2013: de conclusie

2 01 2014

Ik wil nog eens iets kwijt en dat is een tijd geleden. Dat ik minder blog heeft alvast niets te maken met Twitter of zo. Daar vind ik niets aan, dat moest maar eens gezegd. Ik heb nog steeds veel bedenkingen en opmerkingen maar soms vind ik ze niet de tijd meer waard om die te gaan beschrijven. Ik communiceer namelijk graag in meer dan 140 tekens.

Belevenissen van echt bijzondere aard zijn er ook al niet te melden, of het moet zijn dat ik het met u wil hebben over die voetstap van mij in de pas gegoten epoxyvloer van de buren of de hernieuwde passie van mijn leerlingen voor lego.

Nu we 2013 achter ons laten vind ik dat ik even moet terugkijken. Ik hecht minder en minder aan deze feestdagen maar van een jaareinde gebruik maken om eens terug te blikken, is zinvol, vind ik. Al is het alleen maar omdat ik dat graag eens terug lees en ik daar vorig jaar wel iets aan gehad heb, die reflectie. Het stuk dat ik vorig jaar schreef bevat voor mij veel principes die nog steeds gelden.

In 2013 was de bijzonderste gebeurtenis de geboorte van mijn neefje Charlie Joe, wiens bestaan voortdurend wonderbaarlijke indrukken oplevert. Ik ben fan. Ik geniet er ook van te zien hoe hij de rest van de familie inpalmt met zijn sprekende blik en fanatiek gewiebel in het zitje.

Bijzonder was ook dat ik een driejarige opleiding afsloot en nu dus een extra attest in handen heb dat me weer een stukje deskundiger maakt als ik het over Frreinetonderwijs heb. Het was een intensieve periode met een groep gepassioneerde en hardwerkende mensen.

Ik bezocht voor het eerst Berlijn en dat was een heel deugddoende en genietbare ervaring. Niet alleen omwille van deze sfeervolle stad zelf, ook omdat dit door omstandigheden een reisje vol luxe en voordelen was. Ik genoot er ook van het fietsen trouwens.

Film was nog meer dan anders aanwezig in mijn bestaan. Ik verbrak mijn record uit 2006 en zag 261 films. Dat klinkt haast ongezond – meer hoeven het er echt niet te worden op één jaar – maar ik verdiep ook wat dat betreft mijn kennis, in dit geval voornamelijk over oude films. Daarnaast kan ik me nu eenmaal een grote portie escapisme permitteren en komt er nog lang geen sleet op mijn drang om in fictie weg te duiken.

En dan was er DOK natuurlijk, misschien wel de gebeurtenis die dit jaar voor mij kenmerkt. Omdat we na twee heel fijne jaren tot een nog meer gesmeerd lopend geheel kwamen, omdat ik er genoot van een ander soort hard werken dan in mijn echte job, omdat die bonte bende vrijwilligers op een aparte manier een soort familie werden. Het voorlopige punt dat we er achter gezet hebben, was ook een reden om terug te kijken op wat die drie jaar met mij gedaan hebben en ik moest warempel vaststellen dat ik echt wel wat geleerd heb. Los daarvan was er nu en dan ook wel eens een ergernis.

Deze hoogtepunten staan ogenschijnlijk veraf van meer filmische climaxen. Ik heb geen vioolconcert gegeven, leerde niet skateboarden, maakte geen reis naar Fijit of adopteerde geen Afrikaans weesje noch een parkiet die Russische wijsjes fluit. Maar ik hoef niemand te overtroeven natuurlijk. Ik kijk wat dat betreft als mens met bescheiden verwachtingen, tevreden terug op het vorige jaar.

Ik blijf mijn werk zeer graag doen, ook al blijft lesgeven een job die best uitputtend kan zijn, vooral psychisch en emotioneel dan. Er is wat weinig plaats of wat te veel kinderen, er is geen budget en te veel administratie, maar die leerprocessen begeleiden is wel immens boeiend. Kinderen zijn in veel gevallen echt interessant en zorgen voor veel lol. Een bosklas is en blijft een prachtervaring. En zelfs na al die jaren in juni die zesdeklassers op de wereld los laten in de hoop dat het hen goed gaat, blijft wat doen met een mens.

Mijn gezondheid is al evenzeer stabiel gebleven, ook dat is van belang. Ik nam afscheid van een tand en dat is zo’n triviaal feit dat het eigenlijk het vermelden niet waard is. Ik was vrijwel niet ziek en weeg nog steeds evenveel als een jaar geleden. Maar qua beweging heb ik minder inspanningen geleverd dan de jaren ervoor.

Ook de meeste mensen rondom mij stelden het goed. Mijn familie is nog steeds in optima forma, mijn drie nog in leven zijnde grootouders zijn intussen echt wel oud maar kerngezond, ieder stelt het wel op nu en dan een akkefietje of een zorg na, die echter in het niets vallen bij de drama’s die andere Aardbewoners meemaken.

De groep mensen om me heen bij wie ik me goed voel, is intact gebleven al blijft het soms zoeken naar een evenwicht. Niet iedereen kan dezelfde portie Sven aan maar met de mensen die het wel kunnen, is de band verstevigd, heb ik de indruk. Ik blijf wel eens sukkelen met de tekortkomingen van anderen maar anderzijds ben ik minder scherp en blijft het allemaal minder lang hangen. Als ik dit jaar als eens piekerde of kniesoorde, had het meestal te maken met mijn positie tegenover de mensen die ik graag heb. Ik hoop dat de juiste mensen weten dat ze belangrijk voor me zijn, de Vliegeraars, de Filmfreaks, de Dokwerkers, de Haaltenaren, de Onderwijsgekken. Ze zijn met velen en krijgen niet allemaal even aandacht maar ze tellen allemaal nog mee voor mij. Ook als hun gezinsuitbreidingen niet meer opgenomen worden in mijn Gepamper-rubriek. Ik kon niet meer volgen, eerlijk gezegd.

Eén van de droevigste gebeurtenissen van 2013 was het dodelijke bergongeval van Kevin, een goedhartige 26-jarige van wie ik een dikke tien jaar geleden leiding was in de jeugdbeweging. Het blijft nu nog, zes maand later, onbevattelijk dat iemand zo plots en veel te vroeg uit het leven van zijn dierbaren verdwijnt. Ik had hoogstens nog eens een vluchtig contact met Kevin in het laatste decennium, maar zijn dood heeft me aangegrepen.

Eveneens bijzonder treffend was de dood van mijn buurman, nadat die enkele dagen vermist was. Geen emotionele maar wel een indrukwekkende gebeurtenis die me vooral liet nadenken over de mate waarin we er in onze maatschappij voor anderen zijn. Wanneer mogen we ons ergens mee bemoeien?

Ik stel vast dat het goddank daar bij gebleven is en ook haast niemand uit mijn omgeving verdere dramatische dingen overkomen zijn. Ik koester mijn geluk. Dat ik alweer een nieuwe laptop nodig had en mijn fiets gestolen werd in 2013, is van geen enkel wezenlijk belang.

Verder ga ik dus best gerust door het leven al blijft het een minder goed idee om de krant te lezen en het nieuws te volgen. Ik hou er zelden een goed gevoel aan over. Dichter bij huis ben ik verontrust over het fenomeen GAS-boete. Ik heb er zelf nog geen gekregen en verneem de ridicule vormen die deze sancties aannemen, ook maar gewoon in de media. Maar dat volstaat al om me soms ongemakkelijk te voelen als ik me buiten de deur begeef. Controle en regels, ik kan me daar ergens wel in vinden – ik berisp mijn buurman ook als ik hem zie sluikstorten – maar de deur naar willekeur staat wagenwijd open. Alle macht aan ambtenaren, die wars van een context mensen gaan straffen. Los van duidelijkheid ook, want ik heb geen idee wat er in mijn stad mag en in een andere niet. Brr.

Het zal mijn 2014 hopelijk in niet te grote mate bepalen, mag ik hopen. Ik wens iedereen wat ik mezelf wens, en dat is hetzelfde als vorig jaar: dat het leven niet te zwaar mag vallen en we overweg kunnen met wat ons pad kruist. Ik ben alvas van plan in het komend jaar mezelf eens te verrassen. Maar dat is voor later.

Advertenties




Me-time! NU!

28 09 2012

Het kan plots omslaan: gisteren beleefden we op school een topdag. We organiseerden met bijna driehonderd leerlingen een kookdag, waar ook het met zijn allen verorberen van al die heerlijke hapjes bij hoorde. Het was een bijna nazomerse dag, alles verliep smooth, ik ontdekte de geneugten van het wokken, en danste zelfs op de tafel ter vermaak van de ukken.  Na school kwamen we met ons team en Freinetgoeroe Marcel tot prachtige, inspirerende inzichten. Ik deed er nog een half Engels/half Nederlands oudercontact bovenop met een heel dankbare ouder, trof in mijn brievenbus het leuke geschenk aan dat ik voor mijn jarige grootmoeder bestelde, stak met veel genoegen de rest van mijn filmfestivalprogramma in elkaar en sloot de avond af met een ontroerende film.

Vandaag viel de stress als een betonblok op mijn kop, hoewel ik dat eigenlijk doorgaans nooit erken. In de klas verliep alles vrij behoorlijk. Tot we naar het zwembad vertrokken. Met vierentwintig prepubers daar te voet heen gaan, vraagt opjaag-talent en een luide stem. Die ene leerling die dan schijnbaar opzettelijk wat trager gaat wandelen, begint aan je weerstand te knagen. Maar we waren ruim op tijd.

Aan de kassa lijkt men in dit nieuwe zwembad nog altijd niet perfect te weten hoe en wat. Lag de inschrijvingslijst voor scholen vorige keer aan de ene balie, ligt hij nu aan de andere. Men wil alle leerlingen een apart polsbandje geven, wat ik onzinnig, ondoordacht en vooral onpraktisch vind. Ik weiger, met de argumentatie dat mijn leerlingen echt niet allemaal goed voor zo’n bandje kunnen zorgen en ze echt geen kostbaarheden bij zich hebben die kunnen gestolen worden.  Bovendien zwem ik zelf mee en kan ik die bandjes dus ook niet zelf bijhouden (overigens ook geen optie want ze zijn niet van elkaar te onderscheiden).

In het zwembad verlies ik vervolgens een contactlens, stoot mijn voet tegen het veel te hoge verzonken gedeelte in het midden van het zwembad en erger me aan het feit dat het zwembad onze school twee ver uit elkaar liggende banen toewijst waardoor collega Geert heel wat heen- en weergewandel te doen staat. Ik tel tot tien, adem rustig uit en besluit dit allemaal maar te negeren, ergens wel beseffend dat we hier nog vele jaren schoolzwemmen moeten doormaken.

Het kleedhokje is toch wel erg nauw, het bankje véél te smal en dan betaal ik de rekening voor mijn eigenwijsheid: één van mijn leerlingen kan niet aan haar kleren want iemand deed haar hokje op slot. Wat in principe niet kan want elk bandje past slechts op één hokje, maar soit. Ik ga op zoek naar een personeelslid, maar vind er geen. Ik betreed zelfs de kleedkamers van het personeel, want alle deuren staan gewoon open, maar nergens iemand te zien. Ik rep me naar de balie, moet daar geduldig het gesprek afwachten tussen de baliemedewerker en een veel te onwetende klant, om vervolgens te horen dat ik iemand van het personeel moet aanspreken.

Terug naar de kleedkamers, binnensmonds vloekend. Ik bekommer me niet meer om de natte zone en betreed mét schoenen de gang achter de kleedkamers – wat ik mijn leerlingen net elke week weer met nadruk verbied  – en wordt daar vervolgens op de vingers getikt door een personeelslid van het zwembad. Deze juffrouw handelt correct en beleefd, en bleef dat ook doen tijdens de verderzetting van ons gesprek, maar ik bereik op dat moment mijn kookpunt. Ik grom haar toe dat ik al een kwartier op hulp wacht, dat er niemand te vinden is, dat niemand ons wil helpen, dat het polsbandjessysteem onhandig is voor kinderen, dat ze maar niet willen begrijpen dat ze het ons leerkrachten alleen maar moeilijker maken met al hun geregel en dat ik maar al te goed weet dat ik daar niet met mijn schoenen mag lopen. Ik bedank haar voor haar hulp, maar dat zal niet gebaat hebben: ik heb deze juffrouw grof behandeld. Het monster in mij was nochtans al maanden rustig.

Mijn leerlingen worden het slachtoffer. Ik jaag ze nog meer op dan voorheen, alweer vloekend dat een half uur zwemmen per twee weken ons wel honderd en tien minuten kost en dat ze dan nog eens veel te weinig moeite doen om door te stappen. Ze wreken zich in de namiddag door geen minuut te zwijgen. Ik ben intussen toch behoorlijk gekalmeerd  – mijn collega’s hebben mijn gesakker geduldig aanhoord – maar voel me eigenlijk uitgeput. Fysiek en mentaal. Het zijn hele fijne kinderen, maar ze zijn met veel. En ik krijg ze niet stil.

Half vier. Mijn gezicht voelt dof en grauw aan. Ik heb een namiddag lang slechts half zicht gehad. Ik wil alleen nog gaan liggen. Niet dat ik ergens genoeg van heb, maar wel voor heel even. Ik wil  – en dat mag je eind september eigenlijk niet luidop zeggen – … vakantie.

En dus moet ik nu maar eens mezelf op de eerste plaats stellen. Ik ben nu wel heel zeker dat ik morgen niét naar mijn opleidingsweekend ga. Ik voel me schuldig, alsof ik ga spijbelen. Ik vind het jammer voor de  mensen die zo veel werk steken in de voorbereiding van de opleiding, de collega’s die ik misschien de indruk zal geven dat ik niet meer geïnteresseerd ben, de ervaren gasten wiens visie en advies ik nu zal missen.

Ik drijf het nog verder. Ik ga de allerlaatste DOKdag van dit  jaar laten schieten. De rommelmarktcoördinatie die me de voorbije acht zondagen nauw aan het hart is komen liggen, zal voor iemand anders zijn. Het slotfeestje met de vele formidabele vrijwilligers, het zegt me even niets. Dat had ik enkele weken geleden nooit kunnen denken.

Ik heb een bijzondere en deugddoende job, maar ze lijkt me soms ook leeg te zuigen. Nu is het dus me-time. Ik wil frietjes en een zetel en een dvd. Dit stukje schrijven om tot rust te komen. Uitslapen en lezen en nog meer dvd’s. En zondag heel de dag met mijn immers van het leven genietende familie de tachtigste verjaardag van onze mater familias vieren in een kasteel met lekker eten en geklets.

Maandag ben ik weer opgeladen, ik ben er zeker van. Maar nu wil ik een pauze van twee dagen.





Moet er nog brol zijn?

8 06 2012

Enkele maanden voor het einde van elk schooljaar krijg je als leerkracht een budget ter beschikking voor het bestellen van nieuw materiaal voor het volgende schooljaar. Bij de stad Gent wordt met een aantal raamcontracten gewerkt, waardoor je verplicht bent bepaalde zaken aan te kopen bij de firma die de stad kiest.

Gent koos voor Lyreco, een bedrijf met bijna 100 jaar ervaring en een catalogus om duimen en vingers bij af te likken. Als een kind dat zijn Sinterklaasgeschenken mag uitzoeken, blader ik door het glanzende overzicht, dromend van een perfect uitgerust klas. Ik wik en weeg, kies en keur, om uiteindelijk mijn gamma te selecteren.

Nog voor we de laatste schoolmaand aanvangen, worden de meeste van deze spullen al geleverd. Eens de doos geopend, vallen mijn perspectieven in duigen. Men heeft me voor de zoveelste keer opgezadeld met brol.

Dit is bijvoorbeeld de lijm die ons bezorgd wordt. Ieder jaar een ander merk, vreemd genoeg. Dit keer betreft het zelfs een merkloos product. Lijkt wat onbetrouwbaar en dat is het ook. Wat je onder de dop aantreft, is geen lijm, maar een kruising van stopverf, verharde yoghurt en gestolde smeerkaas. Amper zacht en vooral: niet lijmend. Je scheurt er al snel je blad mee en je broek aan, want daar zit je dan met 20 lijmsticks die je niet kunt gebruiken en die een deel van je budget hebben gekost.

Weliswaar een klein deel. De lijm is spotgoedkoop en dat is er dus aan te merken. Nu kan ik aannemen dat er een goede deal is gesloten tussen de stad Gent en de firma Lyreco, maar kwaliteitsvereisten werden daarbij blijkbaar niet gesteld.

Een ander voorbeeld: push-pins. Om op je prikbord te prikken. Wat zou daar kunnen mee misgaan? Een plastic dopje en een metalen naald. Je zou haast gaan denken dat alle push-pins ter wereld gewoon dezelfde zijn. Je pakt ze uit het doosje en merk aanvankelijk niets op. Maar mijn grote vingers voelen al snel enig verschil: ze zijn net iets korter. Het zij zo, plastic gespaard, geld gespaard, milieu gespaard. Maar dan kom je tot de kern van de zaak: het is alweer brol. De naaldjes zijn eigenlijk nét te kort, buigen snel om of vallen er uit waardoor zelfs een blaadje papier op een prikbord vasthechten, een onzekere onderneming wordt.

Dan is er de niettang die voortdurend hapert en na een jaar kapot is. De gommen die eigenlijk niet echt gommen, maar je potloodstrepen omzetten in vlekken. De papierklemmen die te klein zijn en niet buigen maar breken. Ik ben zeker dat nadere bevraging van collega’s nog meer voorbeelden oplevert, maar daar heb ik nu  niet meteen tijd voor. Ieder minderwaardige product is een te veel zijn voor een onderneming met het prestige van Lyreco.

Nu zijn er ergere dingen dan brol in je klas. Maar eerlijk gezegd zou ik liever niets van dit alles in de klas hebben dan nu te moeten aanzien hoe de zaken bijna rechtstreeks uit de verpakking de vuilnisbak ingaan. Wat een verspilling.

De crisis heeft in het onderwijs in Gent zeker getroffen. Dat zit hem vaak in drastische veranderingen of sluimerende ongemakken. Maar met de aanschaf van zulke waardeloze artikelen, wordt zelfs de dagelijkse werking van je klas heel subtiel ondermijnd. Gebrekkig of kapot materiaal zorgt voor ongemakken, wrevels en gesakker. En het gevolg is dat je als leerkracht, nog maar eens een keer, je eigen portemonnee of die van de ouders aanspreekt om dan maar zelf degelijk materiaal aan te schaffen.

Lyreco levert wat gevraagd wordt natuurlijk, al vraag ik me af wat de betreffende brol in hun catalogus doet. Maar de stad Gent, en in dit geval de verantwoordelijken voor contracten en leveranciers, wie dat ook mogen zijn, doet zichzelf uiteindelijk tekort door zo nadrukkelijk op de centen te letten. Duurzaam en degelijk materiaal gaat immers langer mee, waardoor we op termijn minder zullen nodig hebben.

En op die momenten denk je aan de bedrijfswereld en andere welstellende werkmilieus, waar gebouwen, meubilair en materialen nieuw, kwalitatief en onuitputbaar zijn. Ik heb een mooie job, maar soms vraagt het net te veel inspanning om dat te kunnen vaststellen.





Over peperkoek en poëzie

26 01 2012

Iemand besloot dat het afgelopen donderdag gedichtendag was. Ik had daar geen nood aan, gezien mijn beperkte vermogen om poëzie te begrijpen of ervan te genieten. Als leerkracht kun je daar echter niet zomaar omheen. Je kunt niet altijd alleen doen wat je zelf interesseert of wat het makkelijkst is. Dus besloot ik in de klas aan het dichten te slaan, met de kinderen.

Dat deed ik nu ook weer niet tegen mijn zin. Drie jaar geleden deed ik ook een gedichtenproject, en dat had prachtige resultaten opgeleverd. Ik heb dan misschien niet veel voeling met poëzie, taal is wel mijn ding en het lukt me vaak aardig om kinderen verder te brengen dan ze zelf zouden verwacht hebben. Het is in de eerste plaats dan ook een kunst om kinderen er zin in te doen krijgen. Dat doe je niet door blaadjes papier uit te delen met de opdracht ‘nu gaan we eens een gedicht schrijven’. Ik had me dus serieus voorbereid, met dank aan mijn Nederlandse inspiratiebron en motivator Jeroen Tans, bood eerst heel wat prachtige kinderpoëzie aan en in de namiddag zat de hele klas met een niet te temperen enthousiasme te schrijven en te experimenteren. Die paar kinderen die aanvankelijk protesteerden, raakten al snel eveneens verkocht. Om kwart over vier- toen de school dus al drie kwartier uit was – zaten nog zes kinderen verder te werken, weigerend naar huis te gaan. Zo’n dagen zou je als leerkracht meer moeten beleven.

Resultaten zijn er nog niet, maar het gaat ook dit keer de goede kant op. Het deed me echter stilstaan bij mijn eigen houding tegenover poëzie. Ik word er niet echt warm van, maar het laat me nu ook niet echt koud. Ik lees geen gedichtenbundels, maar kom soms poëtische zaken tegen die me wel treffen.

Nochtans heeft poëzie op minstens één belangrijk moment in mijn leven een grote rol gespeeld.

Toen ik in 1995 besloot leerkracht te worden (dat had ik eigenlijk al tien jaar eerder beslist), bezocht ik enkele opendeurdagen van leerkrachtenopleidingen. Eerst naar het dichtstbijzijnde Gijzegem (nu KaHo Sint-Lieven in Aalst), waar ik me terug in de tijd waande. Een halve pastoor en een non of twee ontvingen ons zonder merkbaar genoegen in hun gewelven en beschreven vervolgens hoe ze van enthousiaste jongeren op drie jaar tijd grijze muizen en klassieke leerkrachten zouden maken. Ik was – nog niet eens 18 – toen lang niet zo kritisch of anti-autoritair ingesteld en hoewel ik geen klik voelde met de school, zag ik me er de komende jaren al knutselwerkjes en stelopdrachten verzinnen in de grote grijsheid van dit nadrukkelijk christelijke universum. Gelukkig had mijn moeder een nonnentrauma en stelde ze resoluut dat ik hier echt niet naar school wilde, toch?

Ah neen dus. Dus trokken we naar Brussel, waar ik enkel de Nieuwstraat en de Kinepolis kende, maar waar dus ook een lerarenopleiding was, de KHB (Katholieke Hogeschool Brussel, voorheen Sint-Thomas, nadien Ehsal en nog van alles, nu HUB). De school lag niet ver van het Zuidstation en de Marollen, de bruisende maar kleinschalige Campus Nieuwland, in een wat grauwe buurt. De sfeer voelde meteen anders. Je mocht er de leerkrachten met de voornaam aanspreken en je werd als student veel volwassener behandeld dan in het bevoogdende en rechtlijnige Sint-Lieven. Een uit de hand gelopen kruising van een geitewollensokkenkampvuur en een bonte avond van de scouts, zou mijn moeder het dan weer vier jaar later cynisch beschrijven.

Een enthousiaste tweedejaars leidde ons rond. De cursussen en werkstukken die er ter aanschouwing uitgestald lagen, maakten indruk. Dit leek nu ook weer niet zo gemakkelijk. Je moest studeren. En creatief zijn en zo. Dat was toch wat anders dan leiding geven in de KSA. Dat de organisatoren van de opendeurdag enkel de allerbeste werkjes etaleerden, kwam niet in me op. Ik kreeg al koudwatervrees. Naar Brussel en zo. En klasgenoten die van verder kwamen dan Erembodegem of Sint-Lievenshoutem…

Als het meisje dat ons rondleidde, representatief stond voor de studenten van die lerarenopleiding, moest ik misschien zelfs twijfelen of ik me er ooit thuis zou voelen. Ze was wat artistiekerig, zelfverzekerd, matuur, sprak met een Brabantse r, … Het feit dat ik me haar nu, 17 jaar later bijna, nog herinner, is veelzeggend. Ook de andere studenten die aanwezig waren, straalden een zelfvertrouwen en wereldse attitude uit die ik toch vond contrasteren met mijn provinciale schaamte.

Mijn moeder was al veel enthousiaster en overtuigde me zonder veel woorden dat dit misschien wel was wat ik nodig had. Wat verbreding van mijn wereld, vrienden vinden die geen combat shoes droegen of zeven curryworsten eten als een avondje cultuur zagen. Ik besefte dat ik die grote stap wel moest zetten.

Het is nog altijd de beste beslissing uit mijn leven geweest. De vier daaropvolgende jaren zijn in mijn geheugen samengekoekt tot één grote herinnering vol vreugdemomenten en vriendschappen maar vooral aan het feit dat je je eigen grenzen verlegde en echt gevormd werd – jezelf mocht vormen zelfs. Als leerkracht-in-wording maar eigenlijk ook als mens, want daar zat de grote kracht van de school wel. De werkstress, de zenuwen tijdens stages en de buizen, vergeet ik nu even (want die vier jaar waar ik het over had mochten er eigenlijk maar drie zijn, maar het dubbelen van het eerste jaar heeft alles eigenlijk alleen maar mooier gemaakt).

Ik kan nog véél meer vertellen over die vier memorabele jaren, maar dat is voer voor later. Ik keer even terug naar die opendeurdag en die poëzie. Onze gids maakte ons attent op een gedicht dat in één van de lokalen hing te schitteren. Het was een kindergedicht, geschreven door één van de studenten, voor de kinderpoëziewedstrijd die de school om de paar jaar organiseerde, de Peperkoeken Pen. Ik durfde het amper lezen, uit schrik nog meer  geconfronteerd te worden met vaardigheden die ver buiten mijn kunnen lagen. De winnaar van de Peperkoeken Pen moest wel een uitstekend student zijn, een primus zoals je die alleen in romans tegenkomt die zich in de studentenwereld afspelen.

Half september begon de opleiding. In het lokaal waar we die eerste dag samenkwamen, viel opnieuw dat winnende gedicht op. Meteen een herinnering aan de hoge eisen die de opleiding leek te willen stellen. Niet alleen negeerde ik het gedicht omdat poëzie me weinig zei, vooral omdat ik moedeloos zou worden van het schrikbeeld dat ik slechts die middelmatige onderwijzer zou worden die hoop en al een leuk rijmpje kon bedenken dat anderhalve kleuter deed glimlachen.

De jaren gingen voorbij, zoals gezegd vol intense belevingen en inspirerende leermomenten. De Peperkoeken Pen kwam niet meer ter sprake. De bezieler ervan, docent Nederlands Marc Stevens, lag me ook niet. Zijn lessen waren formidabel en zelfs nu nog denk ik terug aan bepaalde verhelderende opvattingen die hij ons aanbracht. Maar ik kon het op persoonlijk vlak veel minder met hem vinden. Ik had de indruk dat hij mij misschien helemaal geen geschikte student vond, ik verdacht hem dan weer van scoringsdrang bij de studenten. De drie daaropvolgende jaren had ik echter geen les meer van hem, waardoor me vooral bijbleef dat hij zo’n stimulerende lessen gaf en vol ideeën zat om taal voor kinderen aantrekkelijk en levensecht te maken.

En toen was de Peperkoeken Pen er weer, in mijn afstudeerjaar. Ik voelde me niet aangesproken. Medestudenten zoals Vincent, voor wie het leven één groot gedicht was, of Celine, de ultieme zelfpromotor die Marc vast zo geweldig vond, zouden zich vast met veel enthousiasme op de wedstrijd gooien. Dat was een nuchtere veronderstelling hoor, zonder verbittering. Zoals ik mensen zie deelnemen aan wielerwedstrijden of hotdog-eet-marathons: veel succes gewenst, maar ik bemoei me er niet mee.

Wat dan uiteindelijk de aanleiding gegeven heeft, weet ik niet meer, maar ik besloot uiteindelijk om ook mijn kans te wagen voor de wedstrijd. Misschien omdat ik taalonderwijs zo leuk was beginnen vinden, of omdat ik altijd al graag verhaaltjes en rijmpjes had bedacht? Omdat ik mezelf wou uitdagen? De wedstrijd streefde wel een zeker niveau na (zoals je hier kunt lezen: geen rijmelarij, maar het trachten te vatten van de zieleroerselen van kinderen), en ik moet op dat moment toch gedacht hebben een kans te maken.

Ik produceerde thuis aan mijn bureautje twee gedichten. Het ene ging over voornamen en hoe het als kind moet zijn als je een voornaam hebt die anderen in het belachelijke trekken. Het andere was luchtiger en ging over het winnen van de lotto, denk ik (tijd om ze nog eens na te lezen, als ik ze kan terugvinden). In een voor mij atypische bui, besloot ik niemand te vertellen dat ik deelnam aan de wedstrijd. Vincent deed mee natuurlijk, en nog enkele andere vrienden voor wie het volkomen vanzelfsprekend was.

Je mocht je gedicht anoniem inzenden. Zo kon je zeker zijn dat de jury, bestaande uit docenten, volkomen neutraal oordeelde. In een gesloten omslag verklapte je dan je pseudoniem. Ik moet toch ergens wat wantrouwen in het systeem gehad hebben (misschien toch nog altijd wat bang van Marc?) en zond mijn twee gedichten in onder telkens een ander pseudoniem en in een ander lettertype. Zo zouden eventuele dwarsliggers op mijn prille dichterscarrièr, minder kans hebben om mij uit te sluiten op basis van mijn persoonlijkheid  – ik was ook wat brallerig bij momenten en stond zo irritant graag in de belangstelling. Het was een kleine school waar iedereen elkaar kende.

Na de examens volgde een schoolfuif. Op een bepaald moment zouden daar alle geselecteerde gedichten verspreid worden op een folder, en wat later zou dan de winnaar bekend worden gemaakt. Tot mijn grote verrassing en vreugde trof ik mijn beide gedichten aan onder de genomineerden. Ik kreeg verraste reacties – want waarom had ik niets verteld? Vincent was ook genomineerd en het trof me dat hij ook verrast was. Niet vanwege mijn nominatie, wel om mijn initiatief. Het was zo’n moment waarop je in de reacties van anderen een spiegelbeeld ziet van de persoon die je aan het worden bent. Ik was die Sven geworden die schijnbaar zonder aarzelen een kindergedicht schreef.

Die kleine dingen hebben van die deelname aan de Peperkoeken Pen een onvergetelijke ervaring gemaakt. Ik herinner me vooral dat ik – het klinkt ongeloofwaardig – heel bescheiden reageerde op mijn selectie. Ik, die verder zo vaak te koop liep met wat ik goed kon en dacht goed te kunnen. Ik denk dat dit zo’n situatie was waarbij de overwinning op jezelf de hoogst haalbare eer was. Zoiets bestaat dus echt. Ik was niet eens trots, vond het gewoon fijn dat mijn gedichten tussen een vijftiental andere prachtige gedichten stond van allemaal zeer getalenteerde medestudenten.

Later die avond lazen docenten de gedichten voor. Onder de deelnemers was enige animo wat die voorlezers betrof. Wie jouw gedicht voorlas, was wel degelijk van belang. Een charismaloze docent – zo had onze school er gelukkig niet veel – kon jouw imago als dichter-in-spe meteen verknoeien. Onze pedagoge Frieda, een heel tof mens, bleek mijn gedicht voor te dragen en dat was alleszins een meevaller.

Dat ik die avond uiteindelijk ook effectief met de Peperkoeken Pen aan de haal ging, was nog eens de kers op een overheerlijke taart. Ik zag mezelf terug, zoveel jaar eerder, op die opendeurdag, dat gedicht negerend. Die verhouding tussen die vroegere en die huidige Sven is vrijwel niet te beschrijven. Hoe onbelangrijk verder ook in het geheel der dingen, ik denk niet dat ik later in mijn leven nog iets bereikt heb dat ik voorheen in die mate onmogelijk achtte. Tegenwoordig speel ik op safe en breng ik enkel dingen tot een goed einde waarvan ik zeker ben dat ze succesvol zullen zijn. Maar die Peperkoeken Pen pakken ze me niet meer af, al bestaat ze nog enkel uit een oorkonde. En vind je hier zelfs geen verslag van de wedstrijd uit 1998.

Marc Stevens was er dat jaar niet bij, vandaar wellicht. Eén van zijn ouders was overleden, als ik me dat goed herinner. Enkele dagen later was er nog een afscheidsbarbecue voor alle derdejaars. Marc feliciteerde me toen, en zijn blik leek te willen suggereren dat ik even terecht als onterecht de winnaar was, zo meen ik me dat te herinneren. Omdat hij mijn gedicht misschien wel goed vond, maar hij misschien liever een ander student als verpersoonlijking had gezien van de individuele vooruitgang die de opleiding nastreefde. Dat is geheel en al mijn interpretatie natuurlijk. Hij gaf me ook zeer kort feedback. Dat slechts twee zinnen uit mijn gedicht samen veel krachtiger waren dan het volledige gedicht. Kritiek die even vernietigend als opbouwend was. Het ‘less is more’ principe zou ik pas vele jaren later begrijpen.

Ik had op dat moment Marc eigenlijk graag verteld wat die prijs voor mij betekende, maar dat was er toen dus niet het moment voor en de daaropvolgende drink & fuif kon hij begrijpelijkerwijs niet bijwonen. Nu zijn we bijna 13 jaar later en op een doordeweekse donderdag overvalt deze ervaring me opnieuw. En als mijn leerlingen volgende week tweeëntwintig mooie gedichten afleveren, is dat dus ook een beetje dankzij Marc Stevens, wiens initiatief mij overtuigd heeft van mijn eigen kunnen.





Generatie Gruwel

13 10 2011

Mijn leerlingen blijken meer dan verzot te zijn op de Happy Tree Friends, waarvan er een hele serie korte filmpjes te vinden zijn. De hoofdpersonages komen in elk filmpje op de meest bloederige en gruwelijke wijze aan hun einde.

Ik vind dat allemaal bijzonder ziek, shockerend, grof en walgelijk!

 

 

En vooral heel erg grappig.

 

 





Pim Pam Pet

7 10 2011

In de klas:

‘Een lichaamsdeel met een … F!’

Tiebe: ‘Fukjoevinger!’

Geldig antwoord, toch?





Dat ene vakje

30 08 2011

Ziet u daar rechts in het midden dat ene lege vakje? Dat enige vakje dat getuigt van een gedrevenheid, bereidheid, opruimlust dat de andere vakjeseigenaars duidelijk ontberen? Dat veelbelovende vakje waar de ambitie van af spat en dat een vlekkeloos en geslaagd schooljaar lijkt te garanderen?

Dat is mijn vakje natuurlijk.

En er dan maar voor de eerlijkheid aan toevoegen dat er verder niet één dag in het schooljaar is dat de achterkant van mijn vakje zichtbaar is…





En we zijn vertrokken

29 08 2011

Teamvergadering van 9 tot 12

  • 8u40 Demcy kruipt onder tafel.
  • 8u46 Sven besluit 5 minuten lang niemand zijn wil op te leggen.
  • 9u01 Sarah verstopt haar té lichtvoetige vakantielectuur voor haar collega’s
  • 9u05 De koffiekoeken arriveren.
  • 9u10 Demcy luistert naar haar kookwekker (vraag niet waarom).
  • 9u15 Veronique heeft het over het liedje ‘It’s raining in the sing’.
  • 9u20 Het woord wet-t-shirt contest valt en iedereen kijkt naar Anneleen.
  • 9u31 Kat wijst ons op de bestaande hiërarchie.
  • 9u50 Iedereen is tevreden.
  • 10u05. De zin ‘het is niet voor mij…’ van Caroline wordt unaniem aangevuld met ‘maar voor mijn eenzaamheid’. We kennen onze tv-klassiekers.
  • 10u24 Geert leest het weekrooster voor voor lichamelijke opvoeding en breekt daarmee zijn persoonlijk record wat zijn inbreng op de vergaderingen betreft.
  • 11u01 Jan vindt dat Sven een vraag van te hoog niveau stelt.
  • 11u15 ‘als ge scrolt, werkt het nie’ is de eerste conclusie van Jochen.
  • 11u16 Natalie concludeert: ‘als je ’t laatste vindt, …. heb je ’t laatste gevonden.’
  • 11u45 Onze opgeleide, verbaal sterke en beschaafd sprekende zorgcoördinator Valerie verwoordt het geciviliseerd: ‘Da’s het vurte van dit systeem.’
  • 11u50 Nog 27 agendapunten.
  • 12u12 Hilde wil wel nog een cupcake van Sven.
  • 12u30 Simon vertelt dat hij serieus kwaad was en we proberen ons dat allemaal voor te stellen.
  • 12u42 Sven lacht Katrien uit omdat ze vanaf nu met de bus naar school komt.
  • 112u54 De cava wordt uitgeschonken.
  • 12u25 Caroline tracht in het Duits kenbaar te maken dat ze blij is met de geleverde meubelen.

Aan alle leerkrachten een start van jewelste gewenst!





Balans

2 05 2011

Pas om 10.30u moeten beginnen werken!

Bouwmaterialen die bij de buren geleverd worden om 5u ’s ochtends

Caroline die me haar samenvattingsvriendje noemt

Geen plaats in het fietsenrek

Leerlingen op Youtube

Een te lange, chaotische en inefficiënte vergadering

True Blood seizoen 2 klaar liggen hebben

Kwaad worden op leerlingen, en nog eens, en nog eens!

Een telefoontje met Cindy

Recensies die te laat binnen geleverd worden

Mijn herstelde fiets en een nieuw fietslichtje van Knog

Collega’s die hun vuilen borden en koppen laten staan

Lekker suikerbrood

De dodelijke, eentonige nietszeggendheid van Norwegian Wood.

Het Diner van Herman Koch

“Hoogstaand” tv-drama: Zone Stad

Een geschikt idee voor moederdagknutselen bedenken

Collega’s die me een zaag vinden

Vulgaire woordspelingen rond cupcakes.

Stinkvoeten (ook van anderen!)

Ik blijf een optimistische mens en de balans is misschien wel in evenwicht, maar het was vandaag eigenlijk géén leuke dag.





Wijze Wannes

4 04 2011

Wannes (10): waarover gaat de film Iron Man?

Sven: Over een machtige man die zijn verantwoordelijkheden niet ernstig neemt. Hij moet eigenlijk een belangrijk bedrijf leiden, maar wil liever vechten en schieten.

Wannes: Aja, zo een beetje als Pieter De Crem.

Goed opgelet, Wannes!





Da feestje is hier nie!

25 03 2011

Als leerkracht moet je soms wel eens toegeven aan wat van bovenhand beslist wordt. Met je klas deelnemen aan een lokale carnavalsstoet, is bijvoorbeeld geen activiteit waar ik met plezier aan deelneem. Vandaag was het dus even op de tanden bijten.

Ik wil natuurlijk positief staan tegenover het initiatief: diverse scholen uit één buurt bereiden zich wekenlang vooraf voor, door grote objecten te maken die de stoet aantrekkelijk maken, door met kleurrijk materiaal zelf kostuums te maken, ondersteund door kunstenaars en creatievelingen uit de buurt. De buurt wordt die dag ingepalmd door hordes verklede kinderen. Dat ze allemaal hetzelfde pakje dragen, vergroot de eendracht. Het is een bont en vrolijk spektakel, een unieke kans tot expressie voor veel kinderen. De straten zijn die dag van ons en de buurtbewoners verenigen zich gezellig op straathoeken en in deurgaten.

Maar van al deze beredeneerde en helaas wat geforceerde gedachten, blijft nauwelijks wat over eens de dag nadert. In de eerste plaats ontgaat het me al waarom de organisatoren deze activiteit pas enkele weken na het feitelijke carnaval plannen. De kans op mooi weer is misschien groter – het was een prachtige dag – maar het zijn toch wat vijgen na Pasen. Of in dit geval voor Pasen.

Het enthousiasme van de organisatoren staat ook lichtjes in contrast met de kwaliteit van de organisatie. De lokale Prins Carnaval, de man achter het hele gebeuren, zet alles op poten met hulp van zijn ouders en andere familieleden. Haast alle bestuursleden dragen dezelfde achternaam. Geen bezwaar tegen familiale initiatieven, maar het is niet omdat je zus je zus is dat ze ook daadwerkelijk kan bijdragen tot de organisatie, om maar een voorbeeld te geven. Zo kon je de teksten in de brochure rond deze stoet, bezwaarlijk vlot of foutloos geschreven kunnen noemen. Elke typ- of spelfout zet het gebrek aan professionalisme net extra in de kijker. En alle sympathie voor de man of vrouw die zich met veel enthousiasme achter de computer zette, maar ook de lay-out etaleert dat amateurisme.

Nu val ik mijn leerlingen daar niet mee lastig –  ze zien trouwens zelf de fouten in dat boekje wel staan – en al is het enigszins lachwekkend dat de brochure ook een overzicht bevat van alle verkozen Prinsen en Kinderprinsen en -prinsessen van de laatste jaren en dat gewoon ieder jaar dezelfde blijken te zijn – bij gebrek aan kandidaten of door fanatieke familiepolitiek – wil ik mijn leerlingen geen deelgenoot maken van mijn occasionele cynisme. Ik kan dit al bij al wel relativeren – als ik dat zou willen. Ik bedwing me ook bedenkingen te uiten over het wat marginale gehalte van de entourage. Het leek immers wel of elke medewerker een sigaret of pint in de handen nodig had. Dat sommige van deze mensen er als niét verklede bespottelijker bijliepen dan de bepruikte en geschminkten onder ons, hield ik ook al voor mezelf.

Nee, wat me dan wel met loden schoenen doet plaatsnemen in een rij verklede kinderen, is het hoge slechte-smaak-gehalte van het hele gebeuren. Kinderen blijken de slechtste liedjes – Waar is dat feestje? Nein Man – het formidabelst te vinden en snappen niet waarom ik met moeite glimlach. Ik ben op dat moment pretbederver numero uno, want ook de meeste van mijn collega’s hebben plaatsgenomen in de polonaise. Maar ik hou vol en weiger enig plezier te veinzen. Niet dat ik er als een donderwolk bijloop, maar ik hoop rustig op de achtergrond te mogen blijven. In alle andere omstandigheden is dat nochtans precies wat mijn collega’s zouden willen.

Het is ook niet zo dat ik mezelf te serieus neem of weiger onnozel te doen. Ik entertain hele bendes snotapen met veel plezier, heb me voor de meest diverse gelegenheden al verkleed in melkboer, olympisch zwemmer, toerist, gala-genodigde of afvalcontainerbewoner. Ik creëer graag wanorde, wil overdrijven en brullen alsof ik zelf weer zes ben enz. Maar niét op slechte muziek en niét als het nadrukkelijk van mij verwacht wordt.

Alles leek deze dag echter behoorlijk mee te vallen. De stoet duurde niet erg lang, de muziek was draaglijk. Na de stoet zou een fuifje volgen, waar ik  me dapper doorheen zou worstelen. De polonaise zou ik desnoods met geweld van me afslaan. En toen kwam een rondborstige dame me trots vertellen dat er nog een grote verrassing was: Kürt Rogiers en Sven Ornelis van Q-Music zouden de party onvergetelijk maken!

Ik stond perplex – en zag mijn persoonlijke hel naderen. Wilde men mij echt in één ruimte krijgen en laten luisteren naar twee van de meest ergerniswekkende figuren uit mijn lange lijst van onuitstaanbare eikels? Twee idioten die het lullen tot een kunst verheven hebben, wiens gezwets nog geen tien seconden te verdragen is? Terwijl collega’s en leerlingen zich naar binnen snelden, zocht ik de dichtstbijzijnde nooduitgang, maar mijn collega Cindy weet dat ik haar niets kan weigeren en troonde me beslist mee naar binnen.

Het gejoel en gekrijs van 250 leerlingen, het zoveelste afgezaagde hitje, de benauwende warmte en bijhorende zweetgeur zorgden er voor dat ik na nog geen halve minuut weer buiten stond. Aan mijn handen mijn excuus: twee zesjarigen die al die drukte duidelijk niet zagen zitten en voor wie het vooruitzicht buiten een verhaaltje te aanhoren, véél aantrekkelijker was. Ik offerde me dus met veel plezier op om op het terras de ukken op te vangen die naar frisse lucht snakten. De polonaise moest ik missen, maar ik deed toch mijn plicht. Dankjewel, Saar en Flores! (en daarna Stans, Victor, Simon, Kudjo en Fran).

De aanwezigheid van de twee grote radiosterren, vervulde de organisatoren van het hele carnavalsgebeuren met een groot genoegen dat ik hen niet misgun, ook al kent vrijwel geen enkele van onze leerlingen de twee praatjesmakers. (Overigens: ook heel wat van mijn collega’s hebben geen idee wie deze mensen zijn, leve hun vermogen zich af te sluiten van de massamedia!). Maar voor mij hoefde het dus beslist niet en ik was dan ook erg opgelucht dat het na een dik half uur genoeg was geweest.

Binnen een dikke week trek ik met mijn leerlingen op bosklassen. Ik zal daar dan dubbel zo hard onnozel doen en enthousiast wezen en bewijzen wat een leuke, lollige, zotte, vrolijke, coole meester ik ben kan zijn. Vooral zonder muziek.

 

Thuisgekomen vijf keer naar dit formidabele liedje geluisterd om één en ander te vergeten.





Moeder De Geit

2 10 2010

Leerling M. laat enkele keren de naam Moeder Theresa vallen. Ik vraag hem of hij weet wie dat is.

‘Dat is toch die uit dat sprookje, met die geit?’

Vijf jaar godsdienst gevolgd…





Kinderherinneringen

4 09 2010

In het eerste leerjaar kregen we een kleurplaat voorgelegd. ‘Kleur alles wat niet klopt’, zei de meester. Ik zag de peer in de appelboom en de mand zonder bodem en begon verwoed te kleuren met een viltstift. Mijn buur Joris A. deed me meteen na, wat ik flauw vond maar soit. ‘Nééééééé!’ brulde de leerkracht ineens. ‘Allemaal tesamen!!!!!’. Onze stencil werd in stukken gescheurd. De oefening herbegon. Iemand moest de vinger opsteken, een fout benoemen en iedereen moest die samen kleuren. ZZZZZ.

In het tweede leerjaar zaten we de eerste schooldag amper tien minuten in de klas en de meester vroeg zich luidop af : ‘Ja, waar zullen we eens mee beginnen?’. Van een goede voorbereiding gesproken. Hij keek naar het bord en wreef peinzend over zijn kin. ‘De tafel van 2’ dan maar. De schrik sloeg me overigens om het hart bij het horen van dit lesonderwerp. Wat klonk dit moeilijk?! Een half uur later kende ik die tafel.

In het derde leerjaar waren we met te veel. Net voor we naar binnen gingen, hakten de leerkrachten de rij willekeurig in twee. Zo was er een overdachte, kindvriendelijke en logische verdeling. Ik zat bij een toffe en zotte leerkracht die mijn tekening van de eerste schooldag meteen ophing als ‘tekening van de week’. De volgende dag bleek onze school te weinig leerlingen te hebben en vloog mijn meester naar een andere school. We mochten aansluiten bij de zure juf.

In het vierde leerjaar had ik een 6 voor cijferen. Een duizelingwekkende, verpletterende, vernederende en schokkende 6. Dat had ik nog nooit gehad en  het is me  in het verdere verloop van de lagere school ook nooit meer overkomen. Het was uitgerekend het laatste blad van mijn toetsenschrift. De meester knalde me die 6 toe vanachter zijn bureau en leek waarlijk verontwaardigd.

In het vijfde leerjaar hadden we iedere week een toets van geschiedenis. Iedere week. Ik had daar niets mee. Ik vatte het niet en vond de leerstof niet  te overzien. Ik had telkens een 7 of 7,5. Gelukkig was er biologie. Ik had telkens een 10. Tot er een toets was over het konijn. Ik was zeker dat alles juist was. Ik kreeg mijn toets terug en had een 9. Ik huilde want de aangerekende fout was volgens mij wel juist. De juf wou er niet van weten. En nu ik dit noteer vraag ik me bizar genoeg af of dit eigenlijk niet mijn broer overkomen is, maar ik lijk het me toch persoonlijk te herinneren…

In het zesde leerjaar moesten iedere week enkele kinderen een krantenartikel voorstellen. ‘Geen banaliteiten’, zei de meester. ‘Geen auto-ongevallen en verkrachtingen’. We barsten in lachen uit omdat de meester dit woord luidop durfde zeggen. Ik vond dit een kolfje naar mijn hand. Tot ik een artikel nam over de schadelijke verf die op speelgoed zat en ik niet meer uit mijn woorden raakte. Ik kreeg zelfs onder mijn voeten van de leerkracht. Ik was diep teleurgesteld in mezelf.

Maar verder had ik het daar wel naar mijn zin hoor, in dat wijkschooltje op 5 minuten van mijn huis. Want:

In het eerste leerjaar schreef ik spontaan een verhaaltje dat ‘worst en tand’ heette. Ze vertelden aan elkaar wat hen overkomen was: de tand was naar de tandarts geweest en de worst was gebakken. Mijn ouders en de meester waren in hun nopjes. Ik kreeg een pen en mocht het verhaaltje in de klas zeer mooi overschrijven terwijl de rest zich bezighield met het schrijven van letters haha. Indrukwekkend.

In  het tweede leerjaar spreidde de leerkracht een plastic zeil uit op de grond en stortte daar enkele kruiwagens aarde op. Hij creëerde een kuil en goot er water in, en plantte vervolgens een pak planten en een tuinkabouter in de aarde. Zo was er een soort bos achteraan in de klas. Magisch.

In het derde leerjaar kreeg je een ‘punt’ als je op je dictee een 10 had. Op het punt stond een stempel van een zwaan. Ik kreeg zowat iedere week een punt. Er was iets als je 10 punten had, maar dat herinner ik me niet meer. Zeer bevredigend. (Maar o zo fout als motiveringssysteem natuurlijk).

In het vierde leerjaar mochten we een platenhoes ontwerpen. Enige creatieve voorbeelden werden ons ontzegd (had wel cool geweest), maar ik creëerde niettemin een pracht van een collage met Sjef Van Oekelfiguurtjes. Ik verzon ook meteen 10 titels van liedjes. Lekker zot was dat. Een formidabele bevestiging van mijn creativiteit.

In het vijfde leerjaar pruttelde tegen tienen steeds de koffiezet in de klas. Onze juf zorgde dat alle  leerkrachten tegen tienen een kopje troost  ter beschikking hadden. Het koffiezetten werd na een tijd gedelegeerd aan de leerlingen. Op een dag strooide Joeri T. vrolijk wat schuurpoeder (Vim) in de koffie. Mooie daad van rebellie tegen deze ridicule taak of een dwaze krapuulstreek? Geen idee. Ook de gevolgen en de represailles zijn uit mijn geheugen verdwenen. Maar heerlijke anekdote vind ik dat.

In het zesde leerjaar deden we met onze klas  mee aan een wedstrijd. Opdracht was een klaskrant rond het thema ‘werk’. Ik tekende een stripje en interviewde mijn vader. Het artikel kwam op de voorpagina. We behaalden de zevende plaats van heel Vlaanderen en mochten in Brussel  naar de prijsuitreiking die een hele lange saaie zaterdag duurde. Onze burgemeester was er ook, want ze was één van de slechts zeven vrouwelijke burgemeesters. Ja, ook ik was daar trots op. Wat onze prijs was, weet ik niet meer, maar het was wel een goed idee van onze meester.

Maar al bij al hoop ik dat onze leerlingen veel minder moeite zullen hebben om memorabele momenten op te rakelen als ze groot zijn.

Lees hier Kleuterherinneringen





Cyclus

10 07 2010

Na anderhalve week vakantie lijkt het voorbije schooljaar ver weg. De laatste dagen van juni zetten als vanouds aan tot reflecteren, maar ik heb bewust wat tijd genomen om daarover te schrijven. Hier toch, want er bestaan ook na het laatste feestje in benevelde toestand snel neergekribbelde gedachten, die ik bij nader inzien maar voor mezelf houd. Over alweer eens afscheid van een groepje fijne persoonlijkheden, die leerlingen die de lagere school vaarwel zeggen. Over de (bij ons op school) intussen haast vanzelfsprekende warmte tussen collega’s die zich samen door de laatste loodjes slaan, een rapport in de ene en een glas Freixenet in de andere hand – soms lijken die laatste dagen één langgerekt feestje. Waarop ouders en kinderen met cadeaus komen aanzetten, briefjes en kaartjes hun werk doen, je met de één na de andere sympathieke mens een praatje slaat en met wat spijt beseft dat je die vermoedelijk niet snel nog eens terug zal zien.

Bizar is dat, ergens. Welke andere job verloopt zodanig in cycli? Welk ander beroep biedt telkens weer dat moment van closure en die nieuwe lei twee maand later? Enerzijds is dat heerlijk, die tien maand aan één stuk doorgaan, afsluiten en herbeginnen. Ik hoed me wel voor routine en ben geneigd de loop der dingen eens te doorbreken, maar het zorgt ook voor stabiliteit. Anderzijds, zoals ik hier al eerder schreef gaat dat meestal met emoties gepaard. Zo’n schooljaar is een intense belevenis, dat je vooral samen moet doormaken. Met je collega’s – wat was dit jaar weer voldoeninggevend – , met je leerlingen en hun ouders. Ik weiger ongevoelig te worden voor telkens weer die vaarwels. Niet dat ik snotterend aan de schoolpoort de zesdeklassers sta uit te wuiven. Maar ik focus me toch altijd een moment op wie die leerlingen waren die je laat gaan (en die bij ons steeds twee jaar bij dezelfde leerkracht zaten).  Ik blijf hardnekkig foto’s nemen. Die ik ook dapper laat afdrukken en in overzichtelijke albums plak. Wie doet dag nog?

Ook aan sommige ouders, waarvan enkelen zelfs vier jaar lang kinderen in mijn klas hadden, was ik minstens … gewend geraakt. In die mate dat je er gerust nog een glas wil mee gaan drinken of op een feestje naast hen wil belanden. Maar dat is eerder onwaarschijnlijk. Je hebt nochtans geïnvesteerd in een relatie met die mensen. Leerkracht zijn vraagt sociale vaardigheden, wat me niet zo moeilijk valt zolang ik eerlijk mag zijn. Er zijn discussies en wrevels geweest, maar er is ook veel gelachen. En dat moet je dan ook opgeven om vervolgens aan de slag te kunnen met die volgende ouders. Een aangenaam aspect van de job met een wat wrange afloop.

Idem voor die collega’s. Elk jaar is er wel iemand die komt en iemand die gaat. Soms één jaar, soms na vele. Soapseries hé, met wisselende personages. Maar soms ben je zo’n fan dat je hoopt dat de scenaristen een manier vinden om al die personages gewoon in het verhaal te houden. Gedrevenheid is een aantrekkelijk sociaal aspect, stel ik  vast.

Emotioneler hoeft het hier eigenlijk niet te worden, maar ik voeg er graag nog een niet zo bekend liedje aan toe dat weliswaar wat sentimenteel is, maar de sfeer bij ons wat bepaald heeft de laatste dagen. Ik wens er mijn afscheidnemende zesdeklassers een mooie toekomst mee toe en laat het maar gepaard gaan met een gemeende ‘tot weerziens’, ook voor hun ouders.

(P.S. Ja, ben teruggekeerd naar de oude lay-out… voelt weer als thuis)





Vier!

25 05 2010

Het was eigenlijk met een lichte tegenzin dat ik deze week precies vier jaar geleden voor de eerste keer een voet zette in mijn huidige school. Met de vakantie in het vooruitzicht, stond een min of meer opgelegde interim me eigenlijk niet aan, want als leerkracht in een klas binnenstappen in deze periode van het schooljaar, voelt eerder als veredeld babysitten aan. Wat voor verschil kan je nog maken? En dan had de één of andere taart me nog aangepraat dat ik ‘dat eens moest proberen, zo’n Freinetschool!’

En de rest is geschiedenis! Dat ik nu al vier jaar bijna iedere dag met plezier ga werken, is niet alleen een bevestiging dat ik ooit het juiste beroep heb gekozen, maar ook dat ik gewoon een formidabele job heb, een fantastische school en de allerbeste collega’s, zoals hier al eerder mocht blijken.

Markant is vooral hoe groot de kans geweest is dat ik dit alles, dat ik nu als zeer belangrijk beschouw in mijn leven en loopbaan, had mislopen kunnen hebben. Had ik op die meidag in 2006, een woelig jaar verwerkend met allerlei grote en kleine drama’s, beslist maar geen interims meer aan te nemen om alvast van de zon te gaan genieten, omdat ik het wel gehad had, die stadsscholen met hun vage beleid en middelmatige lesgevers, dan had het plaatje er heel anders uitgezien. Maar goed, ik zei dus ja, want de vriendelijke dame van de plaatsingsdienst van de stad Gent leek echt in nood te zitten, en wie weet kon ik achteraf met kennis van zaken kritiek geven op Freinetscholen in plaats van vanuit vooroordelen.

Als ik toen nee had gezegd, was mijn leven anders verlopen maar daarom niet slechter natuurlijk. Toch herinner me ik wel hoe ik me kort daarvoor, na enkele interims waarbij je nooit echt op de hoogte  bent van de gang van zaken, nog afgevraagd had of er wel nog van die sfeervolle scholen bestonden met een minimum aan collegialiteit. Ik ga er dus niet meteen van uit dat ik me nog met veel enthousiasme zou zien lesgeven in een ander scenario. Was dat aanvaarden van die job dan een veelbepalend moment?

Eigenlijk was het meer. Na de interim, die ik als positief ervaren had maar waarin ik ook kon uitmaken dat het Freinetsysteem niets voor mij was, legde ik het voorstel van de directeur naast me neer om volgend schooljaar opnieuw op de school aan de slag te gaan. De collega’s waren hartelijke mensen, maar konden me niet overtuigen er een vervolg aan te breien. Een groep ouders, aangenaam verrast door mijn onmiddellijke betrokkenheid, sprak me ook nog eens aan. Gevleid tot en met zei ik toch nog altijd nee. En dan was er de allerlaatste schooldag, waarop de directeur nog een keer de vraag stelde en ik dan toch, lichtjes aarzelend, ja zei. En zelfs drie jobs kreeg om uit te kiezen.

Verhalen en films die draaien om lotsbestemming en toeval, vind ik doorgaans erg fascinerend. Ik zou me kunnen trachten in te beelden waar ik nu zou zijn als ik na die ja en dan die nee en dan toch die ja, iets anders had gezegd. Maar voor tientallen mogelijke scenario’s vorm kunnen krijgen in mijn hoofd, kan ik me gewoon realiseren hoeveel geluk deze plot al biedt. Realistisch gezien heb ik voor het beste scenario gekozen. Kan niet iedereen zeggen.





Klasuitje

10 05 2010

Ik richt me tot een nadrukkelijk verveelde leerling: ‘Komaan, M, kun je niet een beetje je best doen interesse te tonen? Je loopt er bij alsof het allemaal tegen je zin is.’

M: ‘Awel ja, ik bén ook niet geïnteresseerd. Als ik u meeneem naar de voetbal, zult gij u toch ook vervelen?!’

Dat was weer ad rem.





Qué? (10)

22 04 2010

Aan de schoolpoort toont leerling A. haar nieuwe gsm:

– Hey Sven, vind je mijn gsm niet zwaar?
– Hoezo? Laat me eens wegen?
– (proest het uit) Haha, gij zijt echt niet mee met de realiteit!
– Ha ja?
Zwaar, da is bom!

Zo weet u het nu ook. Zwaar is bom.





Profiel van een 11-jarige

9 04 2010

Als je een week met zestig 10- tot 12-jarigen doorbrengt in een niet nader te noemen bos, ben je als ervaringsdeskundige in deze leeftijdscategorie weer helemaal up-to-date. Twee jaar geleden zette zo’n natuurweek me aan tot mijmeringen over takken en kampen. Deze keer kom ik tot andere conclusies – iedere groep is anders.

Gsm’s waren verboden en daar kon ieder zich ondanks heel wat gezeur zonder moeite aan houden. Om nog maar even te vergelijken met vorig jaar: toen had vrijwel geen enkele van mijn leerlingen een gsm, deze keer heeft meer dan de helft er één (thuis gelaten). Ze lijken hem niet te missen, maar voor die enkele kinderen die meer dan 50 sms’jes per dag versturen, is het wel afkicken. En je leerkracht geef je niét je nummer. Niet omdat hij dat nummer niet mag weten, wel omdat je je dan verplicht wordt hem ook in je telefoonboek te plaatsen. En dat is dan vooral een probleem ‘als je volgend jaar op de middelbare school met een nieuwe vriend of vriendin je lijst overloopt en die vraagt dan; ‘wie is Sven?’, en dan moet je antwoorden: ‘mijn oude meester!’. Schamelijk.’ Op mijn vraag of dat dan de gewoonte is, met iemand je lijst overlopen om te tonen wiens nummer je allemaal hebt, was het antwoord bevestigend. Ik ben op meerdere vlakken een oude meester aan het worden dus.

Waar je wél nog steeds vanop aan kan is dat de doorsnee 11-jarige nog altijd van snoep houdt. In kilo’s, in dozen, in gigantische zakken. Er kan niet genoeg mee zijn. Chips om half tien in de ochtend of wat zure matten meteen na een zware maaltijd (mét dessert), het moet allemaal kunnen. Hyper worden ze er van natuurlijk. High on sugar, rondstuiterend als een op hol geslagen rubberen balletje.

Horrorverhalen? Jaaaaaaaaaaaa!! Maar niet griezelig en zonder bloed en niet te veel doden en geen ingewanden en liefst niet op een kerkhof. Vooral niet eng dus. Horror voor kinderen. Begin er maar eens aan. Geen klachten echter, ze blijven een zeer gewillig en dankbaar publiek, ook al gaat de plot nergens heen en sluit je abrupt af omdat het bedtijd is.

Apenstreken en wandaden? Amper, al mag u dat verbazen. Toegegeven, de laatste dag waagde het iemand het brandalarm in werking te doen treden, maar dat was meer een impulsieve dommigheid dan een geplande actie. Op de naïeve oproep van mijn collega of de dader zich vrijwillig wou komen melden, kwam nog reactie ook. Allemaal doetjes. En er werd ook nog wat snoep gestolen. Maar verder, braaaaaaaaaaaaf.

Fuiven? Een bosklas sluit je obligaat af met een fuif, zou je denken. Maar dit was de laatste keer, zo concludeerden we. Het interesseert hen uiteindelijk nauwelijks. Na een uurtje zijn de drama’s op, de slows geslowd en alle cd’s al drie keer gedraaid. Waarom zouden we kinderen nog zo’n afgezaagde formule opdringen? De alternatieven, zoals gezelschapsspelen, kenden meer succes. Bovendien zie je dat zich nu al fuifstereotiepen ontwikkelen: muurbloempjes, flirters, observators, dramaqueens, zonderlingen, meelopers, showstealers en genieters. Grappig, maar ook wat triestig. Er staan hen nog tientallen en tientallen van die droeve get-togethers te wachten waarop ze zich vooral moeten gedragen als alle anderen en het vaak een kwestie is van de kat uit de boom kijken – want slechts een elite heeft het in zich, dat feestbeest. Waarom zouden we hen nu al confronteren met de frustrerende sociale conventies die amateurfuiven kenmerken? Al kreeg A. wel een brief van haar zus met de raad zich goed te amuseren want ‘de fuif is de mooiste tijd uit van uw lagere school!‘ Ik moet daar dan ook niet cynisch over doen. De uitgelatenheid is ook erg tof om te zien en als je die pre-pubers zich volledig ziet gooien op de dansvloer, ongegeneerd, moet je dat moment ook koesteren: dit zijn érg gelukkige kinderen.

Over post gesproken, dat blijft ook een voltreffer voor iedere 11-jarige. Het onnozelste kaartje met nauwelijks een woord op doet al plezier, dat spreekt vanzelf. Mama’s en papa’s maken echter ook vaak halve knutselwerkjes, sturen dat drie dagen vooraf op zodat het kind bij aankomst al een brief in de handen gedrukt krijgt en hebben het adres verspreid onder familieleden. Hele roedels honden en katten blijken plots ook te kunnen schrijven, elk excuus is goed om iets in een envelop te proppen. Wie uitverteld is, vult ook nog snel een halve bladzijde met de samenvatting van Thuis die week. Minder creatieve ouders sturen dan weer gewoon een fax en zekere vaders vragen hun 10-jarige of hij ‘al veel grieten heeft binnengedraaid?’. De kinderpuzzel zou bij sommigen snel gelegd zijn. Moslimouders schrijven over het algemeen niét, maar sms’en of bellen naar de leerkracht.

Zijn ze stoer en vroegvolwassen, onze leerlingetjes? Welnee. Ze huilen, treiteren, plagen, lachen, troosten, giechelen en prutsen zoals 10-jarigen dat altijd al gedaan hebben. Ze willen een knuffel, hangen aan je armen tijdens het wandelen en komen op je schoot zitten. Ze missen hun mama, ze hebben zeer aan hun vinger, ze plassen al eens in bed en doen twee verschillende sokken aan. Ze vinden hun tandenborstel niet, gaan met vuile handen aan tafel en strooien meer hagelslag rond hun bord dan op hun boterham. Ze doen onnozel, vinden onnozel doende volwassen nog erg leuk, vertellen moppen over Jantje en over gekken. Alles klopt. Nog altijd.

De conclusies komen steeds weer op hetzelfde neer: de meeste kinderen zijn eindeloos interessanter dan de meeste volwassenen. En hen in al hun aandoenlijke onwetendheid en doorprikbare schijnvolwassenheid bezig zien, maakt van mijn beroep nog maar eens een groot genoegen.





Even uitrazen (3)

18 01 2010

“De Broeders van Liefde zijn tevreden met de aanstelling van Léonard.” Daar zat ik op te wachten. Deze steeds verder in de tijd terugkerende orde deed onlangs een voorstel om scholen op te richten waarbinnen het katholiek geloof veel strikter beleden kan worden. Ik heb daar eerder al eens over geraasd, zoals u zich misschien herinnert. Het is intussen even uit de aandacht verdwenen en ik zou dus haast gaan hopen dat ze die plannen maar meteen voorgoed hebben opgeborgen. Maar met de aanstelling van de als zeer conservatief bestempelde André-Mutien Léonard tot kardinaal aartsbisschop, waarmee ze daar in Broederland uiteraard erg in hun nopjes zijn, wordt de slaagkans van hun losgeslagen idee alleen maar groter. Het kan hun zaak alleen maar ten goede komen, kan er lekker conservatief gekonkelfoesd worden op hoog niveau.

Ik zou het daar qua occasionele katholieken-bashing verder maar bij laten, zij het dat ik u nog even deelgenoot wou maken van een klein leedvermaakje  van mijnentwege toen Mieke Van Hecke onlangs in Ter Zake werd geconfronteerd met haar eigen conservatieve uitspraken als  directeur-generaal van het Katholiek Onderwijs en ze daar niet zo meteen mee wegraakte. Zij zal er niet van wakker gelegen hebben natuurlijk, maar tegenover alle gruwel die dit soort mensen op minder verdraagzame momenten bij me oproept, mag al eens een schampere grijns staan.





De Onhelaasheid der Dingen

14 12 2009

Mijn leerlingen hebben uiteraard weet van mijn filmliefde en komen me dus vaak spontaan vertellen welke films ze gaan bekijken zijn in de bioscoop. Bij sommige kinderen gaat het vaak om Turkse films, waarvan ik vrijwel nooit eerder iets gehoord heb en waarover ik dan ook geen zinnige dingen te zeggen heb. Vandaag verraste Veysel me. Hij had zijn bioscoopticket mee, want de titel viel niet te onthouden, laat staan uit te spreken. De Helaasheid der Dingen las ik verbaasd. Zijn gezicht toonde echter weinig enthousiasme. ‘Het was een vuile film! Altijd maar seks. Dat waren echt rare mensen’. Hij was me daarmee voor want ik vroeg me uiteraard meteen af wat een 12-jarige moslim denkt van de niet altijd even keurige toestanden in die film. Ergens in mijn achterhoofd ben ik misschien ook wat teleurgesteld: als een Turks kind naar een Vlaamse film gaat, wil ik dat toejuichen. Als hij het dan maar niets vindt, is dat dan weer een verdieping van de multiculturele kloof? Scheert hij de Vlaamse cinema dan collectief over één kam?

– Hoe komt het dat je deze film koos, Veysel?
– Er was niets, alleen maar zever. Dat zag er leuk uit.
– Ah? En 2012 dan? Was dat niets voor jou?
– Pff! Stomme zever!

We hadden het met ons twee dan nog maar even over de marginaliteit van de protagonisten. Ik maak Veysel duidelijk dat de regisseur net dit verhaal kiest omdat het apart is en het dus geen doorsnee personages zijn – wat misschien een klein leugentje is, maar dat moet ik nu even negeren – en dat ik wel van die mensen ken zoals in de film. Dan verrast hij me met zijn volgende mening: ‘Dat was wel speciaal, dat die film altijd veranderde van tijd. Het ging naar vroeger en dan was hij groot en dan weer een kind.’ Baf. Een kinderanalyse van niveau, ik heb er niet van terug. Ik stamel nog iets over originaliteit, dat niet iedere film rechtlijnig moet zijn, maar Veysel heeft er al geen boodschap meer aan. Hij zal op zijn eentje wel nuanceren. De film was misschien vuil, hij was ook interessant. Hij komt er wel, ook zonder mijn mening.

Soms is helaasheid zalig ver weg.








%d bloggers liken dit: