niet Nederlands spreekt. Niet omdat hij goed of slecht geïntegreerd is. Niet omdat hij hier een familie en vrienden heeft. Zelfs niet omdat veel gespuis wél een verblijfsvergunning weet te krijgen. Enkel en alleen omdat nu toch wel duidelijk is geworden dat zijn leven er in gevaar is.

Wat weten wij ervan? Ik ben nog nooit in Afghanistan geweest. Maar ik vind de feiten geloofwaardig. Bij ons op school zit ook een gezin dat gevlucht is uit Afghanistan. Het zijn lieve mensen met hardwerkende kinderen, maar zelfs dat is helemaal niet van  belang. Ze hebben alleen elkaar nog. De rest van de familie is vermoord of vermist, net zoals dat het geval is bij Parwais Sangari. Ze getuigen daar nu en dan over, nog steeds getraumatiseerd. Wij kunnen ons dat niet eens inbeelden. Veel  mensen oordelen instinctief  met dwaze argumenten, maar niemand heeft voldoende empathische vermogens om te weten hoe dit moet voelen voor Sangari en mensen in gelijkaardige situaties. Wij klagen liever over het weer aan de kust.

Het Belgisch asielbeleid is een lachertje. Omdat mensen veel te lang moeten wachten vooraleer ze te horen krijgen of ze mogen blijven, in de eerste plaats – want verder ben ik eigenlijk niet vertrouwd met de inhoud van het beleid. Er wordt staatssecretaris De Block willekeur verweten. Dat kan ik niet beoordelen. Ik vind dat enkel en alleen het feit dat iemand in zijn land ernstig kans loopt om vermoord te worden, voldoende hoort door te wegen om die persoon een toekomst te geven in België. Wat nu gebeurt, is echt onmenselijk. Sangari is geen dossier, geen geval, maar een echt, levend persoon.

In dit (treffende) interview geeft Sangari aan niet te zullen blijven. Ik ben blij dat hij zijn lot niet aanvaardt, maar een voornemen alleen is misschien onvoldoende en de dreiging is wellicht iedere minuut reëel. In een film zou het een thriller zijn, nu is het een misselijkmakende, realistische nachtmerrie.





Vakantie-reflecties

7 07 2012

1 juli
Innerlijke bespiegelingen over de zachtheid van gras, in het bijzonder over het verschil tussen stadsgras en dorpsgras, bepalen de zorgeloosheid waarmee ik na een voldoening gevende barbecue verpoos op een gazon. Mét Vlaamse schlagers uit de jaren ’90. De pralines van Carrefour zijn verder van bedenkelijke kwaliteit (niét lekker!) en de vraag rijst of het spelen van een voldane blaaskaak enige moeite kost van Denzel Washington?

2 juli
Verwaarloosde klasplanten worden onder handen  genomen: van potsierlijk naar sierlijke pot. Later blijken de broers van BV’s niet altijd op de ander te lijken. Er is ook de kwestie van de stoffige stofzuiger: Hoe stofzuig je de door stof verstopte binnenkant van dit apparaat?  Moet ik me zorgen maken om de toekomst van Suri Cruise? Op tv naar een film blijven kijken die je ook op dvd hebt; overkomt u dat ook wel eens?

3 juli
Moet een dronken koppel per se een geschil uitvechten onder mijn slaapkamerraam om 5u ’s ochtends? Ik ken mijn kapper’s afkomst niet, maar hij vraagt steeds of ook de ‘venkbrauwen’ moeten bijgeknipt worden. Spaanse gevangenisfilms kan je blijkbaar niet beter of slechter noemen dan Amerikaanse. ’s Avonds zitten achttien Freinetwerkers aan één tafel: werd er ook niét over onderwijs gesproken?

4 juli
Onovertrefbaar: de geur van een warme onweersdag. Jammer voor DOK wel maar leve de dvd-speler. Ook als sneeuwwitje doet Kristen Stewart me alweer aan Jodie Foster denken. Een vintagewinkel hier in de buurt verkoopt oude schoolstoelen aan 25 euro per stuk. Het zijn precies dezelfde als die waar mijn leerlingen elke dag opzitten. Kan ik aldus mijn klaskas spijzen?

5 juli
De to do lijst krimpt in dezelfde mate als hij aangroeit. In de Colruyt de pijlen volgen: echt iets voor mij. Met een vier- en een zevenjarige naar de cinema: het voelt aanvankelijk als koorddansen met een duur, 28-delig porseleinen servies in je handen. Maar filmfans in wording moeten aangemoedigd worden!Als ik internetjargon machtig was kon ik de kenners onder u duidelijker vragen waarom een aantal websites waarop je bv muziek koopt, fotoboeken maakt of tickets  bestelt, bij mij niet geopend raken?

6 juli
In het nieuwe zwembad Rozenbroeken zijn de bankjes in de kleedcabines zo klein dat mijn tenen onder het hokje uitkomen als ik er op ga zitten. Wie heeft dit ontworpen? Ik ben het regenweer ook dankbaar: negen films op zeven dagen. Eci – waar ik dringend vanaf wil – stuurt me Aspe in plaats van Game of Thrones. Dat moet een grap zijn. Een ongelooflijk dikke vrouw bestelt in het frituur om 27 euro voedsel. Het lukt me dus niet altijd om niet meer te oordelen over mensen. Een mail van een collega die niet meer terugkomt – het woord ‘uitdaging’ valt opnieuw.

7 juli
Heeft Heembeek het meest pittoreske tramstation van Brussel? Mijn gruwel voor schaaldieren wordt overtroffen door de smakelijke ziltheid van mesheften. Een brunch de naam waardig. Op een filmquiz aardig scoren op de ronde ‘cleaning’ levert me van pas komende huishoudelijke attributen op. Is het pralinne of pranille? Permenant of permanent? Ik verneem meer over de hypothese dat Shakespeare ongeletterd was en zelf geen enkel van zijn stukken heeft geschreven. Bizar.

Films van de week: London River en Beyond.





Zes jaar al

14 03 2012

Hij wordt steeds meer verleden.

Zes jaar zonder Jelle.

Afbeelding

 





Hollywood Basterds

20 02 2012
Judi Dench (77) liet weten dat ze langzaamaan blind wordt. Een interview onlangs met Vanessa Redgrave (74) beschreef de actrice als ‘verward’. Ook mijn favoriete filmoudjes takelen af, hoezeer ik ook geneigd ben hen eeuwig energiek te zien.

Ellen Bursty, Robert Redford, Peter O'Toole, Maggie Smith

Ik wil er niet meteen aan denken, aan al die talenten die steeds minder films dreigen te gaan maken als hun leeftijd dat niet meer toestaat. Kirk Douglas is al jaren niet meer actief, maar hij is dan ook al 96. En onverstaanbaar. Maar Lauren Bacall is 87, zij blijft nog films maken. Mijn grootmoeder heeft zowat dezelfde leeftijd. Zij leest Story.

Christopher Plummer aka Captain Von Trapp is 82. Hij werd dit jaar genomineerd voor een Oscar en blijft uitermate genietbaar werk afleveren. Clint Eastwood is 81 en maakt niet alleen de ene film na de andere, maar zou nu toch ook weer gaan acteren. Zijn leeftijdsgenoten Gene Hackman en Sean Connery zijn intussen al een tijdje op pensioen. Toch zijn er nog die Eastwood overtroeven. De Portugese cineast Manoel de Oliveira is 103 (!!) en is nog steeds actief als filmmaker. Al verwacht ik iedere dag te vernemen dat hij de pijp aan Maarten geeft.

Andere krasse knarren zijn Robert Duvall (80), Ian Holm (80), Gena Rowlands (81), Ellen Burstyn (79), Peter O’Toole (79) en mijn grote favoriet Michael Caine (78). We zijn geneigd die leeftijd te relativeren omdat die mensen zo alert en actief overkomen, maar in het doorsnee rustoord zitten er veel jongere mensen te wachten op hun bordje pap. Mijn grootouders, 79 & 80, zijn ook actief en alert, maar zouden lichamelijk niet meer in staat zijn te acteren (hoewel het theater dat ze onder hun twee opvoeren anders ook vaak Oscarwaardig is).

Er zijn er nog hoor, acteurs waarvan u misschien verrassend verneemt dat ze al op leeftijd zijn. Donald Sutherland, Shirley Maclaine, Eileen Atkins, Maggie Smith, Martin Landau en Sophia Loren zijn 77, dat valt aan te nemen. Allemaal hebben ze met grote en legendarische filmmakers gewerkt. Ik geniet van al hun vertolkingen, omdat ze in al die jaren alleen maar beter geworden zijn. Woody Allen is 76, Albert Finney 75, Roman Polanski 78. En dan zijn er Anthony Hopkins (74), Morgan Freeman (74) en Jack Nicholson (74). Dat verrast u misschien minder, u ziet hen al vaak als oudere mannen op het scherm. Maar stond u er bij stil dat ook Robert Redford, Jane Fonda en Dustin Hoffman al 74 zijn? Ze hebben hun jeugdige look zo lang uitgespeeld dat men lijkt te vergeten dat ze nu al zo’n hoge leeftijd hebben. (Brad Pitt is intussen ook al 48 hoor).

John Hurt & Gena Rowlands

Nog wat prille zeventigers: Al Pacino is 71, net als Michael Gambon, John Hurt en Martin Sheen. Nick Nolte is 70 en Harrison Ford bijna, net als Barbra Streisand. Robert De Niro, Ben Kingsley, Christopher Walken, Danny De Vito, Michael Douglas en Helen Mirren  zijn flinke zestigers.

En zo zijn er nog meer hoor, Hollywoodsterren die we niet zo oud inschatten. Omdat ze als jongere personages gecast worden, of als ouders van acteurs die we ook weer jonger inschatten (wist u dat Leonardo DiCaprio 37 is?).

Het maakt me niet uit dat ze ons op die wijze liggen hebben, film is fictie, maar het leven niet. Robert Duvall zal ook wel al eens in zijn broek gedaan hebben zeker? Ik hoop vooral nog vele jaren van al deze grootheden te mogen genieten. Het liefst met een film over een bejaardentehuis met minstens tien van de vermelde acteurs in de hoofdrol.





My Life in films: Snotterprenten

18 02 2012

Over films en herinneringen

In exclusief mannelijk gezelschap kwam na een bioscoopbezoek afgelopen week de vraag ter sprake welke films ons tot tranen toe hadden ontroerd. Tot Altijd alvast niet, daar waren we het over eens. Wat de heren in mijn gezelschap dan wel naar hun zakdoek deed grijpen, hoeft niet bekend gemaakt te worden (al was het maar omwille van enkele kleffe films die in aanmerking bleken te komen), maar ik dacht over mezelf maar eens een zakdoekje open te doen.

Een film aangrijpend vinden, kost me geen moeite. Dat gebeurt zelfs zeer regelmatig. Ontroerd zijn door films, het overkomt me ook vaak. Maar écht tot tranen toe bewogen zijn, schaamteloos zitten snikken bij een film? Ja hoor. Hoewel ik immuun ben voor tranige drama’s vol vals sentiment, overkomt het me zeer regelmatig dat ik een traantje wegpink bij een film en ik maak er geen punt van dat te bekennen.

In het ophalen aan de herinneringen daaraan, stel ik vast dat ik de Hollywoodval dikwijls weet te ontwijken. Ik heb het gewoon niet voor die nadrukkelijk manipulatieve tearjekkers, zeker niet als die van romantische aard zijn zoals P.S. I Love You of The Notebook, hoeveel beminde helden er ook de geest geven en hoeveel geweeklaag dat ook oplevert van de achtergebleven geliefden. Ik raak weliswaar onder de indruk van waarachtig drama, sociale ellende, ziektes en plotse sterfgevallen in films, maar dat doet me toch niet meteen naar een zakdoek grijpen.

De lijst van films die dat wel doen, is dan ook erg gevarieerd en het valt me moeilijk precies te duiden waar de ontroeringsfactor zich bevindt. Overwinningen doen het hem vaak, herenigingen en kinderleed. Maar toch valt moeilijk te voorspellen wat voor soort films me nu echt laat snotteren. In willekeurige volgorde:

Man on the Moon

Een formidabele Jim Carrey kruipt in de huid van de vaak misbegrepen, aan kanker lijdende komiek Andy Kaufman. Hoewel extreem cynisch en brutaal, wordt de man in het aanschijn van de dood goedgelovig en week, zo laat deze prachtige film ons geloven. Dat vond ik al behoorlijk aangrijpend, maar in combinatie met de overtuigende Carrey – die het personage zo echt maakt – en natuurlijk de nostalgische, weemoedige soundtrack van R.E.M., leverde deze film me flink wat tranen in de ogen op. De scène waarin de aanwezigen op een afscheidsviering samen zingen, was op het randje, maar van cruciaal belang daarbij.

Invictus

Ik vrees dat ik deze film net iets te veel merites toedicht, maar waar ik een zakelijk verteld, klassiek biografisch verhaal verwachtte, kreeg ik van Clint Eastwood een hartverwarmend relaas waarin ik vooral getroffen werd door de doortastende en edele houding van Nelson Mandela om via het nationale rugbyteam zijn land te herenigen en de manier waarop de spelers dit als een roeping op zich wilden nemen. Glorieuze sportieve overwinningen raken me vaak (in films!) en dan in zo’n pacifistische context gegoten, des te meer. Natte wangetjes.

Salvador

Deze Spaanse film streefde eveneens net iets te nadrukkelijk naar een emotionele beleving, maar om de feiten kun je niet heen: het wrede lot van Salvador Puig Antich, een rebel en volksheld, was onverdiend. De film belicht de zaak eenzijdig en focust op de familiale verhoudingen, waardoor de kijker best gemanipuleerd wordt, maar niettemin was ik toch wat van de kaart door de film en liet de verstommende afloop – die ik niet zag aankomen – me naar de zakdoek grijpen.

Troubled Water

Deze Noorse film over boetedoening en vergeving – thema’s die ik graag aan bod zie komen in films – wist met zijn onthutsende finale een heleboel emoties los te maken. In theatrale muziek gedrongen drama’s over goedmenende mensen… dat werkt wel bij mij.

Quando Sei Nato

In deze Italiaanse film van de regisseur van La Meglio Gioventù valt een jongen van 12 ’s nachts overboord zonder dat iemand dat merkt. In de onmetelijke oceaan roept hij hulpeloos op zijn vader, terwijl hij de dood ziet naderen. De rest van de film is zeer te pruimen, maar die indringende, benauwende scène alleen, met als protagonist zo een bewonderenswaardig verstandig en sociaal kind, wist me helemaal te verscheuren. Ik zag de film enkele weken na de dood van Jelle, dus dat zo ook wel meegespeeld hebben.

The King’s Speech

Deze recente succesfilm is natuurlijk hapklare koek voor een groot publiek, maar de strijd van een man die, omwille van een ongevraagde positie die van groot belang is voor de éénheid van zijn land, zijn spraakgebrek moet overwinnen, met de onmetelijke steun van vrouw en therapeut, deed me huilen van ontroering.

The Pursuit of Happyness

De meest valse noot in dit lijstje, denk ik, een schaamteloze Hollywooddraak waarin een alleenstaande vader alles op alles zet om zijn droomjob te pakken te krijgen en zijn zoon een toekomst te bieden. Zou dan nog waargebeurd zijn ook. Will Smith wist me helemaal te overtuigen in de rol van liefdevolle doorzetter en ondanks mijn besef van opgedrongen sentiment, zat ik na zowat de hele film door te sniffen, en op  het eind volop te snotteren.

Les Petits Mouchoirs

Een Franse ode aan vriendschap, overtuigend geacteerd en realistisch uitgebeeld, waarin het drama toeslaat wanneer een vriend overlijdt. Je film laten eindigen met een begrafenis: Guillaume Canet bereikte er mee wat Nic Balthazar niet kon: het verhaal  betrekken op de kijker en je zo een kijk te gunnen op de emoties van de personages. Ik hield het niet droog dus.

Wall-E

Het Pixarrobotje Wall-E is een wel heel aandoenlijk personage natuurlijk. Terwijl veel critici de eerste helft van de film bewonderden omwille van de gedurfde neerslachtige sfeer, zat voor mij de kracht in de scène waarin Wall-E en zijn geliefde Eve herenigd worden in de ruimte, elkaar  verlangend in de armen vallen en in hun dolle liefde een prachtig ruimteballet uitvoeren. Het bleef niet bij het wegpinken van een traantje.

Without a Trace

Dit is een speciaal geval. Without a Trace is een film uit 1983, die ik als kind zag en opnieuw bekeek ergens in de jaren ’90. Het is een sec verteld, onsentimenteel verslag over de zoektocht naar een vermist kind. Na een poos verstomt de heisa, maar de moeder blijft wanhopig geloven in een goede afloop. Eén agent bijt zich vast in de zaak. De film eindigt met een lange climax waarbij het teruggevonden kind in een karavaan van tientallen politiewagens naar zijn moeder teruggebracht wordt. De muziek zwelt aan, intussen zien we de moeder argeloos boodschappen doen. Het jongetje beseft evenmin wat er aan de hand is. Onder de ogen van een massa volk, gelokt door de politiesirenes, krijgen moeder en zoon elkaar weer te zien. Op haar gezicht zie je in één seconde het besef doorbreken: de nachtmerrie is over – wat een vertolking van Kate Nelligan! – en dan volgt een weergaloos elkaar-in-de-armen-vallen terwijl de muziek een hoogtepunt bereikt. Deze afloop mag je gerust stroperig noemen, de film zelf is zo oprecht en waarachtig dat je je niet bekocht voelt. Een hele zakdoek vol gesnotterd en op het internet vind je tal van gelijkaardige emotionele waarderingen voor deze intussen onvindbare film, waarvan ook geen fragmenten on line te vinden zijn.

Er zijn er misschien meer, maar momenteel zijn dit zowat de enige films waarvan de herinnering aan overstromende ogen nog vers is. En natuurlijk zijn er nog een heel pak films waarbij ik een krop in de keel had of wat vocht in de ogen. Maar ik heb me dus beperkt tot de tranentrekkers.

Lees eventueel ook:

My Life in films: The Goonies

My Life in films: The Bonfire of the Vanities

My Life in films: The Muppets & The Marx Brothers

My Life in films: E.T.





Soms valt er niets te klagen.

2 02 2012
  • amper kou gehad vandaag.
  • 22 rapporten klaar voor de deadline. Dank aan mijn directeur om die deadline te vervroegen waardoor ik nu geen werk meer heb.
  • een deugddoende workshop gegeven op de onderwijzersopleiding en daar door studenten nog tot nieuwe inzichten gebracht over mijn eigen klaswerking.
  • een ongelooflijk toevallige en fijne ontmoeting met iemand die ik 13 jaar geleden voor het laatst zag, die net daarvoor dit blogstukje had gelezen en dit bijzonder wist te waarderen.
  • een trein met heel wat lege zitjes, die net door zijn vertraging perfect op tijd was voor mij.
  • een smakelijk pak frieten (frituur Jozef op de vrijdagmarkt is echt top!)
  • in tegenstelling tot heel wat collega’s de oudercontacten gisterenmiddag al afgesloten.
  • geen enkel bericht in de mailbox dat me agiteert, integendeel: allemaal bevestigingen en uitnodigingen.
  • Friday Night Lights klaar liggen hebben.
  • Genieten van (de weliswaar laatste bladzijden van) Het leukste jaar uit de geschiedenis van de mensheid van de geweldige Ronald Giphart.

Als ik nu niet goed slaap, weet ik het ook niet meer.





Over peperkoek en poëzie

26 01 2012

Iemand besloot dat het afgelopen donderdag gedichtendag was. Ik had daar geen nood aan, gezien mijn beperkte vermogen om poëzie te begrijpen of ervan te genieten. Als leerkracht kun je daar echter niet zomaar omheen. Je kunt niet altijd alleen doen wat je zelf interesseert of wat het makkelijkst is. Dus besloot ik in de klas aan het dichten te slaan, met de kinderen.

Dat deed ik nu ook weer niet tegen mijn zin. Drie jaar geleden deed ik ook een gedichtenproject, en dat had prachtige resultaten opgeleverd. Ik heb dan misschien niet veel voeling met poëzie, taal is wel mijn ding en het lukt me vaak aardig om kinderen verder te brengen dan ze zelf zouden verwacht hebben. Het is in de eerste plaats dan ook een kunst om kinderen er zin in te doen krijgen. Dat doe je niet door blaadjes papier uit te delen met de opdracht ‘nu gaan we eens een gedicht schrijven’. Ik had me dus serieus voorbereid, met dank aan mijn Nederlandse inspiratiebron en motivator Jeroen Tans, bood eerst heel wat prachtige kinderpoëzie aan en in de namiddag zat de hele klas met een niet te temperen enthousiasme te schrijven en te experimenteren. Die paar kinderen die aanvankelijk protesteerden, raakten al snel eveneens verkocht. Om kwart over vier- toen de school dus al drie kwartier uit was – zaten nog zes kinderen verder te werken, weigerend naar huis te gaan. Zo’n dagen zou je als leerkracht meer moeten beleven.

Resultaten zijn er nog niet, maar het gaat ook dit keer de goede kant op. Het deed me echter stilstaan bij mijn eigen houding tegenover poëzie. Ik word er niet echt warm van, maar het laat me nu ook niet echt koud. Ik lees geen gedichtenbundels, maar kom soms poëtische zaken tegen die me wel treffen.

Nochtans heeft poëzie op minstens één belangrijk moment in mijn leven een grote rol gespeeld.

Toen ik in 1995 besloot leerkracht te worden (dat had ik eigenlijk al tien jaar eerder beslist), bezocht ik enkele opendeurdagen van leerkrachtenopleidingen. Eerst naar het dichtstbijzijnde Gijzegem (nu KaHo Sint-Lieven in Aalst), waar ik me terug in de tijd waande. Een halve pastoor en een non of twee ontvingen ons zonder merkbaar genoegen in hun gewelven en beschreven vervolgens hoe ze van enthousiaste jongeren op drie jaar tijd grijze muizen en klassieke leerkrachten zouden maken. Ik was – nog niet eens 18 – toen lang niet zo kritisch of anti-autoritair ingesteld en hoewel ik geen klik voelde met de school, zag ik me er de komende jaren al knutselwerkjes en stelopdrachten verzinnen in de grote grijsheid van dit nadrukkelijk christelijke universum. Gelukkig had mijn moeder een nonnentrauma en stelde ze resoluut dat ik hier echt niet naar school wilde, toch?

Ah neen dus. Dus trokken we naar Brussel, waar ik enkel de Nieuwstraat en de Kinepolis kende, maar waar dus ook een lerarenopleiding was, de KHB (Katholieke Hogeschool Brussel, voorheen Sint-Thomas, nadien Ehsal en nog van alles, nu HUB). De school lag niet ver van het Zuidstation en de Marollen, de bruisende maar kleinschalige Campus Nieuwland, in een wat grauwe buurt. De sfeer voelde meteen anders. Je mocht er de leerkrachten met de voornaam aanspreken en je werd als student veel volwassener behandeld dan in het bevoogdende en rechtlijnige Sint-Lieven. Een uit de hand gelopen kruising van een geitewollensokkenkampvuur en een bonte avond van de scouts, zou mijn moeder het dan weer vier jaar later cynisch beschrijven.

Een enthousiaste tweedejaars leidde ons rond. De cursussen en werkstukken die er ter aanschouwing uitgestald lagen, maakten indruk. Dit leek nu ook weer niet zo gemakkelijk. Je moest studeren. En creatief zijn en zo. Dat was toch wat anders dan leiding geven in de KSA. Dat de organisatoren van de opendeurdag enkel de allerbeste werkjes etaleerden, kwam niet in me op. Ik kreeg al koudwatervrees. Naar Brussel en zo. En klasgenoten die van verder kwamen dan Erembodegem of Sint-Lievenshoutem…

Als het meisje dat ons rondleidde, representatief stond voor de studenten van die lerarenopleiding, moest ik misschien zelfs twijfelen of ik me er ooit thuis zou voelen. Ze was wat artistiekerig, zelfverzekerd, matuur, sprak met een Brabantse r, … Het feit dat ik me haar nu, 17 jaar later bijna, nog herinner, is veelzeggend. Ook de andere studenten die aanwezig waren, straalden een zelfvertrouwen en wereldse attitude uit die ik toch vond contrasteren met mijn provinciale schaamte.

Mijn moeder was al veel enthousiaster en overtuigde me zonder veel woorden dat dit misschien wel was wat ik nodig had. Wat verbreding van mijn wereld, vrienden vinden die geen combat shoes droegen of zeven curryworsten eten als een avondje cultuur zagen. Ik besefte dat ik die grote stap wel moest zetten.

Het is nog altijd de beste beslissing uit mijn leven geweest. De vier daaropvolgende jaren zijn in mijn geheugen samengekoekt tot één grote herinnering vol vreugdemomenten en vriendschappen maar vooral aan het feit dat je je eigen grenzen verlegde en echt gevormd werd – jezelf mocht vormen zelfs. Als leerkracht-in-wording maar eigenlijk ook als mens, want daar zat de grote kracht van de school wel. De werkstress, de zenuwen tijdens stages en de buizen, vergeet ik nu even (want die vier jaar waar ik het over had mochten er eigenlijk maar drie zijn, maar het dubbelen van het eerste jaar heeft alles eigenlijk alleen maar mooier gemaakt).

Ik kan nog véél meer vertellen over die vier memorabele jaren, maar dat is voer voor later. Ik keer even terug naar die opendeurdag en die poëzie. Onze gids maakte ons attent op een gedicht dat in één van de lokalen hing te schitteren. Het was een kindergedicht, geschreven door één van de studenten, voor de kinderpoëziewedstrijd die de school om de paar jaar organiseerde, de Peperkoeken Pen. Ik durfde het amper lezen, uit schrik nog meer  geconfronteerd te worden met vaardigheden die ver buiten mijn kunnen lagen. De winnaar van de Peperkoeken Pen moest wel een uitstekend student zijn, een primus zoals je die alleen in romans tegenkomt die zich in de studentenwereld afspelen.

Half september begon de opleiding. In het lokaal waar we die eerste dag samenkwamen, viel opnieuw dat winnende gedicht op. Meteen een herinnering aan de hoge eisen die de opleiding leek te willen stellen. Niet alleen negeerde ik het gedicht omdat poëzie me weinig zei, vooral omdat ik moedeloos zou worden van het schrikbeeld dat ik slechts die middelmatige onderwijzer zou worden die hoop en al een leuk rijmpje kon bedenken dat anderhalve kleuter deed glimlachen.

De jaren gingen voorbij, zoals gezegd vol intense belevingen en inspirerende leermomenten. De Peperkoeken Pen kwam niet meer ter sprake. De bezieler ervan, docent Nederlands Marc Stevens, lag me ook niet. Zijn lessen waren formidabel en zelfs nu nog denk ik terug aan bepaalde verhelderende opvattingen die hij ons aanbracht. Maar ik kon het op persoonlijk vlak veel minder met hem vinden. Ik had de indruk dat hij mij misschien helemaal geen geschikte student vond, ik verdacht hem dan weer van scoringsdrang bij de studenten. De drie daaropvolgende jaren had ik echter geen les meer van hem, waardoor me vooral bijbleef dat hij zo’n stimulerende lessen gaf en vol ideeën zat om taal voor kinderen aantrekkelijk en levensecht te maken.

En toen was de Peperkoeken Pen er weer, in mijn afstudeerjaar. Ik voelde me niet aangesproken. Medestudenten zoals Vincent, voor wie het leven één groot gedicht was, of Celine, de ultieme zelfpromotor die Marc vast zo geweldig vond, zouden zich vast met veel enthousiasme op de wedstrijd gooien. Dat was een nuchtere veronderstelling hoor, zonder verbittering. Zoals ik mensen zie deelnemen aan wielerwedstrijden of hotdog-eet-marathons: veel succes gewenst, maar ik bemoei me er niet mee.

Wat dan uiteindelijk de aanleiding gegeven heeft, weet ik niet meer, maar ik besloot uiteindelijk om ook mijn kans te wagen voor de wedstrijd. Misschien omdat ik taalonderwijs zo leuk was beginnen vinden, of omdat ik altijd al graag verhaaltjes en rijmpjes had bedacht? Omdat ik mezelf wou uitdagen? De wedstrijd streefde wel een zeker niveau na (zoals je hier kunt lezen: geen rijmelarij, maar het trachten te vatten van de zieleroerselen van kinderen), en ik moet op dat moment toch gedacht hebben een kans te maken.

Ik produceerde thuis aan mijn bureautje twee gedichten. Het ene ging over voornamen en hoe het als kind moet zijn als je een voornaam hebt die anderen in het belachelijke trekken. Het andere was luchtiger en ging over het winnen van de lotto, denk ik (tijd om ze nog eens na te lezen, als ik ze kan terugvinden). In een voor mij atypische bui, besloot ik niemand te vertellen dat ik deelnam aan de wedstrijd. Vincent deed mee natuurlijk, en nog enkele andere vrienden voor wie het volkomen vanzelfsprekend was.

Je mocht je gedicht anoniem inzenden. Zo kon je zeker zijn dat de jury, bestaande uit docenten, volkomen neutraal oordeelde. In een gesloten omslag verklapte je dan je pseudoniem. Ik moet toch ergens wat wantrouwen in het systeem gehad hebben (misschien toch nog altijd wat bang van Marc?) en zond mijn twee gedichten in onder telkens een ander pseudoniem en in een ander lettertype. Zo zouden eventuele dwarsliggers op mijn prille dichterscarrièr, minder kans hebben om mij uit te sluiten op basis van mijn persoonlijkheid  – ik was ook wat brallerig bij momenten en stond zo irritant graag in de belangstelling. Het was een kleine school waar iedereen elkaar kende.

Na de examens volgde een schoolfuif. Op een bepaald moment zouden daar alle geselecteerde gedichten verspreid worden op een folder, en wat later zou dan de winnaar bekend worden gemaakt. Tot mijn grote verrassing en vreugde trof ik mijn beide gedichten aan onder de genomineerden. Ik kreeg verraste reacties – want waarom had ik niets verteld? Vincent was ook genomineerd en het trof me dat hij ook verrast was. Niet vanwege mijn nominatie, wel om mijn initiatief. Het was zo’n moment waarop je in de reacties van anderen een spiegelbeeld ziet van de persoon die je aan het worden bent. Ik was die Sven geworden die schijnbaar zonder aarzelen een kindergedicht schreef.

Die kleine dingen hebben van die deelname aan de Peperkoeken Pen een onvergetelijke ervaring gemaakt. Ik herinner me vooral dat ik – het klinkt ongeloofwaardig – heel bescheiden reageerde op mijn selectie. Ik, die verder zo vaak te koop liep met wat ik goed kon en dacht goed te kunnen. Ik denk dat dit zo’n situatie was waarbij de overwinning op jezelf de hoogst haalbare eer was. Zoiets bestaat dus echt. Ik was niet eens trots, vond het gewoon fijn dat mijn gedichten tussen een vijftiental andere prachtige gedichten stond van allemaal zeer getalenteerde medestudenten.

Later die avond lazen docenten de gedichten voor. Onder de deelnemers was enige animo wat die voorlezers betrof. Wie jouw gedicht voorlas, was wel degelijk van belang. Een charismaloze docent – zo had onze school er gelukkig niet veel – kon jouw imago als dichter-in-spe meteen verknoeien. Onze pedagoge Frieda, een heel tof mens, bleek mijn gedicht voor te dragen en dat was alleszins een meevaller.

Dat ik die avond uiteindelijk ook effectief met de Peperkoeken Pen aan de haal ging, was nog eens de kers op een overheerlijke taart. Ik zag mezelf terug, zoveel jaar eerder, op die opendeurdag, dat gedicht negerend. Die verhouding tussen die vroegere en die huidige Sven is vrijwel niet te beschrijven. Hoe onbelangrijk verder ook in het geheel der dingen, ik denk niet dat ik later in mijn leven nog iets bereikt heb dat ik voorheen in die mate onmogelijk achtte. Tegenwoordig speel ik op safe en breng ik enkel dingen tot een goed einde waarvan ik zeker ben dat ze succesvol zullen zijn. Maar die Peperkoeken Pen pakken ze me niet meer af, al bestaat ze nog enkel uit een oorkonde. En vind je hier zelfs geen verslag van de wedstrijd uit 1998.

Marc Stevens was er dat jaar niet bij, vandaar wellicht. Eén van zijn ouders was overleden, als ik me dat goed herinner. Enkele dagen later was er nog een afscheidsbarbecue voor alle derdejaars. Marc feliciteerde me toen, en zijn blik leek te willen suggereren dat ik even terecht als onterecht de winnaar was, zo meen ik me dat te herinneren. Omdat hij mijn gedicht misschien wel goed vond, maar hij misschien liever een ander student als verpersoonlijking had gezien van de individuele vooruitgang die de opleiding nastreefde. Dat is geheel en al mijn interpretatie natuurlijk. Hij gaf me ook zeer kort feedback. Dat slechts twee zinnen uit mijn gedicht samen veel krachtiger waren dan het volledige gedicht. Kritiek die even vernietigend als opbouwend was. Het ‘less is more’ principe zou ik pas vele jaren later begrijpen.

Ik had op dat moment Marc eigenlijk graag verteld wat die prijs voor mij betekende, maar dat was er toen dus niet het moment voor en de daaropvolgende drink & fuif kon hij begrijpelijkerwijs niet bijwonen. Nu zijn we bijna 13 jaar later en op een doordeweekse donderdag overvalt deze ervaring me opnieuw. En als mijn leerlingen volgende week tweeëntwintig mooie gedichten afleveren, is dat dus ook een beetje dankzij Marc Stevens, wiens initiatief mij overtuigd heeft van mijn eigen kunnen.





Chocolademerde

24 12 2011

Ik vang mijn vakantie aan met een immense behoefte aan rust en me-time. De eerste uren van deze dag hielden daar echter geen rekening mee. Om acht uur startte mijn bovenbuur enige timmerwerken. De chocoladefondue – inclusief chocoladefontein – die gisterennamiddag mijn leerlingen een uur smulplezier bezorgde, dwong me daarna alweer naar school te gaan om de achtergebleven smurrie te gaan verwijderen (want dat kon er gisteren echt niet meer bij). Ik heb er dus al anderhalfuur schoonmaakwerk op zitten – zo’n chocoladefontein vraagt uiteindelijk meer reinigingswerk dan je er plezier aan hebt – en dus zou ik liefst van al nu enkele uren voor de televisie neerploffen, verdwalend in een film. Er moet echter alweer Kerstmis gevierd worden, dus dat verpozen stel ik nog maar enkele uren uit, tot ik aan die feestdis zit. En dan start ik morgen echt met luieren.

Alleszins een fijne Kerst voor u allen en aan alle leerkrachten een deugddoende vakantie!





Mijn oma is dood (maar ze leeft nog)

23 11 2011

Afgelopen zomer werd mijn grootmoeder 88. Zeggen dat dat er een feeststemming was, is veel gezegd. Mijn grootmoeder is niet graag jarig, dat is al jaren zo. Maar nu kon er echt geen glimlach af. Niet dat er veel animo onder de verzamelde familieleden viel vast te stellen, maar toch, eens jarig leek ze toch altijd weer mee te willen, al was het maar omdat ik drie stukken taart at om haar plezier te doen.

Nu zijn we een aantal maanden later en er is geen beterschap. Mijn grootmoeder lijkt op haar 88e vastbesloten ongelukkig naar haar levenseinde te sukkelen. Haar gezondheid is daarbij geen doorslaggevende factor. Ze zit met een slecht genezende wonde, kneusde onlangs weer haar ribben bij een val, heeft evenwichtsstoornissen waardoor ze al eens haar vloerbedekking van zeer nabij moet bekijken, maar al bij al is ze voor een hoogbejaarde best nog vief. Dokters en professoren prijzen haar al jaren voor de kwaliteit van haar lichaam!

Maar vooral tussen de oren wil het niet meer mee. Mijn oma heeft er genoeg van. Ze klaagt en zeurt en plengt al eens een traan, weigerend nog enige schoonheid in het leven te zien. Vanuit haar standpunt kan ik dat soms begrijpen, al negeert ze koppig iedere scheut optimisme. Ze zit vaak alleen, is niet meer goed te been, eet niet meer met smaak, staart gedachteloos naar televisie en toont geen enkele interesse in wat voor ontspanningsmogelijkheid dan ook. Een Story doorbladert ze zonder enig genoegen en de post uit de brievenbus halen is de uiterste krachtinspanning en tegenwoordig haast de enige uitstap. Durf haar nergens voor uit te nodigen want ze komt niet (ook al omdat dat fysiek steeds moeilijker wordt).

Ze ziet mij en andere familieleden graag op bezoek komen. Ze heeft vijf zonen – waarvan drie gepensioneerd – , zeven kleinkinderen en als ik me niet vergis negen achterkleinkinderen. Maar dat garandeert geen zoete inval. Sommigen komen weliswaar eens per week, enkele zelfs iedere dag, maar nooit erg lang. Ik vrees ook dat de plichtmatigheid steeds voelbaar is. Er wordt dan geponeerd hoe druk het wel is en wat allemaal nog moét. Het gezelschap houden van een bejaarde hoort daar niét bij, zo laten ze haar voelen. Sommige kleinkinderen slagen er niet in één keer per jaar langs te komen. Druk druk druk, u moet dat verstaan. Ik woon het verste weg maar teken minstens drie keer per maand present.

Ze blijft daar consequent waardering voor uitspreken, maar toch kost het me een inspanning, dat geef ik al een tijd toe. Ik zie er de tijd wegtikken en aanhoor haar geweeklaag. Er zit al eens een buurvrouw of zo bij en dan val je al snel een erg enge wereld binnen, waarin dooddoeners of praatjes over het weer de dienst uitmaken. Ik verbijt mijn ongeduld, blader in haar roddelblaadjes en eet een koekje of tien. Een echt gesprek hebben we nooit. Mijn oma wil wel weten hoe het met me gaat, maar haar wereldbeeld staat mijlenver van de werkelijkheid. Ze begrijpt niet veel  – hoort ook niet goed – en beoordeelt alles vanuit een achterhaald, door de media gevoed angstenpatroon. Schoolmeester worden afgeslegen door bendes Turken en mijn broer moet bedelen voor een korst brood. Er is dus niet echt sprake van een conversatie. Zelfs de kracht van een anekdote gaat snel verloren.

Het is ook normaal dat ze, vanuit haar neerwaartse spiraal, enkel nog geïnteresseerd is in haar eigen situatie. Het aanhoren van haar problemen, bezie ik als mijn taak als kleinzoon, zelfs al krijg ik steeds meer het gevoel dat anderen die taak verwaarlozen. Ik word er ook moe van. Maar waarom zou ik, die een actief, gevarieerd, genotsvol, sociaal en impulsrijk leven leid, het niet kunnen opbrengen om haar nu en dan een uur gezelschap te bieden en wat aandacht te geven?

Straks denkt u nog dat dit artikel over mij gaat. Dat ik beroep doe op uw ‘vind ik leuk’s om mijn status als doodbrave kleinzoon bevestigd te zien. Maar de essentie is dat mijn bekommernis omgeslagen is in bezorgdheid. Ik krijg steeds sterker het gevoel dat mijn oma het wel  gehad heeft en ze zich, los van fysiek welzijn, een plaatsje aan het reserveren is in het hiernamaals. Maar hoe praat je zulke gedachten uit haar hoofd?

Ik vrees ook, en nu ga ik boude uitspraken doen, dat veel mensen ook niet inzien waarom dat uit haar hoofd moet gepraat worden. Misschien willen we wel allemaal dat ze op een ochtend niet meer wakker wordt, omdat ze dat zelf toch zo graag wil (en ons dat dan allemaal verlost van al die lasten?).

Alleen mag ze dat verlangen dan al uitspreken, in hoeverre is dat gefundeerd? Ze is altijd al bang geweest van de dood. Daar nu naar lijken te verlangen wijst of op een depressie of op een verpakte noodkreet. Intussen heeft dit doemdenken dan toch effect op haar gezondheid. Ze krijgt wel veel hulp in huis, maar het begrip zelfstandig wonen wordt duidelijk uitgehold. Ik vraag me dus af wanneer mijn vader en zijn broers deze situatie willen onder ogen zien. Het woord ‘rusthuis’ valt zelden. Mijn oma heeft zich daar altijd negatief over uitgesproken. Haar buren argumenteren mee. In eigen huis ben je de baas. Daar zit je evengoed alleen. Je krijgt er eten maar verder ziet er ook geen mens naar u om. Je krijgt er maar een klein kamertje. Enzovoort.

Ik begin dat te betwijfelen. Volgens mij zou mijn oma opgelucht zijn dat er altijd hulp in de buurt is, ze verlost is van een huis dat te groot is en een tuin die ze niet kan onderhouden. Waar wel degelijk andere mensen zijn om elkaar gezelschap te houden. Waar mensen professioneel het soort kletspraat gebruiken dat mijn oma net apprecieert. Of zal het één van haar zonen zijn die op een dag  – laat het nooit zover komen – haar van een verse luier moet voorzien? Ik dacht het niet.

Mogelijk overschat ik die seniorenopvang. Mijn oma is geen gemakkelijk mens. Maar wat is het alternatief? Een laf ontwijken van de realiteit, tot er op een dag iets erger gebeurt – een zware val, een heupbreuk, een attakske –  en ze maar meteen terechtkomt op een afdeling waar het onvermijdelijk naar pis ruikt? Ik ken mijn familie wel een beetje. Het zou best wel eens kunnen dat ze dat een normaal perspectief vinden.

Ik weet ook dat een plek in een rusthuis lang vooraf gereserveerd moet worden. Gezien de huidige gemoedstoestand van mijn oma en mijn akelige aanvoelen, is het misschien te laat om die zoektocht nu aan te vangen. De familie toont zich bereid de periode tot dat ultieme moment – wat evengoed nog jaren kan zijn – zwijgend te overbruggen, al zijn dat dan vele uren bezoek. Ik zucht daar diep om. Ik word er moe van. Ik schuif het van me af maar trek het me ook aan. Het is niet mijn zorg. Het is wel mijn zorg.

Zekere secreten van tantes, niet vies van wat gestook, etaleerden jaren geleden al hun zogenaamde barmhartigheid met de belofte dat er altijd een bedje voor haar zou klaarstaan, mocht het zover komen. Ik vind dat  het zover is. Waar is dat bedje nu?

Weet u wat mijn oma eigenlijk echt het aller- aller- allerliefste zou willen? Bij mij of mijn broer wonen. Echt waar. Ze laat zich dat al eens ontvallen, al weet ze meteen hoe absurd dat idee is. Ze ziet ons heel graag. Ik vind het een verpletterende verantwoordelijkheid dat de sleutel tot haar geestelijk welzijn misschien wel in onze handen ligt. Ik verkies dan toch maar bot egoïsme, in dat geval. Ik ga niet voor de status van heilige. Ik dek me in met die drie bezoekjes per maand.

En voilà, dan ben ik misschien nog slechter dan mijn familieleden.

Wat nu?

************





Vakantie is levensgevaarlijk.

8 08 2011

*** Grizzlybeer doodt toerist in Yosemite ***

*** Toeriste neergebliksemd in Grand Canyon ***

*** Meisje verdrinkt in Bulgaars zwembad ***

*** Toerist verdwijnt in blowhole op Maui ***

*** Toerist verongelukt in Pyreneeën ***

*** Jongen verdrinkt in Tunesisch zwembad ***

*** IJsbeer doodt toerist in Spitsbergen ***

*** Toerist komt om bij aardverschuiving in Nepal ***

*** Toeriste verdrinkt in Frans riviertje ***

*** Toerist valt in Canadese waterval ***

*** Ski-ongeval in Nieuw-Zeeland ***

Ik zou voor mijn eigen gemoedsrust beter wat minder stilstaan bij al deze tragedies – in Afrika sterven intussen 300 kinderen per dag – maar ik kan het niet helpen: ik vind deze noodlotsverhalen allemaal vreselijk. Ontspanning en zorgeloosheid slaan om in drama’s. Nog een geluk dat ik Het Laatste Nieuws niet lees, waarin al deze verhalen wellicht nog eens flink in de verf gezet worden.

Is het het gebrek aan zonneschijn dat me al in een winterse depressie doet belanden? Duidelijk nood aan wat zomerse nonsens…





Balans

2 05 2011

Pas om 10.30u moeten beginnen werken!

Bouwmaterialen die bij de buren geleverd worden om 5u ’s ochtends

Caroline die me haar samenvattingsvriendje noemt

Geen plaats in het fietsenrek

Leerlingen op Youtube

Een te lange, chaotische en inefficiënte vergadering

True Blood seizoen 2 klaar liggen hebben

Kwaad worden op leerlingen, en nog eens, en nog eens!

Een telefoontje met Cindy

Recensies die te laat binnen geleverd worden

Mijn herstelde fiets en een nieuw fietslichtje van Knog

Collega’s die hun vuilen borden en koppen laten staan

Lekker suikerbrood

De dodelijke, eentonige nietszeggendheid van Norwegian Wood.

Het Diner van Herman Koch

“Hoogstaand” tv-drama: Zone Stad

Een geschikt idee voor moederdagknutselen bedenken

Collega’s die me een zaag vinden

Vulgaire woordspelingen rond cupcakes.

Stinkvoeten (ook van anderen!)

Ik blijf een optimistische mens en de balans is misschien wel in evenwicht, maar het was vandaag eigenlijk géén leuke dag.





Liftspiegeling

17 04 2011

De lift is leeg. Dat is niet normaal. Gewoonlijk staat er minstens altijd nog één persoon in de lift: ikzelf.

Maar de spiegel is weg. In herstelling? Want zekere bejaarde bewoners van dit gebouw zouden in een afgesleten hoekje van de spiegel redenen zien om hem als gevaarlijk te beschouwen en hem onverwijld te laten vervangen. Of stukgeslagen door een voorbijkomende vandaal/dronkelap?

Op onverwachte plaatsen zijn spiegels vaak confronterend. Maar ik weet nu al jaren dat ik mezelf tegenkom, zeker twee keer per dag, geenszins onverwacht. Ik kan daar mee leven en kijk er soms naar uit. Ben ikzelf immers niet mijn beste vriend? Haha.

Dus is het een verrassend zicht, die bruine  nephouten plastic wand. Niemand die terugstaart. Niemand die me zegt dat er chocolade in mijn mondhoeken zit. Niemand die me met een gerust hart naar buiten stuurt. Ik hoop dat de spiegel snel vervangen wordt. Ik heb nood aan zo’n laatste zelfreflectie voor ik de wereld tegemoet treed. Ook al is de boodschap die dag wat minder positief.

Ik denk soms dat hoe meer een mens zichzelf ziet, hoe meer hij aan zichzelf gewend raakt, hoe meer hij zichzelf aanvaardt zoals hij is en uiteindelijk, hoe liever hij zichzelf ziet. Of etaleer ik hier een misplaatst narcisme en geldt dat enkel voor mezelf? Bestempel het anders maar gerust als pseudopsychologie.

Zouden er mensen zijn die soms door omstandigheden zichzelf lange tijd niet te zien krijgen? Hoe moet dat zijn, een vreemde zien in de spiegel? In het tv-programma Expeditie Robinson mochten deelnemers soms na een periode van honger en verwildering, zichzelf eens aanschouwen in een manshoge spiegel. Ze waren doorgaans ten zeerste  verrast. Ik zou dat een bijzondere ervaring vinden. Maar het ontbreken van de spiegel in de lift is daar alleszins geen aanzet toe. Het is ook sterker dan onszelf, niet? Etalages, waterplassen, achteruitkijkspiegels, zelfs lepels. We zijn overal.

Een dom blondje kijkt in de spiegel. ‘Die ken ik!’ roept ze verrast uit. Een ander dom blondje komt kijken wat er aan de hand is. ‘Natuurlijk ken je die!’ zegt ze. ‘Dat ben ik!’








%d bloggers liken dit: