Flesmob

3 04 2011

Ik blijf geboeid door flashmobs, en dit is een van de originelere, vind ik. Zeer deugddoend filmpje! (met dank aan Freya)

 





Da feestje is hier nie!

25 03 2011

Als leerkracht moet je soms wel eens toegeven aan wat van bovenhand beslist wordt. Met je klas deelnemen aan een lokale carnavalsstoet, is bijvoorbeeld geen activiteit waar ik met plezier aan deelneem. Vandaag was het dus even op de tanden bijten.

Ik wil natuurlijk positief staan tegenover het initiatief: diverse scholen uit één buurt bereiden zich wekenlang vooraf voor, door grote objecten te maken die de stoet aantrekkelijk maken, door met kleurrijk materiaal zelf kostuums te maken, ondersteund door kunstenaars en creatievelingen uit de buurt. De buurt wordt die dag ingepalmd door hordes verklede kinderen. Dat ze allemaal hetzelfde pakje dragen, vergroot de eendracht. Het is een bont en vrolijk spektakel, een unieke kans tot expressie voor veel kinderen. De straten zijn die dag van ons en de buurtbewoners verenigen zich gezellig op straathoeken en in deurgaten.

Maar van al deze beredeneerde en helaas wat geforceerde gedachten, blijft nauwelijks wat over eens de dag nadert. In de eerste plaats ontgaat het me al waarom de organisatoren deze activiteit pas enkele weken na het feitelijke carnaval plannen. De kans op mooi weer is misschien groter – het was een prachtige dag – maar het zijn toch wat vijgen na Pasen. Of in dit geval voor Pasen.

Het enthousiasme van de organisatoren staat ook lichtjes in contrast met de kwaliteit van de organisatie. De lokale Prins Carnaval, de man achter het hele gebeuren, zet alles op poten met hulp van zijn ouders en andere familieleden. Haast alle bestuursleden dragen dezelfde achternaam. Geen bezwaar tegen familiale initiatieven, maar het is niet omdat je zus je zus is dat ze ook daadwerkelijk kan bijdragen tot de organisatie, om maar een voorbeeld te geven. Zo kon je de teksten in de brochure rond deze stoet, bezwaarlijk vlot of foutloos geschreven kunnen noemen. Elke typ- of spelfout zet het gebrek aan professionalisme net extra in de kijker. En alle sympathie voor de man of vrouw die zich met veel enthousiasme achter de computer zette, maar ook de lay-out etaleert dat amateurisme.

Nu val ik mijn leerlingen daar niet mee lastig –  ze zien trouwens zelf de fouten in dat boekje wel staan – en al is het enigszins lachwekkend dat de brochure ook een overzicht bevat van alle verkozen Prinsen en Kinderprinsen en -prinsessen van de laatste jaren en dat gewoon ieder jaar dezelfde blijken te zijn – bij gebrek aan kandidaten of door fanatieke familiepolitiek – wil ik mijn leerlingen geen deelgenoot maken van mijn occasionele cynisme. Ik kan dit al bij al wel relativeren – als ik dat zou willen. Ik bedwing me ook bedenkingen te uiten over het wat marginale gehalte van de entourage. Het leek immers wel of elke medewerker een sigaret of pint in de handen nodig had. Dat sommige van deze mensen er als niét verklede bespottelijker bijliepen dan de bepruikte en geschminkten onder ons, hield ik ook al voor mezelf.

Nee, wat me dan wel met loden schoenen doet plaatsnemen in een rij verklede kinderen, is het hoge slechte-smaak-gehalte van het hele gebeuren. Kinderen blijken de slechtste liedjes – Waar is dat feestje? Nein Man – het formidabelst te vinden en snappen niet waarom ik met moeite glimlach. Ik ben op dat moment pretbederver numero uno, want ook de meeste van mijn collega’s hebben plaatsgenomen in de polonaise. Maar ik hou vol en weiger enig plezier te veinzen. Niet dat ik er als een donderwolk bijloop, maar ik hoop rustig op de achtergrond te mogen blijven. In alle andere omstandigheden is dat nochtans precies wat mijn collega’s zouden willen.

Het is ook niet zo dat ik mezelf te serieus neem of weiger onnozel te doen. Ik entertain hele bendes snotapen met veel plezier, heb me voor de meest diverse gelegenheden al verkleed in melkboer, olympisch zwemmer, toerist, gala-genodigde of afvalcontainerbewoner. Ik creëer graag wanorde, wil overdrijven en brullen alsof ik zelf weer zes ben enz. Maar niét op slechte muziek en niét als het nadrukkelijk van mij verwacht wordt.

Alles leek deze dag echter behoorlijk mee te vallen. De stoet duurde niet erg lang, de muziek was draaglijk. Na de stoet zou een fuifje volgen, waar ik  me dapper doorheen zou worstelen. De polonaise zou ik desnoods met geweld van me afslaan. En toen kwam een rondborstige dame me trots vertellen dat er nog een grote verrassing was: Kürt Rogiers en Sven Ornelis van Q-Music zouden de party onvergetelijk maken!

Ik stond perplex – en zag mijn persoonlijke hel naderen. Wilde men mij echt in één ruimte krijgen en laten luisteren naar twee van de meest ergerniswekkende figuren uit mijn lange lijst van onuitstaanbare eikels? Twee idioten die het lullen tot een kunst verheven hebben, wiens gezwets nog geen tien seconden te verdragen is? Terwijl collega’s en leerlingen zich naar binnen snelden, zocht ik de dichtstbijzijnde nooduitgang, maar mijn collega Cindy weet dat ik haar niets kan weigeren en troonde me beslist mee naar binnen.

Het gejoel en gekrijs van 250 leerlingen, het zoveelste afgezaagde hitje, de benauwende warmte en bijhorende zweetgeur zorgden er voor dat ik na nog geen halve minuut weer buiten stond. Aan mijn handen mijn excuus: twee zesjarigen die al die drukte duidelijk niet zagen zitten en voor wie het vooruitzicht buiten een verhaaltje te aanhoren, véél aantrekkelijker was. Ik offerde me dus met veel plezier op om op het terras de ukken op te vangen die naar frisse lucht snakten. De polonaise moest ik missen, maar ik deed toch mijn plicht. Dankjewel, Saar en Flores! (en daarna Stans, Victor, Simon, Kudjo en Fran).

De aanwezigheid van de twee grote radiosterren, vervulde de organisatoren van het hele carnavalsgebeuren met een groot genoegen dat ik hen niet misgun, ook al kent vrijwel geen enkele van onze leerlingen de twee praatjesmakers. (Overigens: ook heel wat van mijn collega’s hebben geen idee wie deze mensen zijn, leve hun vermogen zich af te sluiten van de massamedia!). Maar voor mij hoefde het dus beslist niet en ik was dan ook erg opgelucht dat het na een dik half uur genoeg was geweest.

Binnen een dikke week trek ik met mijn leerlingen op bosklassen. Ik zal daar dan dubbel zo hard onnozel doen en enthousiast wezen en bewijzen wat een leuke, lollige, zotte, vrolijke, coole meester ik ben kan zijn. Vooral zonder muziek.

 

Thuisgekomen vijf keer naar dit formidabele liedje geluisterd om één en ander te vergeten.





Vijf jaar al

13 03 2011

Vijf jaar uit het leven, geen dag uit ons leven:

Jelle (1983-2006)

Eén van de gemeenschappelijke favoriete films van Jelle en mezelf was Magnolia, die we in 2000 samen zagen in cinema Kladaradatsch in Brussel.

Ook de soundtrack beviel ons enorm en deze song is een blijvende herinnering aan Jelle.

But can you save me
Come on and save me
If you could save me
From the ranks of the freaks
Who suspect they could never love anyone





Lombarrasdusjwa (2)

21 01 2011

In de hoeveelheid van taken, functies, verantwoordelijkheden en initiatieven die me eigen zijn, moest het er wel eens van komen dat ik even echt niet weet wat prioriteit verdient. Komend weekend bezorgt me, en dit al zo vroeg in dit nieuwe jaar, een dilemma zoals me dat recent nog niet vaak overkomen is.

Er is de pedagogische opleiding die ik volg, die één weekend per maand plaatsvindt van zaterdagochtend tot zondagnamiddag. Ik geniet van iedere minuut, ook al is het niet evident na een werkweek en zonder uitslapen of even ontspannen. Maar even de klaspraktijk verlaten om na te denken over wat je doet, interessante sprekers aanhoren, ideeën opdoen, nieuwe stimuli ervaren, je opvattingen toetsen aan gelijkgestemden of ervaren lieden, je pedagogische achtergrond opvullen, … het is allemaal zeer enthousiasmerend. De voorbereiding ervan gebeurt altijd tussen het werk voor school door en dat is niet altijd even evident, maar tijdens de weekends zelf sta ik scherp en ontgaat me weinig.

Maar zaterdagavond vindt er ook een filmquiz plaats. Georganiseerd door mijn occasionele quizgenoten van Keyser Söze. Met een ploegje van fijne mensen wil ik daar mijn filmkennis op de proef laten stellen, zonder naar een overwinning te willen streven want een mens moet zijn plaats kennen in de hiërarchie van de filmfreaks. Filmquizzen kunnen voor mij echter niet lang genoeg duren.

Nu is er aanvankelijk  helemaal geen probleem. Ik focus me tot 18u op de opleiding, sla zonder schuldgevoel het avondgedeelte over, spoed me naar de quiz – de loop der dingen heeft er voor gezorgd dat de beide locaties amper drie kilometer van elkaar liggen -, quiz me rot, ga slapen en sta zondag weer energiek op de cursus. Dat zich daar ergens een gebrek aan nachtrust manifesteert, negeer ik maar even. Maar het combineren van beide activiteiten zou dus best lukken. Het dilemma betreft eigenlijk vooral gewoon deze avond zelf.

Ik bereid me immers graag voor. Ik wil nog wat teksten lezen, nog wat verslagen maken, wat boeken doornemen, vragen opstellen. En anderzijds wil ik nog wat lijstjes opstellen,  naslagwerken doornemen en titels memoriseren. Het ene voor de opleiding, het andere voor de quiz. Gewoonlijk quiz ik zonder voorbereiding, maar nu mijn sterkste teamgenoten zelf de vragen stellen en ik deelneem met minder ervaren quizzers, wil ik toch wat zekerder zijn van mijn stuk. En dus is/was deze vrijdagavond een beslissend moment. Welk van mijn twee grote passies zal ik verkiezen: onderwijs of film?

Het is beide een beetje geworden. Ik merk toch vaak op dat als je echt wil, je alles kunt doen wat je wil. En anderzijds zijn geen van twee keuzes levensbepalend. Ik heb dan ook geen van beide grondig gedaan, dat beken ik. De opleiding loopt nog twee jaar en de quiz is zondag alweer voorbij. Men moet geen zorgen zoeken waar er eigenlijk geen zijn.

Dus heb ik dit blogstukje maar geschreven.





(herh.)

12 01 2011

Naar het schijnt reageren zo weinig mensen hier omdat –  en ik citeer collega Tine – ‘we toch niet op niet op hetzelfde niveau kunnen reageren als wat jij geschreven hebt’. Dat is natuurlijk koren op de molen van een zelfvoldane blogger. Ahum.

Maar goed, ik mag niet klagen. Ik blog te weinig en mis mijn eigen neiging naar het uitdiepen van dagelijkse beschouwingen, maar niettemin lokt mijn blog dagelijks pakken bezoekers. Als je zelfs op een slechte dag nog meer dan 200 lezers haalt, weet dat me best tevreden te stellen. Al serveer ik u natuurlijk liever gewoon een fatsoenlijk stukje leesvoer.

Voorlopig moet u het hier mee doen. Ik heb te veel aan mijn hoofd om met u bezig te houden. Snuister gerust nog eens door mijn archief. Of weet u wat? In tijden van crisis mag men blijkbaar toch graag heruitzenden! Dus hier 3 willekeurige artikels, die u misschien ooit ontgaan zijn.

Van die keer toen ik terug kwam van bosklassen en de 11-jarigen analyseerde.

Van die keer toen ik de 30 naderde terwijl ik me 13 voelde.

Van die keer  – en dit vind ik nog altijd één van mijn meest aangrijpende stukjes leevoer – dat ik terugdacht aan een verdwenen leerling.

En laat u eventueel maar weten wat u er van vind.





De nacht brengt raad(sels).

25 11 2010

Kent u dat, dat van die schijnbaar geniale, wonderlijke, stimulerende, wereldveroverende en alles op de helling zettende ideeën die door de nacht worden aangescherpt en geslijpt tot grootsheid, bij het ochtendgloren eigenlijk niet zo veel meer voorstellen? Alles wat u analyseerde, overdacht en vastbesloten concludeerde, blijkt ’s ochtends een raadselachtig rommeltje.

Gelukkig geldt hetzelfde voor de afgrijselijke, zwartgallige, pessimistische en tot moordzucht aanzettende gedachten die een mens al eens te beurt vallen tussen het dromen door. Nu ik opsta bent u dus weer allemaal veilig.





Vergeef me

3 11 2010

Gelukkig was er een vertoning in de voormiddag. De kans op  veel bezoekers was klein, de kans iemand tegen te komen die ik kende, nog kleiner. Ik had onopvallende kleren aangetrokken en vertrok zo laat mogelijk. Tegen mijn zin, alsof ik naar de tandarts moest.

In de zaal aangekomen, bleek ik het verloop goed ingeschat te hebben: de lichten waren reeds gedempt. Er zaten amper acht mensen. Onbekenden, gelukkig. Maar je weet maar nooit. Een tante of neef van een leerling, de zus van een collega, een Haaltenaar die het wat verder komt zoeken. Ik had een krant bij om me enigszins achter te verstoppen. Ik was beschaamd, ziet u. Ik stond op het punt een daad te verrichten die ik mezelf niet snel zou vergeven. Ik was laag gevallen.

Ik voelde me vies en goedkoop. Waarom gaf ik toe aan deze perverse gedachten? Wat dreef me hierheen? Deze plek kende ook schoonheid, maar waarom wilde ik dat ideaalbeeld vernietigen? Waarom wilde ik in deze onwaardige situatie belanden?

Dik anderhalf uur verdroeg ik mijn knagende geweten. Liet ik me uitbuiten als een laaggevallen snol. Ik onderging alles gelaten en verdrong het doembeeld dat mijn omgeving zou te weten komen wat ik aan het doen was. Ik walgde van mezelf. Toen het voorbij was, werd ik overvallen door een grote opluchting. Ik wachtte om als laatste de zaal te verlaten en ontweek de blikken van voorbijgangers.

En dat allemaal om een recensie te kunnen schrijven van Zot van A.





De helaasheid van Denderleeuw

14 10 2010

Zo nu en dan breng ik een kwartiertje wachtend door in de stationshal van Denderleeuw, een plek waar u eigenlijk liever niet wil wachten maar soit. Enigszins vermakelijk is echter altijd het stationsbuffet geweest. Bij gebrek aan krant of tijdschrift, kon het volstaan ter vermaak de gasten van dit café te observeren vanuit de wachtzaal. De gesprekken waren nooit van hoog niveau. Cafépraat zoals het begrip het voorschrijft.

De bezoekers waren, naast de occasionele gestrande reiziger, vaste stamgasten die er de werkdag kwamen doorspoelen of bij gebrek aan werkdag hun leefloon kwamen verdrinken.  Er misschien het hoogtepunt van hun dag beleefden. Een babbeltje, al was het maar over het weer.  Je zag er pinten staan, om het even op welk uur van de dag.  Je kwam er nog ouderwets naar rook ruikend buiten.

Je zou dus kunnen zeggen dat er van enige tristesse sprake was, maar toch had ik nooit écht die indruk. Misschien bij gebrek aan bijhorend miseriedecor? Het buffet was niet zoveel jaar geleden opgefrist. De oude barman was bovendien erg vriendelijk, herinner ik me van die enkele  momenten dat ik er toch iets kocht. (Een warme choco in de winter, of een chocoladewafel – want als je die wou kopen aan de automaat, riep hij dat het bij hem goedkoper was). Dus er hing wel wat sfeer, daar in de buffet. Het had wel iets, zolang je er zelf niet hoefde te zitten.

Twee maand geleden stond het plots leeg. Maar het wordt vast wel iets ander gezellig, persoonlijk, warm en sfeervol.





Rust roest

2 10 2010

Het was misschien onvermijdelijk. Dat het combineren van erg veel uit elkaar liggende activiteiten wel even tot motorpech moest leiden.

Ik werk natuurlijk met plezier full-time en dat vraagt zeker in deze periode zeer veel tijd. De to-do-lijst blijft maar groeien. Er was naast het klasgebeuren een markt voor Pakistan, een door mij opgezette blogweek op school, een kookatelier, een vergadering van het feestcomité, de wekelijkse teamvergadering en de organisatie van diverse uitstappen met de correspondentieklas. Dank aan de dienst leerlingenvervoer van de stad Gent om er niet te zijn wanneer ik ze nodig had.

Op bijscholingsvlak is er de extra opleiding die ik volg – iedere maand één weekend. Zaterdag én zondag dus. Er was een avondje Freinetbeweging na school (19u45 – 22u30), er is het bijhouden van een logboek en massa’s leesopdrachten. Ik voelde me daarbij weliswaar geenszins onder druk staan. Was wel een dagje ziek, maar dat was een banale verkoudheid.

Mijn voornaamste hobby impliceert het schrijven van recensies, met bijhorend redactiewerk en het ontmoeten van nieuwe redacteurs. Een inleiding bij een filmvoorstelling  doen en daarvoor twee uur onderweg zijn. Deelnemen aan een filmquiz (en die weliswaar winnen). Profiteren van goedkope bioscoopweekends en filmfestivals plannen (en daarbij het on line reservatiesysteem van het Gentse filmfestival vervloeken). Tussendoor problemen met de douche die lekt, een designlamp die sputtert, het thuisbankieren dat faalt, het gasfornuis dat  tegenwerkt en het doorslapen dat onvermijdelijk  niet lukt. Dan nog blogstukjes schrijven. Maar geen stress.

Een etentje met vrienden paste net in het schema, jarige moeders en oma’s bezoeken ook, zij het onvoldoende van geschenken voorzien. Een Haalterts volksfeest moest ik laten vallen en vandaag moest ik met spijt in het hart, maar een erg vermoeid hoofd een uniek verkleedfeest laten schieten. Ik ben een béétje op.

Maar met opluchting en optimisme stel  ik vast dat mijn agenda er volgende week zo uitziet:

Heerlijk. Alles komt goed.





Invasie

29 09 2010

Ze sleuren met bijzettafeltjes of IKEA-lampjes. Fietsen waar het niet mag of stappen af waar het niet moet. Staren in het rond met stratenplannen in de hand of begeleiden kenmerkende gele fietsen met een wankelende bierbak op de bagagedrager. Er klinkt nog net iets meer West-Vlaams dan gewoonlijk. En heel de wereld is plots 18.

Het academiejaar is begonnen. Ik ben vreemde in eigen stad. Laat ze maar snel opgeslorpt worden door de omgeving, die reusachtige massa studenten. Brrr, ik ban hen uit mijn zicht, deze belichamingen van de harde confrontatie van het ouder worden.





Vrolijke Vrijdag (2)

10 09 2010

’s Middags door de collega die je een bezoek brengt, opgewacht worden met croque-monsieurs. Van je broer horen dat hij afgestudeerd is met onderscheiding. Vernemen dat je  uitermate gedreven quizploeg ingeschreven is voor een vijf uur durende filmquiz aanstaande zondag. In de leraarskamer uit het oeuvre van Walter Capiau putten ter eigen vermaak  (ter info: het betreft de begintune van Hoger Lager en de volkshit Happy Buirday). Een 7-jarige uitleggen hoe hij moet bloggen en het hem zien begrijpen. Ontdekken wat een ongelooflijke schrijver Colum McCann eigenlijk is. Chocoladecake. The Last Picture Show. Inspiratie vinden in de IKEA-catalogus.

Op de radio hoorde ik deze middag eeuwige positivo Leo Bormans verklaren dat vele momenten van tevredenheid nog geen geluk opleveren. In afwachting kan ik het wel stellen met die momenten. Een dag als een andere en toch ook weer niet.

Lees hier de vorige Vrolijke Vrijdag





Last Minutes

21 07 2010

Morgen, of wanneer u dit leest, vertrek ik op vakantie. Voor de derde keer trek ik naar de Verenigde Staten en dit keer neem ik er ook een stukje Canada bij. Over wat ik op die reis allemaal ga zien en doen, heb ik wel wanneer dat allemaal gezien en gedaan is. Ik tracht tussendoor wat te bloggen, maar mijn ervaring leert me dat het leesbaardere stukjes oplevert als ik pas na de reis één en ander meedeel. De querty’s ginds helpen ook al niet natuurlijk. Toch kan het zijn dat ik de verleiding niet kan weerstaan en u hier alvast deelgenoot maak van mijn observaties.

En anders bied ik u enkele van die voorgeprogrammeerde, lichtvoetige stukjes aan die ik nog liggen had. U ziet wel. Ik ook.

De voorafgaande stress was stukken kleiner dan de vorige keren. Ervaring zeker? Ik heb ook beduidend minder geld uitgegeven vooraf, zo stilaan heeft een mens wel alles in zijn bezit dat hij nodig heeft om comfortabel te reizen. Benieuwd wat ik ga vergeten zijn, of erger nog, wat ik ga verliezen.

Wanneer ik terug ben, is er misschien een regering. Is Eef bevallen. Is de zolder bij mijn moeder heringericht. Bent u allemaal naar Inception gaan kijken. Zijn de Gentse Feesten voorbij. Is mijn vakantie over zijn helft. En mogelijk ook over zijn hoogtepunt. En wie weet wat nog allemaal.

En hopelijk is er een film op het vliegtuig!

Met dit allegaartje aan gedachten neem ik afscheid!





Cyclus

10 07 2010

Na anderhalve week vakantie lijkt het voorbije schooljaar ver weg. De laatste dagen van juni zetten als vanouds aan tot reflecteren, maar ik heb bewust wat tijd genomen om daarover te schrijven. Hier toch, want er bestaan ook na het laatste feestje in benevelde toestand snel neergekribbelde gedachten, die ik bij nader inzien maar voor mezelf houd. Over alweer eens afscheid van een groepje fijne persoonlijkheden, die leerlingen die de lagere school vaarwel zeggen. Over de (bij ons op school) intussen haast vanzelfsprekende warmte tussen collega’s die zich samen door de laatste loodjes slaan, een rapport in de ene en een glas Freixenet in de andere hand – soms lijken die laatste dagen één langgerekt feestje. Waarop ouders en kinderen met cadeaus komen aanzetten, briefjes en kaartjes hun werk doen, je met de één na de andere sympathieke mens een praatje slaat en met wat spijt beseft dat je die vermoedelijk niet snel nog eens terug zal zien.

Bizar is dat, ergens. Welke andere job verloopt zodanig in cycli? Welk ander beroep biedt telkens weer dat moment van closure en die nieuwe lei twee maand later? Enerzijds is dat heerlijk, die tien maand aan één stuk doorgaan, afsluiten en herbeginnen. Ik hoed me wel voor routine en ben geneigd de loop der dingen eens te doorbreken, maar het zorgt ook voor stabiliteit. Anderzijds, zoals ik hier al eerder schreef gaat dat meestal met emoties gepaard. Zo’n schooljaar is een intense belevenis, dat je vooral samen moet doormaken. Met je collega’s – wat was dit jaar weer voldoeninggevend – , met je leerlingen en hun ouders. Ik weiger ongevoelig te worden voor telkens weer die vaarwels. Niet dat ik snotterend aan de schoolpoort de zesdeklassers sta uit te wuiven. Maar ik focus me toch altijd een moment op wie die leerlingen waren die je laat gaan (en die bij ons steeds twee jaar bij dezelfde leerkracht zaten).  Ik blijf hardnekkig foto’s nemen. Die ik ook dapper laat afdrukken en in overzichtelijke albums plak. Wie doet dag nog?

Ook aan sommige ouders, waarvan enkelen zelfs vier jaar lang kinderen in mijn klas hadden, was ik minstens … gewend geraakt. In die mate dat je er gerust nog een glas wil mee gaan drinken of op een feestje naast hen wil belanden. Maar dat is eerder onwaarschijnlijk. Je hebt nochtans geïnvesteerd in een relatie met die mensen. Leerkracht zijn vraagt sociale vaardigheden, wat me niet zo moeilijk valt zolang ik eerlijk mag zijn. Er zijn discussies en wrevels geweest, maar er is ook veel gelachen. En dat moet je dan ook opgeven om vervolgens aan de slag te kunnen met die volgende ouders. Een aangenaam aspect van de job met een wat wrange afloop.

Idem voor die collega’s. Elk jaar is er wel iemand die komt en iemand die gaat. Soms één jaar, soms na vele. Soapseries hé, met wisselende personages. Maar soms ben je zo’n fan dat je hoopt dat de scenaristen een manier vinden om al die personages gewoon in het verhaal te houden. Gedrevenheid is een aantrekkelijk sociaal aspect, stel ik  vast.

Emotioneler hoeft het hier eigenlijk niet te worden, maar ik voeg er graag nog een niet zo bekend liedje aan toe dat weliswaar wat sentimenteel is, maar de sfeer bij ons wat bepaald heeft de laatste dagen. Ik wens er mijn afscheidnemende zesdeklassers een mooie toekomst mee toe en laat het maar gepaard gaan met een gemeende ‘tot weerziens’, ook voor hun ouders.

(P.S. Ja, ben teruggekeerd naar de oude lay-out… voelt weer als thuis)





Vier!

25 05 2010

Het was eigenlijk met een lichte tegenzin dat ik deze week precies vier jaar geleden voor de eerste keer een voet zette in mijn huidige school. Met de vakantie in het vooruitzicht, stond een min of meer opgelegde interim me eigenlijk niet aan, want als leerkracht in een klas binnenstappen in deze periode van het schooljaar, voelt eerder als veredeld babysitten aan. Wat voor verschil kan je nog maken? En dan had de één of andere taart me nog aangepraat dat ik ‘dat eens moest proberen, zo’n Freinetschool!’

En de rest is geschiedenis! Dat ik nu al vier jaar bijna iedere dag met plezier ga werken, is niet alleen een bevestiging dat ik ooit het juiste beroep heb gekozen, maar ook dat ik gewoon een formidabele job heb, een fantastische school en de allerbeste collega’s, zoals hier al eerder mocht blijken.

Markant is vooral hoe groot de kans geweest is dat ik dit alles, dat ik nu als zeer belangrijk beschouw in mijn leven en loopbaan, had mislopen kunnen hebben. Had ik op die meidag in 2006, een woelig jaar verwerkend met allerlei grote en kleine drama’s, beslist maar geen interims meer aan te nemen om alvast van de zon te gaan genieten, omdat ik het wel gehad had, die stadsscholen met hun vage beleid en middelmatige lesgevers, dan had het plaatje er heel anders uitgezien. Maar goed, ik zei dus ja, want de vriendelijke dame van de plaatsingsdienst van de stad Gent leek echt in nood te zitten, en wie weet kon ik achteraf met kennis van zaken kritiek geven op Freinetscholen in plaats van vanuit vooroordelen.

Als ik toen nee had gezegd, was mijn leven anders verlopen maar daarom niet slechter natuurlijk. Toch herinner me ik wel hoe ik me kort daarvoor, na enkele interims waarbij je nooit echt op de hoogte  bent van de gang van zaken, nog afgevraagd had of er wel nog van die sfeervolle scholen bestonden met een minimum aan collegialiteit. Ik ga er dus niet meteen van uit dat ik me nog met veel enthousiasme zou zien lesgeven in een ander scenario. Was dat aanvaarden van die job dan een veelbepalend moment?

Eigenlijk was het meer. Na de interim, die ik als positief ervaren had maar waarin ik ook kon uitmaken dat het Freinetsysteem niets voor mij was, legde ik het voorstel van de directeur naast me neer om volgend schooljaar opnieuw op de school aan de slag te gaan. De collega’s waren hartelijke mensen, maar konden me niet overtuigen er een vervolg aan te breien. Een groep ouders, aangenaam verrast door mijn onmiddellijke betrokkenheid, sprak me ook nog eens aan. Gevleid tot en met zei ik toch nog altijd nee. En dan was er de allerlaatste schooldag, waarop de directeur nog een keer de vraag stelde en ik dan toch, lichtjes aarzelend, ja zei. En zelfs drie jobs kreeg om uit te kiezen.

Verhalen en films die draaien om lotsbestemming en toeval, vind ik doorgaans erg fascinerend. Ik zou me kunnen trachten in te beelden waar ik nu zou zijn als ik na die ja en dan die nee en dan toch die ja, iets anders had gezegd. Maar voor tientallen mogelijke scenario’s vorm kunnen krijgen in mijn hoofd, kan ik me gewoon realiseren hoeveel geluk deze plot al biedt. Realistisch gezien heb ik voor het beste scenario gekozen. Kan niet iedereen zeggen.





De meedogenloze tijd

21 05 2010

1986

2010





Profiel van een 11-jarige

9 04 2010

Als je een week met zestig 10- tot 12-jarigen doorbrengt in een niet nader te noemen bos, ben je als ervaringsdeskundige in deze leeftijdscategorie weer helemaal up-to-date. Twee jaar geleden zette zo’n natuurweek me aan tot mijmeringen over takken en kampen. Deze keer kom ik tot andere conclusies – iedere groep is anders.

Gsm’s waren verboden en daar kon ieder zich ondanks heel wat gezeur zonder moeite aan houden. Om nog maar even te vergelijken met vorig jaar: toen had vrijwel geen enkele van mijn leerlingen een gsm, deze keer heeft meer dan de helft er één (thuis gelaten). Ze lijken hem niet te missen, maar voor die enkele kinderen die meer dan 50 sms’jes per dag versturen, is het wel afkicken. En je leerkracht geef je niét je nummer. Niet omdat hij dat nummer niet mag weten, wel omdat je je dan verplicht wordt hem ook in je telefoonboek te plaatsen. En dat is dan vooral een probleem ‘als je volgend jaar op de middelbare school met een nieuwe vriend of vriendin je lijst overloopt en die vraagt dan; ‘wie is Sven?’, en dan moet je antwoorden: ‘mijn oude meester!’. Schamelijk.’ Op mijn vraag of dat dan de gewoonte is, met iemand je lijst overlopen om te tonen wiens nummer je allemaal hebt, was het antwoord bevestigend. Ik ben op meerdere vlakken een oude meester aan het worden dus.

Waar je wél nog steeds vanop aan kan is dat de doorsnee 11-jarige nog altijd van snoep houdt. In kilo’s, in dozen, in gigantische zakken. Er kan niet genoeg mee zijn. Chips om half tien in de ochtend of wat zure matten meteen na een zware maaltijd (mét dessert), het moet allemaal kunnen. Hyper worden ze er van natuurlijk. High on sugar, rondstuiterend als een op hol geslagen rubberen balletje.

Horrorverhalen? Jaaaaaaaaaaaa!! Maar niet griezelig en zonder bloed en niet te veel doden en geen ingewanden en liefst niet op een kerkhof. Vooral niet eng dus. Horror voor kinderen. Begin er maar eens aan. Geen klachten echter, ze blijven een zeer gewillig en dankbaar publiek, ook al gaat de plot nergens heen en sluit je abrupt af omdat het bedtijd is.

Apenstreken en wandaden? Amper, al mag u dat verbazen. Toegegeven, de laatste dag waagde het iemand het brandalarm in werking te doen treden, maar dat was meer een impulsieve dommigheid dan een geplande actie. Op de naïeve oproep van mijn collega of de dader zich vrijwillig wou komen melden, kwam nog reactie ook. Allemaal doetjes. En er werd ook nog wat snoep gestolen. Maar verder, braaaaaaaaaaaaf.

Fuiven? Een bosklas sluit je obligaat af met een fuif, zou je denken. Maar dit was de laatste keer, zo concludeerden we. Het interesseert hen uiteindelijk nauwelijks. Na een uurtje zijn de drama’s op, de slows geslowd en alle cd’s al drie keer gedraaid. Waarom zouden we kinderen nog zo’n afgezaagde formule opdringen? De alternatieven, zoals gezelschapsspelen, kenden meer succes. Bovendien zie je dat zich nu al fuifstereotiepen ontwikkelen: muurbloempjes, flirters, observators, dramaqueens, zonderlingen, meelopers, showstealers en genieters. Grappig, maar ook wat triestig. Er staan hen nog tientallen en tientallen van die droeve get-togethers te wachten waarop ze zich vooral moeten gedragen als alle anderen en het vaak een kwestie is van de kat uit de boom kijken – want slechts een elite heeft het in zich, dat feestbeest. Waarom zouden we hen nu al confronteren met de frustrerende sociale conventies die amateurfuiven kenmerken? Al kreeg A. wel een brief van haar zus met de raad zich goed te amuseren want ‘de fuif is de mooiste tijd uit van uw lagere school!‘ Ik moet daar dan ook niet cynisch over doen. De uitgelatenheid is ook erg tof om te zien en als je die pre-pubers zich volledig ziet gooien op de dansvloer, ongegeneerd, moet je dat moment ook koesteren: dit zijn érg gelukkige kinderen.

Over post gesproken, dat blijft ook een voltreffer voor iedere 11-jarige. Het onnozelste kaartje met nauwelijks een woord op doet al plezier, dat spreekt vanzelf. Mama’s en papa’s maken echter ook vaak halve knutselwerkjes, sturen dat drie dagen vooraf op zodat het kind bij aankomst al een brief in de handen gedrukt krijgt en hebben het adres verspreid onder familieleden. Hele roedels honden en katten blijken plots ook te kunnen schrijven, elk excuus is goed om iets in een envelop te proppen. Wie uitverteld is, vult ook nog snel een halve bladzijde met de samenvatting van Thuis die week. Minder creatieve ouders sturen dan weer gewoon een fax en zekere vaders vragen hun 10-jarige of hij ‘al veel grieten heeft binnengedraaid?’. De kinderpuzzel zou bij sommigen snel gelegd zijn. Moslimouders schrijven over het algemeen niét, maar sms’en of bellen naar de leerkracht.

Zijn ze stoer en vroegvolwassen, onze leerlingetjes? Welnee. Ze huilen, treiteren, plagen, lachen, troosten, giechelen en prutsen zoals 10-jarigen dat altijd al gedaan hebben. Ze willen een knuffel, hangen aan je armen tijdens het wandelen en komen op je schoot zitten. Ze missen hun mama, ze hebben zeer aan hun vinger, ze plassen al eens in bed en doen twee verschillende sokken aan. Ze vinden hun tandenborstel niet, gaan met vuile handen aan tafel en strooien meer hagelslag rond hun bord dan op hun boterham. Ze doen onnozel, vinden onnozel doende volwassen nog erg leuk, vertellen moppen over Jantje en over gekken. Alles klopt. Nog altijd.

De conclusies komen steeds weer op hetzelfde neer: de meeste kinderen zijn eindeloos interessanter dan de meeste volwassenen. En hen in al hun aandoenlijke onwetendheid en doorprikbare schijnvolwassenheid bezig zien, maakt van mijn beroep nog maar eens een groot genoegen.





De grootsheid van Vanessa

22 02 2010

Alweer een filmgerelateerd artikel, ja hoor. Maar tegelijk ook een beschouwing van iets dat me getroffen heeft en dat me inspireerde tot een soort lofzang aan het adres van de Britse actrice Vanessa Redgrave. U hoéft het niet te lezen hoor.

Gisteren vond de uitreiking van de Bafta’s plaats, de Britse filmprijzen. Heel wat minder duf dan de Oscaruitreiking, wat informeler en swingender, maar ook met net iets minder grote sterren in het publiek. Ik geef toe dat ik de uitzending ervan in de eerste plaats bekijk om een glimp op te vangen van de mens achter de acteur of actrice, al ben ik me er van bewust dat het één en al imago is. Maar wie zit naast wie, wie lacht om welke grap en zelfs wie draagt wat? Het is al even fascinerend als wat ze op het witte doek doen.

Acteurs zichzelf zien wezen, het doet vaak afbreuk aan de magie van de cinema. Ze verspreken zich of lezen vaak dodelijk verveeld de meest banale introducties voor, zonder een greintje show of enthousiasme. Zijn dat dan acteurs? Anderzijds zie je ook wat je wil zien: charisma, klasse, humor, gevatheid. Dat zijn dan filmsterren.

Over de hele avond werd één vooroordeel flink bevestigd. Dat de Britten er op alle vlakken in slagen de show te stelen. Ze komen eleganter, alerter en met veel meer klasse uit de hoek dan hun Amerikaanse tegenhangers. Colin Firth, Kate Winslet, Rupert Everett, Carey Mulligan, Kristin Scott Thomas, niet meteen allemaal klinkende namen, maar wel acteurs waar de flair van af spat. Het ultieme bewijs daarvan was Vanessa Redgrave, die die avond het erelidmaatschap van de British Academy of Film and Television Arts zou ontvangen.

Ik heb deze 73-jarige actrice altijd al graag aan het werk gezien, al heb ik heel wat van haar bekendste films nog niet gezien. Op haar cv staan ondermeer Blowup, Isadora, Mary Queen of Scots, Murder on the Oriënt Express, Agatha, Prick Up Your Ears, Howards End, Mission Impossible, Wilde, Cradle Will Rock, The Pledge, The Gathering Storm, Venus en Atonement. Ze werd zes keer genomineerd voor een Oscar (en won er één), won een Gouden Palm, werd 13 keer genomineerd voor een Golden Globe, … kortom een grote actrice, over wie nooit genoeg lof zal gezwaaid kunnen worden en die vanwege haar inzet op politiek vlak, als strijdster voor mensenrechten, al evenzeer bewierrookt wordt.

Ik wil het echter vooral even hebben over wat ik haar tijdens die uitreiking zag doen, als zichzelf: groots wezen in nederigheid en bescheidenheid. En al zou het allemaal maar theater geweest zijn, ik was onder de indruk.

Redgrave zou de prijs in ontvangst nemen uit handen van de Amerikaanse actrice Uma Thurman en Prins William. Vrij geëmotioneerd stapte ze het podium op na het aanschouwen van een (wat flauw en onvolledig) overzicht van haar carrière. Ze viel Thurman, met wie ze in de film A Month by the Lake gespeeld had en die ze sindsdien als een soort vriendin lijkt te beschouwen, om de hals en knielde toen elegant en plechtig voor de prins, die jammer genoeg meer van zijn vader dan van zijn moeder leek te hebben op dat moment. Na nog een knuffel of wat wendde ze zich dan tot het publiek en de kijker met haar dankwoord.

Dat was bijzonder lang maar verveelde geenszins. Redgrave beschreef hoe ze als klein meisje in datzelfde theater waar ze nu geëerd werd, kwam kijken naar voorstellingen, vanop de hoogste (goedkoopste) plaatsen en zo de showbusinessbacterie te pakken kreeg, al waren haar ouders natuurlijk ook acteurs. Klassiek verhaal natuurlijk, maar anderzijds toch: hoe dromen uitkomen. Redgrave verwees ook naar een periode in haar leven waarbij ze een broer verloor in de oorlog. Op zich een tragisch feit, maar ook ironisch: terwijl zij als oudere vrouw terugkijkt  op een verleden waarin mensen familieleden verloren aan de oorlog, won diezelfde avond The Hurt Locker tal van prijzen. Een actuele film over de oorlog in Irak. Dan ben je een zeventiger en is er niets veranderd.

Redgrave sprak ook de prins aan. Ze had zijn moeder ooit ontmoet en sprak haar bewondering voor zijn vader uit. Zet een Brit naast iemand van het koningshuis en ze lijken hun ego op te geven. Al was zij 73 en hij 27, het ontzag kwam van haar kant (of was wellicht wederzijds al betwijfel ik of Prins William veel films gezien heeft met Vanessa Redgrave). Mooi vond ik dat.

Redgrave maakt deel uit van een grote acteersfamilie. Getrouwd met een regisseur, dochter  van acteurs, kinderen die zelf acteren. Dochter Joely Richardson (uit o.a. 101 Dalmatians, The Patriot en de reeks Nip/Tuck), haar jongere evenbeeld, zat te snotteren in de zaal. Aan de andere kant had Natasha Richardson moeten zitten, ook actrice en getrouwd met Liam Neeson. En een jaar geleden verongelukt bij het skiën. Een tragedie die geen dramatisering behoeft en een ultieme illustratie is dat al die sterren ook maar mensen zijn. Het voorval bleef onuitgesproken, maar een uur eerder amper was in een in memoriam nog de dochter aan bod geweest. Het medeleven van het publiek was voelbaar en maakte Redgrave alleen maar grootser.

Ik geef toe, ik smulde van die dramatiek hoor. En ik wil niet blind idolaat zijn. Maar dit was gewoon een treffend moment, een zeldzaam puur aandoend gebeuren in een wereld van show, schijn en oppervlakkigheid. U mag me een gebrek aan scepsis verwijten in deze, ik was getroffen.

Hieronder een flard van de ceremonie.





Anti-Sven (3): De Steigerende Studiemeester

6 02 2010

We zijn al aan de derde aflevering toe van deze reeks, waarin ik terugblik op conflicten uit mijn verleden, ontstaan door mijn drammerige geschrijf. Vandaag staat een studiemeester centraal aan wie in geenszins positieve herinneringen heb.

Toen ik als 13-jarige mijn eerste stappen zette op de middelbare school, werd ik net als velen voor mij en nog heel wat na mij, tijdens de  middagpauze geconfronteerd met de onzinnige discipline van een op hol geslagen studiemeester. Ik heb het hier al eerder over hem gehad. Die feiten zijn van weinig belang. Laat ons zeggen dat de niet meteen mensvriendelijke omgang met de leerlingen, de man niet bepaald geliefd maakte. Maar soit, een jaar later mocht je aan de overkant eten en mocht de heer R. opgaan in een zwavelwolk van herinneringen.

Zo’n 8 jaar later was ik net als de meeste zomers op post als hoofmonitor van de speelpleinwerking in ons dorp. De dochter van meneer R. diende zich daar op een dag aan als monitrice. Ze sloot zich aan bij onze leuke groep en toen enkele dagen ‘ontdekt’ werd wie haar vader was, deed dat er eigenlijk niet zoveel toe. Er werd wat gegrapt en bovendien wist dat meisje zelf wel dat haar vader niet zo populair was. Maar nu waren we allemaal toch al verstandiger en volwassener en de feiten werden zondermeer aanvaard.

De zomer van plezier en samenhorigheid werd afgesloten met een barbecue. Ieder legde 300 frank uit en we kochten een massa eten en drank om er een fijne avond van te maken. Iemand stelde zijn tuin open, een ander ging winkelen en ik ontfermde me over de financiën. Dat verliep niet vlot. Voor de doorsnee monitor was 300 frank al een hele hap uit het budget en we werden nog lang niet uitbetaald. Dus had ik nog hier en daar wat tegoed. Na een week kwam dat zo ongeveer wel in orde. U beseft waar dit verhaal naartoe gaat: uitgerekend de dochter van meneer R. had me nog niet betaald en de laatste werkdag was afgelopen. We woonden niet dicht bij elkaar, er was nog geen mail of gsm en ik moest via gemeenschappelijke vrienden aandringen om alsnog betaald te worden.

Twee maanden later vond er een soort reünie plaats. Ik confronteerde het meisje met haar schuld en sprak mijn ongenoegen uit over de gang van zaken. Ik kreeg enkel een boze blik en daar bleef het bij. Ik achtte mezelf toen bij momenten al heel assertief, op het brallerige af. Mijn 23-jarige ego gevoed door wat ik als sociale successen beschouwde. Ik had intussen zo goed als mijn diploma op zak en was tijdens mijn opleiding erg zelfzeker geworden. Ik vond dus dat ik de zaak op een goede manier afhandelde en was zo verbolgen door het gedrag van ‘dat kind’, dat ik besloot haar ouders een brief te schrijven.

Ik formuleerde beleefd maar wellicht ongenuanceerd wat er gebeurd was – jammer dat ik deze brief niet meer terugvind. Ik vroeg hun begrip dat ik hen nu moest lastigvallen maar na vele pogingen enzovoort. Het was het begin van een turbulente stroom gebeurtenissen die ik niet allemaal even aangenaam vond en die nu eigenlijk het vertellen niet meer waard zijn. Ik kreeg een razende en verontwaardigde brief terug, werd een leugenaar genoemd, er werd familie van me bij betrokken, ik schreef nog eens terug, de man ging zijn professionele boekje te buiten door de zaak op school uit te smeren, hij bracht ook de jeugddienst op de hoogte omdat mijn gedrag een hoofdmonitor onwaardig was, enz. Een heel gedoe dus, ik lag er even wakker van, voelde me wat wankelen op mijn stoute schoenen, maar alles ging voorbij en na enkele maanden kreeg ik via via toch nog de betreffende 300 frank, met het verzoek niet aan die ouders te vertellen dat ik eigenlijk al die tijd wel recht van spreken gehad had. Case closed.

Zou je denken. Een jaar of twee later besloot ik weer te gaan studeren en daarvoor had ik een kopie nodig van mijn middelbareschooldiploma. Op een verloren dinsdag of zo trok ik dus naar mijn oude school, betrad de akelige gangen waar ik gelukkig maar zelden op het matje was geroepen en wendde me tot de eerste de beste die ik aantrof.

Zijn vriendelijke aanwijzing liet mijn bloed ijskoud door mijn aders jagen. Wat ik heel vaag al gevreesd had, bleek dan toch te gaan gebeuren: alsof de school maar één personeelslid had, bleek meneer R. net degene te zijn bij wie ik me diende aan te melden. Ik zou de confrontatie moeten aangaan met iemand die ik op papier en van op afstand flink had tegengesproken. Het was tijd om te tonen dat ik niet alleen uit woorden bestond.  Met loden schoenen en koud zweet in mijn handen, stapte ik de trap op. Voor de deur zamelde ik al mijn moed in, slikte een bolletje van angst door dat in mijn keel stak , haalde mijn meest zelfzekere blik boven en klopte aan.

Alsof hij zijn hele leven op dit moment gewacht had, keek meneer R. me aan toen ik in zijn deurgat verscheen, met zijn typische nijdige blik die  van mij meteen weer een 13-jarige jongetje maakte. Mijn naam was hem al bekend nog voor ik me voorgesteld had. Hij wist het gewoon. Instantly. We doorliepen razendsnel het beleefde protocol waarbij ik stamelde wat ik kwam doen, naar dat moment racend waarbij hij mijn naam zou vragen terwijl we allebei al wisten dat ik het was. Die van die brief. Die van dat geld. Die van dat gedoe met zijn dochter. ‘Ik dacht het direct’ brulde hij nog voor de laatste lettergreep van mijn naam van over mijn lippen gerold was. Het over twee jaar opgespaarde  ongenoegen kwam er in één teug uit. Met of zonder secretaresse in de kamer.  ‘Dat was nogal wat, zeg! Wat gij daar allemaal hebt geschreven! Ge moet nogal durven!’ Intussen  deed hij zijn werk. In archiefkasten zoekend en stempels zettend en zo, fulmineerde hij maar door. Ik kreeg nog eens alles te horen wat hij me al geschreven had en onderging dit schijnbaar stoïcijns. Dat leek me de beste houding, net geen spottende grijns op mijn gezicht. Ik begon me alleen maar sterker te voelen. Wat kon hij me maken? Ik zou sowieso met mijn documenten naar buiten gaan. Ik vond het vooral triest. Twee jaar lang niets beter te doen hebben gehad dan woede opsparen. In bijzijn van collega’s zich zo laten gaan. En vooral volkomen onwetend van de ware afloop van de gebeurtenissen.

Ik bleef uitermate koel. Ik heb maar een ding gezegd en heb gezorgd dat het er zo kalm en nonchalant mogelijk uitkwam: ”Ik denk eigenlijk niet dat u toen goed wist waar u mee bezig was. De waarheid hebt u nooit geweten”. Of iets dergelijks dat lang niet zo dramatisch zal geklonken hebben als het hier te lezen staat, maar dat me wel een triomfantelijk gevoel gaf. Met een echte grijns op mijn gezicht stapte ik het kantoortje uit, hem vriendelijk bedankend en beseffend dat ik zijn frustratie alleen maar groter maakte door de discussie geenszins aan te gaan. Ik vind het nu nog altijd wonderbaarlijk wijs gedrag van mij. Of misschien was ik gewoon een broekschijter.

Om het even, ik vond deze gebeurtenis uiteindelijk memorabel. Het was een stap naar de (toen nog lang niet bereikte) realisatie dat conflicten en discussies op te lossen zijn op een andere manier dan met arrogante brieven – en zeker niet met gebrul en gefoeter. Het deed me ook beseffen dat je altijd met de juiste woorden moet bewapend zijn, voorzien op onverwachte confrontaties met je eigen gedrag en geschrijf. Misschien suggereert u als lezer eerder dat ik beter gewoon mijn mond zou houden? Een reflectie op mijn drang naar meningsuiting en de daarbijhorende conflicten, volgt zeker later nog.

Lees ook:

deel 1: De Fiere Filiaalhouder
deel 2: De Potsierlijke Politici
en binnenkort deel 4: de Zure Zuster





Friends Forever!

31 01 2010

Nu ik een vorig artikel voor mezelf en eventueel voor u één en ander duidelijk maakte in verband met mijn Facebookgebruik, wou ik me nu even bezighouden met het kritisch bekijken van wie dan wél mijn virtuele vrienden zijn. Defriending was de trend van 2009 maar ik heb het nog maar zelden iemand weten doen.

Ik ben zelf één keer gedefriend, voor zover ik dat gemerkt heb, en hoewel ik niet zo close was met die defriender, zag ik daar echt geen enkele aanleiding voor en was ik dus toch wat beledigd. Vooral omdat ik toch wel erg weloverwogen verzoeken stuur. Maar goed, ik pleit zelf  altijd voor minder hypocrisie, dus ik kan er mee leven.

Nu schiet ik zelf in actie. Ik meldde het al, 147 Facebookvrienden begin ik wat benauwend te vinden.  Dat blijft maar groeien, zelfs al zet er zo nu en dan iemand zijn account stop. Ik stel ook vast dat ik mijn weloverdachte criteria eigenlijk niet altijd correct gehanteerd heb. Anders gezegd: ik heb wel wat volk toegevoegd waarmee ik niet zo erg betrokken voel en dus… ga ik vandaag defrienden.

Een aantal mensen op mijn vriendenlijst zou ik in het dagelijks leven immers nauwelijks herkennen. Of ik zou me haast verstoppen om een gênant moment van niet-weten-wat-zeggen te vermijden. Er zijn mensen die ik gewoonweg veel te oppervlakkig ken of met wie ik de laatste jaren eigenlijk geen contact meer heb. Met wie ik sowieso al weinig contact had. Die moeten er maar eens uit. Wat voor zin heeft het?

De ballast was kleiner dan ik dacht. 9 Mensen gedefriend. Dat ging snel en makkelijk. Ik denk dat ik onbewust al lang wist wie er niet meer bij hoefde. En hoewel dit allemaal weinig voorstelt, voel ik me weer een correcter mens.

En nu ga ik stoppen met deze extreme egoberichtgeving over echt wel zeer futiele zaken.





Verzoek genegeerd

29 01 2010

Met 147 vrienden zit ik eerlijk gezegd zo wel een beetje aan mijn Facebookgrens, vermoed ik. Dat komt in de eerste plaats omdat ik maar een bescheiden belangstelling vertoon in andere mensen. Ik heb het gewoon niet zo voor de mens in het algemeen en stel vaak genoeg vast dat ik mensen toch wel pas echt apprecieer na lange tijd en volgens zeer specifieke maar van mens tot mens verschillende criteria. Een psycholoog zou daar vanalles achterzoeken en ik heb daar ook zo mijn eigen conclusies over, die ik u en mezelf liever bespaar. We houden het er bij dat ik de meeste mensen niet zo heel interessant vind. Hoe arrogant dat ook mag klinken.

Dat is al een voorname reden waarom ik het op Facebook bescheiden hou. Daarnaast stuur ik gewoon geen vriendschapsverzoeken  naar mensen die ik niet zo bijzonder goed ken of met wie ik in het dagelijks leven niet zo bar veel contact heb. Ik neem het niemand kwalijk dat wel te doen, al stel ik me wel eens vragen bij mensen met 512 vrienden. U kunt al die mensen beslist kennen, maar wil u ze zonodig in uw  on-line woonkamer? Wil u met elk van hen in contact staan? Los van professionele argumenten – hoewel, heeft Facebook echt een professionele meerwaarde? – kan ik mezelf moeilijk motiveren contact te houden met meer dan deze 145 mensen. En zelfs die hoeveelheid vind ik al wat benauwend.

Ik heb zelf nog nooit meegemaakt dat mijn vriendschapsverzoek niet aanvaard werd. Dat komt omdat ik er weinig stuur maar vooral omdat alle mensen die nog overblijven als potentiële vriend me gewoonweg niet bekend genoeg zijn. Dat leidt me tot mijn eigen, enige criterium om verzoekjes te sturen: ik wil enkel mensen als vriend met wie ik in het dagelijks leven graag minstens een babbeltje maak. Ik klamp dus niemand aan en vermijd absoluut dat halve bekenden een vriendschapsverzoek ontvangen waarop ze zouden reageren met ‘Oei, die wil vriendschap met mij. Alé oke dan. Of nog erger: dat je zelf enkel dient om het vriendenaantal van een ander de hoogte in te helpen… Ik stel me dus enigszins gereserveerd op en vind dat best zo.

Daarnaast ken ik dan weer veel te veel mensen die gewoonweg een volkomen gebrek aan interesse vertonen in deze virtuele ontmoetingsplek. Mensen die ik wel interessant vind en graag als virtuele vriend zou zien, voelen zich geenszins aangesproken door het feestboek. Ik neem ze dat niet kwalijk en wil in dit stukje ook geenszins ingaan op de waarde van Facebook. Gelieve u dus in eventuele reacties die moeite te besparen. Ik geniet ervan maar neem aan dat anderen het maar niets vinden. Punt. Maar die mensen vallen dus af als Facebookvrienden.

En dan zijn er tenslotte nog redelijk wat mensen die mij een vriendschapsverzoek sturen maar die ik dan weer weiger. Ik voeg daar meteen aan toe dat enkele daarvan wellicht wél een babbeltje waard zouden zijn, maar dat ik die gewoonweg niet genoeg ken. Voor het beantwoorden van vriendschapsverzoeken hanteer ik dus blijkbaar een tweede criterium, en dat is dus de afstand tot die persoon. Ik zei het al, Facebook is zo’n beetje mijn woonkamer en daar laat ik toch liever enkel bekend volk binnen. Deze blog is als voortuin/inkomhal al persoonlijk genoeg en is wél publiek terrein.

Wie zijn die mensen eigenlijk wiens vriendschapsverzoeken ik niet beantwoord?

  • broers en zussen van vrienden. Tja, daar moeten we eerlijk in zijn. Ofwel was ik u in de loop der jaren ook als een vriend of goede kennis gaan beschouwen, ofwel niet. Broer of zus zijn van is gewoonweg  niet genoeg.
  • mensen van vroeger: toegegeven, had Facebook destijds bestaan, we waren wél Facebookvrienden. Maar dat was niet het geval en intussen is ons moment voorbij.
  • oud-klasgenoten: tot in de leerkrachtenopleiding wil ik nog teruggaan, met mate. Maar de mensen uit het middelbaar onderwijs zijn echt maar schimmen meer, wat niets afdoet aan de fijne herinneringen. Maar wie zijn die mensen nu? Geen idee en ik zie niet genoeg aanleiding om dat wel nog te willen weten. Als Facebook niet zou bestaan, zou dat contact ook onbestaande zijn, maar dat vind ik nu eigenlijk maar een zwak argument. Facebook bestaat wél en dus moet je daar niet onnozel over doen.
  • familieleden, en dan concreter heel wat achterneven en -nichten. Ik ga al sinds mijn tienerjaren niet meer naar die groots opgezette familiebijeenkomsten en de meeste van hen laten me eigenlijk steenkoud. Ik heb ze al jaren en jaren niet meer ontmoet en zou niet weten waar het met hen over te hebben. Een familienaam delen of grootouders hebben die in hetzelfde gezin opgroeiden – die waren thuis met véél – , vind ik een even lukrake voorwaarde als pakweg graag naar Top Gear kijken of geen zout op je frieten willen.
  • leerlingen: daar trek ik gewoon een lijn. Ik heb bedenkingen bij virtuele vriendschappen tussen kinderen en hun meester of juf. Daar kan ik makkelijk dieper op ingaan, maar u bent intelligent genoeg om daar zelf argumenten voor te bedenken. Gezond verstand, toch? Ik geef wel toe dat dat voor lesgevers in het middelbaar onderwijs misschien anders ligt.
  • andere bloggers: ik vind dit de meest aannemelijke verzoeken, want het houdt net in dat deze mensen je heel bewust hebben uitgekozen omdat ze jou of je blog blijkbaar interessant vinden. Ik vind het dus helemaal niet vreemd maar ik hou voet bij stuk: ik kies geen Facebookvrienden die ik nog nooit in werkelijkheid ontmoet heb.
  • oud-collega’s. Veel van hen apprecieer ik wel, maar ik voel geen behoefte om een verleden in stand te houden dat enkele op een professionele samenwerking gebaseerd was en waar weinig persoonlijke aspecten mee verbonden waren. De oud-collega’s met wie ik vriendschap heb gesloten, waren dan ook echt vrienden.
  • oud-leerlingen: die weiger ik niet uit principe, want er staan er wel degelijk enkele in mijn lijst. Maar als het echt te lang geleden is, laat ik dat toch liever rusten. Weten die intussen groot geworden kinderen veel  wie ik ben. Al te zot zijn de verzoeken van jongeren die niet eens in mijn klas zelf zaten. Waar moet het ophouden?
  • Helemaal gek vond ik het vriendschapsverzoek van een man die enkel mensen met De Schutter als familienaam als Facebookvriend wilde. Nee dank u. Ook niet onder het mom van eens onbezonnen meegaan in de zotheid van een ander.
  • mensen waar ik gewoonweg niets mee heb. Mensen die ik dus weliswaar ken, meestal vaag, met wie ik wel wat gemeenschappelijke vrienden heb en die duidelijk zelf zelf minder strenge criteria hanteren in het selecteren van Facebookvrienden.
  • en tenslotte mensen die ik simpelweg nauwelijks ken. Ooit eens ontmoet maar verder eigenlijk geen idee wie ze eigenlijk zijn.

Als ik dat dus echt zou willen, zit ik zo aan 200 vrienden. Wat nog relatief is en nog steeds niet betekent. Omdat het allemaal niets betekent. Maar binnen de al dan niet zinloze nonsens die Facebook eigenlijk is wil ik nog altijd principes hanteren. Maar dat ik dat blijkbaar wil verantwoorden wil toch ook weer wat zeggen?

Volgende keer: defrienden of niet? (Ja! Maar wie?)








%d bloggers liken dit: