Mit dem Fahrrad durch Berlin

20 07 2013

Ik bracht onlangs een kleine week in Berlijn door en die prachtige stad kun je op diverse manieren verkennen. Met de fiets leek niet zo’n slecht idee.

Je kunt op diverse plaatsen in de stad een fiets huren. Voor een volledige dag betaal je meestal rond de 10 euro. Wij vonden er eentje bij wie het net iets goedkoper was – 8 euro. Sommige hotels verhuren zelf fietsen aan hun gasten.

Berlijn heeft over het algemeen vrij brede straten, alleen is er op veel plekken geen fietspad. Daardoor voel je je op een aantal grote wegen minder veilig. Dan ben je snel geneigd je toevlucht te zoeken tot het voetpad. Dat blijkt zelfs redelijk gebruikelijk, zelfs al is het wellicht niet reglementair. Maar de voetpaden zijn vaak breed en bestaan soms uit twee verschillende soorten betegeling, waardoor je de indruk krijgt dat men er toch een fietspad mee suggereert. Dat is ons eigenlijk niet duidelijk geworden.

gedeeldlichtEr zijn wel erg veel verkeerslichten in Berlijn en dan vloek je nu en dan wel eens.  Op sommige kruispunten steek je als fietser best over met de voetgangers, omdat bv. links afslaan op een straat die uit meerdere rijvakken bestaat, te gevaarlijk lijkt. Dat wil wel zeggen dat je twee keer moet oversteken en dus twee keer wachten op groen – en dat kon soms lang duren. In Brussel werden deze week trouwens  twee proefopstellingen gedaan met een gedeeld verkeerslicht. Het zou wel eens kunnen dat zoiets effectief blijkt en in diverse grote steden kan toegepast worden.

De meeste fietsenrekken in Berlijn bestaan gewoon uit een ijzeren baar. Daardoor zien die stallingen er vrij chaotisch uit, maar het betekent wel dat er meer dan één fiets aan zo’n baar kan, in plaats van één zoals bij ons. Een sterk fietsslot hadden we bij de verhuurder gratis gekregen.

Na een poosje leerden we dat we soms beter parallelle wegen namen om ergens te komen. Die waren vaak wat rustiger dan de hoofdstraten. Maar Berlijn is New York natuurlijk niet, dus zo’n parallelle weg brengt je soms niet exact waar je moet zijn.

tiergartenBerlijn heeft ook een gigantisch en prachtig park (Tiergarten), waar een zestal straten doorloopt. In dat park fietsen garandeert je complete rust. Het is er stil en duizelingwekkend groen en je kunt er makkelijk om de voetgangers heen fietsen. Na een avondritje had ik wel enkele serieuze insectenbeten opgelopen. Die grote straten, die het park echt doorkruisen, kun je heel makkelijk oversteken, maar voor wie dat niet wil riskeren, is het rond punt in het midden wel makkelijk. Ik ben alleszins diverse keren opnieuw in het park gaan fietsen – het lag achter ons hotel – want dit was een echte oase van rust. Hoewel het een park is, krijg je erg vaak een bosgevoel, zij het dat je wel op mooi aangelegde paadjes fietst. Maar bepaalde delen werden bewust wat minder onderhouden. We zagen trouwens zowel een vos als konijnen.

De Duitse hoofdstad is sowieso al enorm groen. Er zijn heel veel parkjes en bomen en het is indrukwekkend hoe zo’n immense stad zich kan permitteren om midden in de stad zoveel ruimte vrij te laten – niet alleen parken maar ook ligweides, groene zones, strandjes, immense speelterreinen, … Wat ons ook opviel was dat de stad in heel wat straten ontzettend lekker rook. Ik herken die geur wel vaag – een welriekende boom, vermoed ik – maar hier was die geur zo continu en sterk aanwezig, ook in straten zonder bomen, dat we het haast mysterieus begonnen te vinden. Die enkele Berlijners die we daar naar durfden vragen, hadden geen idee wat we bedoelden. Toch blijf ik Berlijn nu sterk associëren met deze bloesemgeur.

De fiets bleek ook handig om snel wat verderop gelegen plekken in Berlijn te bezoeken. De metro en tram hebben we dus nooit gebruikt. Vanuit ons hotel was de halte daarvoor ook wat ver. Berlijn is wel een grote stad, maar met de fiets zijn de negen meest centrale wijken zeer makkelijk te bereiken. Wie vanuit het centrum verder wil, bv. naar Potsdam, moet bereid zijn daarvoor al een flink eind af te leggen.

En wie zelf niet zo’n moeite wil doen, kan altijd een velotaxi nemen!

Velotaxi-ffm001

rond punt Tiergarten

 rond punt Tiergarten





On the Road (10)

3 08 2010

Laat dit dan eindelijk het laatste deel van mijn uitgebreide reisverslag zijn. Het heeft wat tijd en moeite gekost, maar ieder stukje was voor mij wel een intens herbeleven. Zo schrijf je er geen twee meteen na elkaar. Ik wou ook zeer bewust al die details vermeld zien. Een reis is meer dan wat fotootjes en ik ben dan ook zelf erg tevreden met deze uitgebreide terugblik. Hier dus het slot:

Onze laatste ochtend in Boston verloopt routineus, maar wat mij betreft ook wat geladen: het wordt onze laatste rit samen. Voor de laatste keer nemen we plaats in de ons zo vertrouwd geworden minibus, waarin best wel wat rommel ligt. Truien, petjes, reisgidsen, slippers, lege flessen, boeken en snoepverpakkingen tonen aan hoe we ons in de wagen begonnen thuis te voelen. Een dag eerder ben ik begonnen in een boek van David. Ik had nog slechts één roman over en die moet beslist dienen om de vliegreis en het lange wachten op luchthavens te vullen. Wat aanvankelijk echt geen boek voor mij leek, wordt al gauw een meeslepend reisverhaal: The Man Who Cycled the World, over de fietser Mark Beaumont en zijn reis om de wereld. Ik zal het boek niet uitkrijgen, maar geniet er van zo lang het kan.

Ik heb voor de gelegenheid ook een quiz voorzien met vragen over de groepsleden en de reis zelf. Dat zorgt voor een gezellige sfeer in de wagen. Het valt de anderen op hoeveel details ik onthouden heb, maar daarvoor heb ik natuurlijk wel mijn notaboekje. Toch ben ik als mensenvriend – ahum – ook geïnteresseerd genoeg geweest in de anderen en heb ik heel wat weetjes onthouden. Dat Chris door iedereen in zijn dorp Milkman genoemd wordt, omdat dat het beroep van zijn vader was. Dat Peter trompet speelde in de middelbare school en Maren piano. Dat Sina een dik kindje was. David wint de quiz. Maren heeft geen enkele vraag eerst kunnen beantwoorden, het Engels speelt haar wat parten.

We genieten van onze laatste lunch in verzorgd wegrestaurant waar ik eindelijk toch een Chicken Caesar Salad eet, iets waar ik eigenlijk al de hele reis trek in had. We vragen ons af wat het eerste is wat we zullen gaan eten als we weer in eigen land zijn. Voor mezelf is dat beslist bloemkool – waarvoor ik geen Engels woord weet – fatsoenlijk brood (een boterham met préparé!), lasagne en ook wel een pak frieten die op zijn Vlaams toch anders smaken.

We bespreken even onze plannen voor de komende twee dagen. Iedereen blijft nog minstens één dag in New York. Elin zelfs nog een week. Daarna komt haar familie, bezoekt ze met hen Washington en keert ze na twee jaar terug naar huis. Ze weet niet wat ze zal gaan doen en ze vreest verstikt te zullen worden door het Zweedse leven. Ik tracht haar te snappen. Als 21-jarige geëvolueerd zijn tot kosmopoliet en dan terug moeten keren naar een (nochtans niet zo) klein land, is misschien niet iets om naar uit te kijken. Maar de indruk die ze op mij gemaakt heeft, laat me geloven dat ze niet bij de pakken zal blijven zitten.

Aan tafel vragen we Peter ook nog of hij ons een oplossing kent voor een probleem. De laatste dag in New York zullen we immers onze bagage bij ons hebben, want het hotel ligt te ver buiten het centrum om die daar achter te laten. Peter kan geen hulp bieden en vertelt dat in New York vrijwel geen bagagedepots meer bestaan na 9/11. Ik zucht eens geërgerd om het simpele feit dat zo’n grootstad daar niet over beschikt. Peter kijkt me star aan. ‘Why do you act like that‘? Oh-oh, gevoelige plek geraakt? Maar dat hij mijn reactie uitvergroot tot het minimaliseren van een ramp, hoef ik niet te pikken. Razendsnel dien ik hem in vlot Engels van antwoord. Dat zo’n maatregel niet in verhouding staat tot het ongemak dat het toeristen kan bezorgen en de reële kans dat iemand een bagagedepot bombardeert. Vooral dat deze maatregel eerder emotioneel dan rationeel is en geen plaats biedt voor nuchtere redelijkheid. ‘En omdat jij, toen het gebeurde, een 15-jarige surfer was aan de andere kant van het land, maar net iets minder ver van New York dan ikzelf en dus op geen enkel vlak betrokken partij was‘. Dat laatste spreek ik niet luidop uit natuurlijk. Wat een geforceerde gevoeligheid! Peter verklaart dat elke New Yorker wel iemand kent die er het leven verloor en ik dus voorzichtig moet zijn met zulke reacties. Ik denk hetzelfde van hun interpretaties maar omdat Peter zich duidelijk al teruggefloten voelt, hoef ik daar verder niet op in te gaan en laten we het daarbij.

Eens onderweg naar New York merken we allemaal dat we veel vroeger in New Jersey zullen zijn dan het schema voorschreef. Dat zal ons meer tijd geven om Manhattan te bezoeken, maar anderzijds is dit best vervelend. We hadden kunnen uitslapen of onderweg meer tijd nemen om van Massachusetts te genieten. Het lijkt enkel Peter goed uit te komen wat vroeger een einde te kunnen maken aan de trip, want in principe zou elk van ons immers vandaag nog terug naar Europa kunnen, terwijl dat een stuk moeilijker was indien we op het afgesproken tijdstip zouden arriveren in het hotel. Maar goed, dit hebben we niet in de hand natuurlijk.

Het hotel geeft nog geen kamers klaar voor ons en we ploffen neer op het terras. Peter neemt afscheid. Dat gebeurt vriendelijk maar je ziet dat deze dag vooral in de verf gezet heeft dat hij niet echt tot onze groep behoort. Zijn fooi kreeg hij al eerder die dag en hij wendde daarbij verrassing voor. Hoewel ik zijn gezelschap niet zal missen, ben ik blij dat de rest van de groep ook zijn gedachten voor zich houdt. Ik heb immers de indruk dat iedereen wel wat genoeg heeft van die schommelingen tussen sympathie en zakelijkheid van Peter.

Hoewel me nog meer dan een uur op onze kamers moeten wachten, vervelen we ons niet. Wist u dat ‘cunt’ zowat als het ergste scheldwoord in Ierland wordt beschouwd? Chris spelt het liever dan het uit te spreken. De groepssfeer is nog niet verdwenen en we spreken af vanavond samen naar Manhattan te trekken. Elin verblijft niet in ons hotel want zij blijft de hele week en wil dus dichterbij logeren. Zij moet dus 4 reusachtige koffers meezeulen, zowat de helft van al haar bezittingen van haar tweejarig verblijf. Ze kan dus ook wat hulp gebruiken. Na diezelfde saaie busrit van New Jersey naar het centrum, net als bij mijn aankomst, komen we aan in het drukke Manhattan. David, Chris en ik dragen elk een koffer van Elin. Maren en Sina zien het niet zitten mee te gaan tot het hotel en nemen alvast afscheid. Hoewel we in hetzelfde hotel logeren, is de kans groot dat we elkaar niet terugzien dus wordt dit het laatste moment samen.

Elin heeft een gloednieuw hotel uitgekozen waarvan de prijzen voordelig zijn wegens de werkzaamheden daar. De manager spreekt ons hartelijk aan en wenst ons welkom. We leggen uit dat wij hier niet logeren en we enkel maar koffers dragen. De man lacht om de rol waarin we ons lijken te wentelen; die van willoze bagagedrager. Elin toont ons haar kamer. Die overtreft alle logementen van de voorbije reis natuurlijk. Ik neem me voor bij een volgend bezoek aan New York over het budget te beschikken om even luxueus te kunnen logeren.

We trekken met zijn vieren naar het Hard Rock Café, dat best mooi en consequent conceptueel is ingericht. Het is er een stuk minder marginaal dan ik dacht. De bediening is verzorgd en het decor moet voor muziekfans erg aantrekkelijk zijn. Ik geniet van zalm met een heerlijke puree en slechte broccoli. Eens buiten overvalt het drukke Times Square ons. Ik was hier al eerder en stel vast dat ik nu een stuk minder onder de indruk ben van deze door reclameborden overheerste straat.

David heeft contact opgenomen met een kennis in New York en wil die nu gaan bezoeken. Hij neemt afscheid van Elin, Chris en ik zullen hem morgen zeker nog terug zien. Ons resterend drietal trekt vervolgens naar Central Park. Elin en Chris zijn er nog nooit geweest dus ik kan bevestigen dat de vreemde figuren, de families op de aantrekkelijke ligweides, de honkbalspelende vriendengroepjes en talloze joggers dagelijkse kost zijn. Elin vertelt dat er een helikoptervlucht boven het park op haar programma staat de komende week. Ach zo. Die avond nemen we afscheid van Elin, met een hartelijke omhelzing en een oprechte bedanking voor het aangename gezelschap. ‘I’m nothing special’, zegt ze nog.

Ik beland vooral op plekken waar ik al eerder geweest ben. De vele bedelaars en uitdelers van flyers – wat een helse job – zijn meelijwekkend. Het is heet en ik ben moe. De fut is er een beetje uit. Na al die steden actief bezocht te hebben, lijkt het me nu vooral makkelijk simpelweg wat op te gaan in het stadsgewoel. Ik kijk eerlijk gezegd ook wel uit naar mijn thuiskomst. De helft van het genot van reizen zit hem in de terugkeer, zo heb ik al ervaren. Ik voorspelde hier overigens hoe ik over dat thuiskomen zou denken. En dus geniet ik eerlijk gezegd niet met volle teugen van New York, die twee dagen. Ik heb het wel naar mijn zin, maar de magie die ik voelde toen ik 5 jaar geleden de stad bezocht, vind ik niet terug.

Erg aangenaam was wel de lunch die ik had in Prince Street, een bijzonder aantrekkelijke winkelstraat in Downtown Manhattan. Het was er erg gezellig en de lunch was heerlijk en goedkoop. Vooral de gebakken aardappelen waren verrukkelijk. Ik wisselde nadien ook de rest van mijn Canadees geld om, kocht een boek in een reusachtige bookstore en wandelde het bekende luxe-warenhuis Saks binnen waar ik me absoluut niet thuis voelde. Maar stilaan zie ik het einde van dit stukje naderen en laat ik de rest van mijn gewandel en gewinkel maar zo.

De verleiding van de bioscoop kan ik op een bepaald moment dan toch niet weerstaan. Dit keer is het een cinemacomplex naast het hotel, in New Jersey dus. Het publiek is wat losser, wat marginaler ook, de bioscoop spuuglelijk ingericht. Ik kies voor de hersenloze actie van Salt en al even hersenloos moet het koppel zijn dat twee rijen voor  me plaatsneemt: ze hebben een baby bij. Onbevattelijk, niet? Het kind blijft de hele film stil, maar ma en pa hebben toch de handen vol.

De laatste ochtend neem ik afscheid van Chris, de man die ondanks zijn postuur nog nooit gevochten heeft. ‘It’s been a pleasure’, wat klinkt dat eigenlijk mooi. Die dag laat ik mijn bagage bij gebrek aan beter dan toch maar achter in het hotel, trek naar Manhattan, keer rond 16u terug, neem met bagage nóg een keer die bus, zoek aan het busstation weer even naar de bus naar de luchthaven en dat wordt een erg lange rit. Gelukkig ben ik ruim op tijd vertrokken.

Eens de bus de snelweg van JFK opgereden is, wordt het verwarrend. Bij welke terminal moet ik inchecken? Ik merk grote borden op waarop alle luchtvaartmaatschappijen vermeld staan. Iberia vertrekt vanuit terminal 7, zie ik. De meeste andere toeristen op de bus zijn minder alert. Wanneer de chauffeur ‘terminal 7’ blaft, schrikken ze allen op. Waar vertrekt hun vliegtuig? Ik laat hen paniekerig rondkijken en stap af. Reizen is leren, hou dus je ogen open. De erg onvriendelijke chauffeur krijgt geen tip. Het valt me overigens op dat de meeste chauffeurs van deze shuttledienst Aziaten zijn en de ticketverkopers jonge zwarten.

Om 18u check ik in, maar ik vergeet om een plaats met beenruimte te vragen, voor zover dat mogelijk zou geweest zijn. Ik vergat ook een deo-spuitbus uit mijn handbagage te nemen en die mag dus niet aan boord. Maar het douanepersoneel is erg vriendelijk. Ik lees en eet wat en schuif uiteindelijk aan om aan boord te gaan. Rondom mij een grote groep Italiaanse scholieren en heel wat Spanjaarden uiteraard – we vliegen naar Madrid.

Mijn plekje aan boord valt niét mee. Een zitje in het midden van een rij. Links komt een kind zitten, waardoor ik gelukkig iets meer ruimte heb. Rechts ploft een gezette Spaanse senior neer, die me dan weer minder bewegingsruimte biedt. Maar de stoel voor me blijft vrij, wat de gestrekte benen alleszins  ten goede komt. De vele Italiaanse tieners zorgen voor veel drukte en heen-en-weer geloop. Het is ook erg koud. Eigenlijk zijn vliegtuigen vrij onaangename voertuigen.

Het wordt nog erger. Een Italiaanse kan haar vriendin overtuigen naast haar te komen zitten op de lege plek. Die voor mij dus. Amper is het mollige kind gaan zitten, of ze laat haar rugleuning zakken voor een dut. Die kan ze toch ook op haar eigen plek doen? Ik protesteer ongegeneerd. Dat ik groot ben en dus echt een probleem heb wanneer zij haar stoel achterover laat leunen. ‘Yeeeeeeeeeeees, buuuuuuuuuuut…’ en dan is het Engels van het meisje op. Ik weet wat ze wil zeggen. Dat de persoon voor haar óók zijn zetel laat zakken. Maar ik negeer haar gestamel en eis koppig mijn minimum aan comfort op. Het jongetje naast me zit ook al niet bepaald stil. O, wat verander ik snel in de humeurige Sven die ik de laatste 14 dagen zeker niet geweest ben. De Spanjaard naast me, grijpt een kans: naast hem zit ook al niemand. Als hij een plaats opschuift, hebben we allebei wat meer plek. Hij gebaart dat ik daar zelfs mijn voeten kan leggen. In ruil help ik hem met de oortjes waarmee hij naar de film wil luisteren.

The Ghost Writer is amper begonnen of de Italiaanse juf komt eens poolshoogte nemen. Hebben alle leerlingen het naar hun zin? Neen, het meisjes voor me steekt een verhaal af en de juf kijkt naar mij. Ik richt me onschuldig tot het tv-scherm. Een kwartier later is de juf terug met een stewardess. Die is Spaans en kent nauwelijks Engels. Iets over een zetel en slapen. Het meisje voor me durft zich niet om te draaien. Het ziet er naar uit dat ik moet plooien, letterlijk en figuurlijk. Ik heb nog één argument, dat wel wat laag is, maar kom: ‘This is not even her seat! This seat was empty!’ zeg ik gedecideerd. Algemene stilte. Het meisje moet bevestigen dat dat klopt. De stewardess besluit dat het niet uitmaakt en ik maar begrip moet hebben. Nu de Spanjaard zo vriendelijk was op te schuiven heb ik natuurlijk plaats genoeg, maar ik wil dwarsliggen omwille van de dwaasheid van deze scholieren. Uiteindelijk zal het meisje de hele reis lang haar leuning niét laten zakken.

Na enkele  uren moet het jongetje slapen en de vader besluit hem naast zijn broertje te leggen en zelf naast mij te komen zetten. Het is een dikke vent en zijn vlees komt te vaak in mijn buurt. De film – die ik al gezien heb – houdt gelukkig mijn aandacht vast, al dommel  ik nu en dan in. Alweer zal ik zo’n 24u wakker zijn wanneer we aankomen. De luchthaven van Madrid ontvangt me als een vertrouwd gezicht. Na enkele uren, waarbij ik me alweer gelukkig prijs een erg goed boek bij te hebben, zetten we koers naar Brussel. Net als bij de eerste reis kan ik me nu ook weinig herinneren van deze korte vlucht, ook niet wie er naast mij plaatsnam.

En dan volgt een landing, een controle bij de douane – waar iemand het vreemd lijkt te vinden dat ik echt niets gekocht heb in de VS – en een treinrit naar Gent. Waar het stortregent.

Dank voor uw aandacht!

Lees hier deel 9





On the Road (9)

1 08 2010

Aan de reacties hier zou men het niet zeggen, maar mijn reisverslag kent in mijn omgeving heel wat bijval. Met veel plezier serveer ik enkele ongeduldige lezers  (sorry, ik heb ook nog wel andere dingen te doen) het voorlaatste  (maar ook langste) deel van mijn trip doorheen enkele staten van de VS en Canada.

Ons groepje verlaat Stowe, waar we onze batterijen hebben opgeladen in de rust en de natuur. Klaar voor onze voorlaatste stad, Boston. We rijden even door New Hampshire en belanden dan in Massachusetts, waar onze bestemming ligt. Onderweg besluit Peter dat de koelbox onze restjes ijs stilaan niet meer bevroren kan houden en we houden een stop om de 4 halve emmers Ben & Jerry’s leeg te eten. Wat klinkt als een formidabele opdracht, blijkt toch niet zo eenvoudig. Na enkele flinke scheppen hebben de meesten eigenlijk al genoeg. Gezellig is het niet, zo op een parking ijs staan eten. Chris en ik gaan er tegenaan, maar het zijn nu eenmaal niet mijn favoriete smaken. De Chunky Monkey is heerlijk bananenijs, maar er zitten noten in die ik niet lust. De Chocolate Cookie Dough is al even lekker, maar zoals de naam aangeeft zitten er stukjes koek in en dat is storend. Tja, ik ben geen makkelijke eter, ook niet als het op desserts aankomt. Ten slotte moeten we toch nog heel wat ijs weggooien.

Ons verblijf in Boston is wellicht het minst gezellige. De kamer is erg klein en er is een raam dat niet goed sluit waardoor het binnen even warm is als buiten en de airco niet erg effectief is. Het tapijt is versleten en de sanitaire voorzieningen benauwend. Ook de gastvrijheid aan de balie is niet wat we gewend zijn. Maar wat zou het, we zijn in Boston! Een stad met geschiedenis, een stad ook die in tegenstelling tot de andere steden die we bezochten, oude en nieuwe gebouwen combineert en die leeft en bruist. Er is ook een uitgestrekt en sfeervol park. Ik moet toch weer concluderen dat al die wereldsteden op deze reis – en ook de vroeger reeds bezochte plekken San Francisco, Los Angeles en San Diego – er steeds zo goed in slagen het groene en stedelijke perfect te combineren. Gent neemt in mijn hoofd steeds meer provinciale vormen aan. Kleinsteeds in alle betekenissen en hoewel in niets te vergelijken met al deze metropolen, waardoor ik er ook niet de ambitie van verlang, eigenlijk een benauwend klein plaatsje met een parochiaal aandoende stedelijke visie, veilig pleinen aanleggend rond kerktorens. Bij mijn thuiskomst lees ik  dan dat zekere radicale lui in Gent pleiten voor mínder groen op de Gentse pleinen.

Net als in elke stad geeft Peter ons een wat basisinformatie en een lijstje met suggesties. Voor de eerste keer zie ik dat iedereen dit nu wel gehad heeft. We hebben allemaal zelf reisgidsen verkent en de meesten weten al wat ze hier willen doen. Maar we blijven beleefd luisteren. Na een verkennende wandeling, waarbij me de bijzondere winkelstraat Newbury Street opvalt waar men er in slaagt in elk van de oude huizen telkens twéé winkels te huisvesten – één in het souterain en één op de eerste verdieping, trekken we via het unieke Boston Common park naar onze eetbestemming: het Cheerscafé. Peter tracht ons vruchteloos warm te maken voor een serie die al bijna 20 jaar geleden eindigde en die de helft van de groep nog nooit bekeken heeft, maar dat wil niet zeggen dat we niet goedgezind dit restaurant binnenstappen. De noodzakelijke identiteitscontrole aan de ingang wil ik  begrijpen, maar hoe zinloos van mensen die overduidelijk ouder dan 21 zijn, te eisen dat ze zich legitimeren.

Het restaurant is erg groot, met diverse gelagzalen en bars, en men heeft er duidelijk alle moeite gedaan zoveel mogelijk tafels en stoelen binnen te krijgen. We nemen plaats in een zaal die er daardoor erg rommelig uitziet. Wij maken het  nog erger door tafels en stoelen te gaan verschuiven naar onze zin. Onze serveerster neemt met de glimlach onze bestelling op en al zeer snel staat het eten op tafel. De wachttijden in Amerikaanse restaurants zijn bijna altijd zéér kort, je vraagt je soms af hoe ze dat doen. Iedere bar of eetgelegenheid heeft ook altijd zeer veel personeel, hebben we gemerkt. De airco – en nu is het écht de aller-allerlaatste keer dat ik er over zeur – staat erg hoog en we hebben het allemaal koud – behalve Peter misschien, die zoals wel vaker geen kritiek uit. Het eten koelt dan ook razendsnel af maar dat is niet erg want het is toch niet veel soeps. Laat ik het hier zelfs formeel stellen: op deze hele reis werd de minst genietbare maaltijd bij Cheers geserveerd. Wanneer we dan ook nog eens een niet nader te benoemen insect zien voorbijschieten, concluderen we gelaten dat dit eigenlijk gewoon een routineus uitgebate toeristentrekker is waar een behoorlijke service en fatsoenlijk eten geen prioriteit is.

We sluiten onze avond deze keer niet met een drink af. Onze avondwandeling langs de Charles River Esplanade, met schitterend uitzicht over het water, valt samen met de zonsondergang. Het is alweer een erg aangename avond en de groene wandeling leidt ons naar een openluchtvoorstelling met een behoorlijk groot publiek. We gaan bijna automatisch zitten om even mee te kijken, maar ik concludeer al erg snel dat deze Shakespearebewerking compleet onbegrijpelijk is voor mij. Dat moet het voor Maren en Sina vast en zeker ook zijn, gezien de mate waarin ze zo nu en dan met het Engels worstelen. En Elin, Chris en David durf ik er nu toch van verdenken niet tot de doelgroep te behoren van het al dan niet gemoderniseerde Shakespearetheater.

Tegen elf uur zijn we terug in de jeugdherberg. Chris wil nog naar een bar en de Duitse meisjes gaan slapen want ze hebben morgen een drukke dag gepland. Met de rest ga ik nog even babbelen in de zitkamer en daarna ga ik naar bed. Niemand van ons heeft deze keer vooraf plannen kenbaar gemaakt, en ik heb geen behoefte om de hele dag in gezelschap door te brengen, dus de volgende ochtend vertrek ik alleen. Ik wil eerst en vooral het Massachusetts Institute of Technology zien, enkel en alleen alweer om de aparte architectuur. Het is een behoorlijk route om er te geraken en de metro blijkt vandaag dan nog eens stil te liggen tussen twee stations op die route, waarbij de reizigers moeten overstappen op een pendelbus. Ik heb dat aanvankelijk helemaal niet door, maar wanneer ik iedereen zie afstappen ga ik dus maar mee en voor ik het weet zit ik op de bus. Wanneer ik afstap blijkt het niet evident me te oriënteren want ik heb geen herkenningspunt. Ik wandel wat rond en bekijk straatnaambordjes tot ik weet waar ik ben en trek dan naar het Stata Center, ontworpen door de wereldberoemde architect Frank Gehry. Ook voor gedurfde en originele architectuur moet je in metropolen zijn.

Ik bevind me vlakbij Cambridge, het kunstzinnige, studentikoze gedeelte van Boston, een tweede centrum zo je wil, maar dan over ’t water. Ik besluit er heen te wandelen aangezien het maar één metrohalte verder ligt en ik veronderstel zo toch wat meer van de stad te zien. Maar dat valt tegen: ik wandel de hele tijd langs een banale straat met weliswaar van die typische grote huizen die in studentenverblijven zijn verdeeld, maar verder weinig opmerkelijks. Er zijn geen andere toeristen en het is ook veel verder dan ik dacht. Voor de tweede keer deze reis beklaag ik me al dat gestap. Ik heb niet voor niets voor een reis gekozen waarbij geen wandelingen doorheen natuurparken op het programma stonden – die heb ik al een keer gedaan.

Wanneer ik het beslist erg sfeervolle Cambridge doorwandel, voel ik me dan ook toch alweer erg moe. Ik koop een heerlijk vruchtensapje, een smakelijk broodje met alweer tientallen sneetjes vlees op én een flinke reep chocolade, wat ik in dagen niet gegeten heb. De campus van de universiteit is een must-see maar het is er niet zo uitgestrekt als in de films. Peter gaf ons de tip een college te gaan volgen, wat hier probleemloos kan, maar daar heb ik toch eigenlijk  niet zo’n zin in. Eerlijk gezegd zit de bioscoop in mijn hoofd, die zich vlakbij de plek bevindt waar we straks samenkomen. Als ik nu terugkeer naar het stadscentrum – opnieuw met pendelbus en zo – kan ik misschien nog een film meepikken voor het eten?

Tja, kijk, als filmfan al meer dan een week geen film gezien hebben – ik tel de avond voor de buis in Stowe even niet mee want die film had ik al gezien – is een beetje als een nicotineverslaafde die zonder sigaretten zit. Bovendien ga ik graag in het buitenland naar de bioscoop om er de sfeer te proeven én uiteraard te profiteren van een filmaanbod dat flink vooroploopt op wat we in België te zien krijgen. Daarom kies ik voor de film The Kids Are Allright, een independent film waarover ik al lovende dingen las. Het programmabord brengt me wat in de war. Zijn dat tijdstippen, zaalnummers of beschikbare plaatsen? In de VS beginnen films niet allemaal op hetzelfde tijdstip en dus moet je wat puzzelen. Ik vraag de kassier om uitleg: de film begint pas over anderhalf uur. Er is echter een grote winkelstraat achter de bioscoop en dus vul ik die tijd met snuisteren in boeken-, cd’s- en klerenwinkels maar er is weinig dat me boeit. Frustrerend ook, dat regiosysteem voor dvd’s waardoor ik hier massa’s aantrekkelijke dvd’s zie liggen die ik niet kan afspelen in België.

Uiteindelijk neem ik plaats in de cinemazaal. Er zijn redelijk wat mensen voor een namiddagvoorstelling en de meesten zijn alleen. Als ik vergelijk met mijn eerdere cinemabezoeken in New York en Los Angeles, kan je in de VS duidelijk de artfilms onderscheiden van de popcornfilms. Aparte films trekken meer filmfanaten aan die ook alleen naar de bioscoop gaan. Ik stel vast dat er hier een massa trailers op de kijker wordt losgelaten, wat ik uiteraard erg fijn vind. Sommige van die trailers hebben een heel andere vorm dan bij ons: het zijn mini-making offs, waarin de acteurs aan het woord komen en er op de set wordt gefilmd en zo. Niet bijster interessant maar wel een prima opwarmer. Ik raak al helemaal in de stemming: zelfs een slechte film zou me nu aanspreken. Maar het alternatieve familiedrama dat volgt is gelukkig andere koek: meer dan degelijke cinema die wellicht wel voor enkele filmprijzen in aanmerking zal komen, al was het maar voor de formidabele vertolking van Annette Bening.

Vreemd genoeg kom je na het verlaten van de bioscoopzaal terug in de lobby en zou je dus erg makkelijk een tweede zaal binnen kunnen stappen om gewoon nog een film te bekijken. Handig is ook dat boven elke zaal te lezen staat welke film er speelt en vooral of die al begonnen is of niet. In België wordt dit systeem ook gehanteerd in de UGC-cinema’s. Ik heb natuurlijk niet de tijd voor een tweede film, en dat zou trouwens toch ook wat gek zijn. Ik ben in Boston! De tijd die over is vul ik met het volgen van een deel van de Freedom Trail, een met een rode lijn aangeduid parcours doorheen de stad dat je langs alle historische plekken brengt.

Om 19u treffen we elkaar en zoals gewoonlijk beschrijven we wat we gedaan hebben. Bijna iedereen is naar Cambridge geweest, maar apart dan. Sina en Maren hebben mij zelfs zien voorbij wandelen toen ze op de bus zaten. Peter heeft gereserveerd in een havenrestaurant, Boston Sail Loft, want kreeft is een specialiteit van Boston. Ik ben wat op mijn hoede omdat mijn gids een erg uitgebreide lijst van restaurants heeft en dit staat er niet bij. Bij onze aankomst blijkt onze reservatie problematisch te zijn en Peter zucht eens: dit is blijkbaar dé zwakke plek van restaurants hier. Anderzijds is het dan weer de gewoonte van de Amerikaan zijn reservatie ieder half uur telefonisch later te leggen, waardoor het natuurlijk een boeltje wordt. Maar wat een verrassing: we mogen gratis drinken omdat we 45 minuten moeten wachten. Wat op het zonneterras met zicht op de haven niet eens zo’n slecht idee is. Aan de overkant van het water zien we lofts waar we allemaal wel zouden willen wonen.

Dan is onze tafel klaar en onze ongewone Eurofamilie neemt plaats. Het valt op hoezeer we aan elkaar gewend zijn geraakt en ons gekeur en geblader in de menu’s verloopt in vertrouwde patronen waarin we elkaar vragen stellen over de gerechten en tips geven. Tussendoor bedenk ik dat ik stilletjes aan wel trek begin te krijgen in ‘ander’ eten. Onze frietjes, Vlaamse groenten, lekker brood, americain préparé, mijn favoriete sojamelk met bananen, … er is een zekere eentonigheid geslopen in de Amerikaanse (restaurant)keuken, zelfs al genoot ik eergisteren nog enorm van de fajita’s. Dat is dus al iets om naar uit te kijken bij mijn thuiskomst.

Chris bestelt nieuwsgierig kreeft en hoewel dat me wel iets zegt heb ik geen zin in een gevecht met een schaaldier dus ik ga voor iets anders, al herinner ik nu niet meer wat. Maar het was wél erg lekker. De kreeft komt verrassend genoeg in gepaneerde en gefrituurde vorm, waardoor het eigenlijk om het even wat kan zijn. Van klasse ga ik dit restaurant niet verdenken, maar het is er toch aangenaam zitten met zicht op de haven en onze laatste avond samen – want eens in New York neemt Peter afscheid – past zeker in het rijtje van geslaagde avonden.  Eigenlijk hoop ik van Peter te horen dat hem dat ook opvalt, onze gemakkelijke omgang met elkaar. Het kan toch niet altijd zo smooth gaan? Hij bevestigt noch ontkent, maar geeft wel toe dat er in elke groep wel eens wat uitgepraat moet worden of iemand eens een mindere dag heeft. In groepen die uitsluitend uit vrouwen bestaan, is dat zelfs het moeilijkst, moet hij helaas voor sommigen bekennen.

Ik heb al eerder in groep gereisd, wat wisselende ervaringen opleverde en op een gegeven moment altijd wel tot enige introspectie leidt. Je eigen functioneren even kritisch bekijken, zeker in een groep vol vreemden, is riskant. Deze keer had ik het bizarre gevoel ook even van mezelf verlost te zijn. Ik was op vakantie en de Sven die ik soms ook ben en waar anderen het wel eens moeilijk mee hebben, bleef gewoon thuis blijkbaar. Had ik ook een keertje rust. Met dank aan de andere groepsleden uiteraard.

Peter heeft ons eerder die dag evaluatieformulieren bezorgd die hij nu graag terug wil. We moeten ze verzegelen want hij mag ze zelf niet lezen, maar ik zeg dat ik dat wat flauw vindt en dat hij mijn formulier gerust mag lezen. Ik heb er immers niét opgezet dat ik niet wou verplicht worden recht te staan bij volksliederen. Peter vindt dat erg sympathiek maar het hoeft voor hem niet. Hij hoopt alleen dat we bedenkingen tegenover zijn persoon gewoon rechtstreeks aan hem willen melden (I want to improve myself, guys!). Hoewel in de groep misschien enkele bedenkingen leven, zal toch niemand ze uitspreken, ook niet aan elkaar, vermoed ik. Na het restaurant gaan we nog wat drinken, maar Peter gaat naar bed. Dat geeft ons de kans het even te hebben over zijn ‘tip’.

Onze reisinformatie gaf ons immers het advies de reisleider een fooi te geven van zo’n 5 euro per dag. We durven aan elkaar toegeven dat we dat allemaal wel wat veel vinden. Vooral Chris is formeel: hij wil niet zoveel geven. Ik bedenk ook wel dat ik dit systeem bizar vindt: Peter wordt al betaald en mag overal  gratis logeren. Hij is toch geen vrijwilliger? En al vind ik anderzijds zo’n fooi aanvaardbaar, is minstens 50 euro per persoon niet erg veel? Stel dat onze groep uit 13 had bestaan, wat het maximum is, dan zou Peter zo maar even 650 dollar extra krijgen? Eigenlijk is de discussie wat onzinnig – we weten allemaal dat we toch zullen betalen – maar ik moet ook glimlachen omdat ook dit een bewijs is van onze samenhorigheid. Niemand voelt zich gehinderd zijn gedacht te zeggen – al blijft Maren wat op de vlakte – en er is begrip voor alle meningen. Ik moet ook opnieuw concluderen – en ik wil daarbij geenszins van paternalisme beschuldigd worden – dat Elin voor een 21-jarige wel erg matuur, verstandig, sociaal en ondernemend is.

Tenslotte zijn we het eens over het bedrag en we vinden het ook passend al onze fooien in één envelop af te geven, want hoe onhandig of vervelend zou het niet zijn dat ieder Peter in de loop van de dag even wat geld toestopt?

Erg gezellig is de bar niet, maar dat bederft de sfeer niet. Toch vinden we op een fatsoenlijk uur ons bed.





On the Road (8)

31 07 2010

Amai Sven, jij schrijft er nogal op los. Zo’n lange teksten! Met zo veel details!

Inderdaad, dit reisverslag blijft aanslepen en het vraagt tijd van de geïnteresseerde lezer. Maar wie écht geïnteresseerd is, maakt daar toch gewoon tijd voor? Ik ga dus lekker door met een uitgebreide beschrijving van mijn trip en wie dat niet ziet zitten, neem ik geenszins wat kwalijk.

In Vermont lijken de mensen in speelgoedhuisjes te wonen. Het zijn stuk voor stuk aantrekkelijke verzorgde woningen, pittoresk tot en met. Dat het vandaag iets minder warm is, zorgt eigenlijk voor een passende sfeer: dit landschap is wellicht zelfs het mooist in de herfst en is in de winter een trekplaats voor skiërs. Het zijn geen typische dorpjes: de huizen liggen vooral langs één lange weg die zich doorheen de bergen slingert. Er is weinig sprake van een echt centrum. Wij houden halt in het dorp Stowe, aan de Riverside Inn, een guesthouse dat vannacht volledig ter onze beschikking staat. We zijn meteen dol op dit grote, prachtig gelegen huis waarvan de typische Amerikaanse rustieke stijl eindelijk eens tot zijn recht komt. Ons verblijf is omringd door bossen en er achter stroomt een idyllisch riviertje met een passend brugje. Wat een schril contrast met de steden die we de voorbije week bezocht hebben.

In de uren voor het eten profiteren we van de omgeving. De eigenaars, het Britse koppel Julian en Kay, bieden ons een hoop fietsen aan en we maken een klein tochtje. De stilte en leegte, de natuurpracht,  zijn welgekomen. Iedereen toont al snel wat spijt dat we hier morgen alweer moeten vertrekken.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Peter’s voorstel om fajita’s te maken, maakt mij iets minder enthousiast en ik participeer niet al te sterk in het koken. Ik zorg dan maar voor een verzorgde eettafel. Ik besluit ook de wijn die ik in Ithaca kocht, te openen. Jammer genoeg zullen we met één fles niet iedereen kunnen bedienen, maar ik weet dat ook Chris er een kocht. Wanneer Chris even buiten gaat, spreek ik met de groep af dat ik ostentatief zal verkondigen dat ik mijn wijn wil delen met de groep, in de hoop dat Chris dat dan ook zal doen. Ik acteer dus mijn spontaan voorstel en Chris trapt er meteen in, wat iedereen meteen aan het lachen brengt. Bij het snijden van de avocado’s laat Sina een mes in haar hand belanden. Maar dat verhindert niet dat we even later toch allemaal gezellig aan tafel zitten.

David is niet al te gek op wat blijkbaar alweer iets te vreemd eten is, maar ik vraag me al snel af wat mijn vooroordelen tegenover de fajita’s waren want ze zijn overheerlijk. Dit is wellicht mijn meest copieuze maaltijd van de hele reis. We kunnen nu ook zo lang aan tafel zitten als we willen en de wijn raakt moeiteloos leeg. Hoe gezellig we het de voorbije dagen ook al gehad hebben, nu kent het ontspannende gevoel een hoogtepunt. Julian & Kay schuiven razendsnel een stoel bij wanneer we hen uitnodigen omdat we nog erg veel eten over hebben. Het zijn praatgrage mensen en ze vertellen ons uitgebreid over hun leven in de VS en in het bijzonder in een skioord als Stowe. Het dessert is uiteraard Ben & Jerry’s, maar ik pas dus. Niet uit principe hoor, ik heb mijn ijsje simpelweg al gehad.

Julian heeft een uitgebreide videotheek en de groep ziet een film wel zitten. De woonkamer is uitnodigend. Ze laten het aan mij over een geschikte film te kiezen. Ik zie behoorlijk wat cinefiele films die me weinig hapklaar lijken voor een diverse groep waarvan niemand echt veel films kijkt. Uit de drie films die ik selecteer kiest de groep Crash, de Oscarwinnende film over racisme en vooroordelen. De indringende film slaat snel aan en ook ik geniet er nog een keer van. Ergens is deze film wat weinig subtiel en nadrukkelijk confronterend, maar dat is net wat het grote publiek wil. Peter is getroffen door wat zich niet zo ver van zijn deur afspeelt. Chris en Maren zijn intussen aan het biljarten en Julian en Kay hebben zich teruggetrokken in hun woongedeelte.

Op mijn kamer wacht een heerlijk bed. Het open raam toont me een stil nachtelijk landschap dat de ideale achtergrond biedt voor een goede nachtrust. Ik val als een blok in slaap. ’s Ochtends moet ik even bezinnen na twee heel bizarre dromen. In één ervan spreek in Engels! Voor het raam zit het roodste roodborstje dat ik ooit zag. Ik hoor een specht. Heeft iemand deze filmische ochtend in scène gezet?

Met wat spijt nemen we afscheid van de Riverside Inn. We zetten koers naar Boston.

(lees hier deel 7)





On the Road (7)

30 07 2010

Na een uitputtende dag in Montréal, verzamelen we om 19u om te gaan eten. Peter heeft een Italiaan uitgekozen, Ferrari. Voor David, die deze reis al enkele keren grenzen verlegd heeft, is het de eerste keer dat hij bij een Italiaan gaat eten! We worden zeer vriendelijk en joviaal ontvangen. Het is er niet zo druk en we genieten in alle rust. Intussen beschrijven we elkaar onze dag en tonen we foto’s. Chris, die net als altijd ook een voorgerecht bestelt, lijkt alles wel te lusten. Elin krijgt, ook als gewoonlijk, haar bord niet leeg. Chris en ik delen de rest van haar spaghetti.

Iedereen lijkt zich bijzonder ontspannen te voelen. Voor het eerst sinds lang blijven we best lang aan tafel zitten. We vertellen Peter over onze Europese eet- en vooral tafelculuur. In de VS heb je amper je laatste hap doorgeslikt of de rekening is er al. We kiezen dan uiteraard ook een dessert. Elin, Sina en ik willen tiramisu, waar Chris nog nooit van gehoord heeft. Maar zijn smaakpapillen kunnen alles aan, dus hij bestelt er nieuwsgierig ook één. ‘Enkel koffie lust ik niet’ zegt hij. Oei, dat hadden we vergeten in onze beschrijving van wat tiramisu precies is… Het dessert bevalt Chris dan ook niet en hij schrokt het naar binnen om er zo snel mogelijk vanaf te zijn.

We besluiten alles door te spoelen en de vriendschappelijke sfeer verder te zetten in een pub. We kiezen voor Sir Winston Churchill, waar er een groot terras aan de straatkant is. Wat de Britse staatsman met deze stad te maken heeft, weten we niet meteen, maar het blijkt wel een van de oudste bars van de stad te zijn. Het is ook een bijzonder groot complex, met diverse bars en dansvloeren, maar binnen zit er nauwelijks iemand. De vernieuwde inrichting vind ik toch nogal stijlloos, zoals de meeste bars in dit deel van de wereld, heb ik de indruk.

De serveersters blijken allemaal identiek, op de haarkleur na: barbiepopjes met een taille waar men met twee handen om heen zou kunnen en een wat naïeve blik in de ogen. Ze hebben zich allemaal in een strak, mouwloos en ultrakort jurkje gewurmd en Peter stelt zich vragen bij het aanwervingsbeleid van deze pub. Kan iemand met een (miniem) maatje meer hier werk krijgen? Dit leidt tot allerlei grappige opmerkingen en we moeten besluiten dat we de poppetjes een klein beetje uitlachen. Ik maak voor de gelegenheid een cartoon en Chris blijkt met zijn makkelijk te stereotyperen uiterlijk een makkelijk slachtoffer daarvoor. De sfeer is zo  optimaal dat ik de rekening voor mij neem (nadat Elin & Chris ons een dag eerder allemaal een shot voorschotelden in Le Sainte Elisabeth). Dat kost me 45 dollar of 33 euro, wat bevestigt dat vooral het cafébezoek in de VS en Canada duurder is dan in ons land. De biertjes zijn weliswaar óók groter.

We wandelen laat op  de avond terug naar onze auberge, allemaal toe aan een goede nachtrust. De volgende ochtend hoeven we pas om 10u klaar te staan. We zijn een goed uur aan het rijden als Peter met het oog op de grensovergang beseft dat hij in alle drukte – hij is verantwoordelijk voor het onderhoud van de wagen, parking, benzine, aanhangwagen – domweg zijn eigen bagage vergeten is. We rijden dus nog maar eens terug en nemen zo een tweede keer afscheid van het gezellige Montréal.

Elin & Peter

Ik heb het nog niet  gehad over de muziek in de wagen. Dat was een iets minder prettig aspect van het reizen in groep. David was de eerste die zijn mp3-speler aansloot en ons trakteerde op zijn muziek. Dat bleek in de eerste plaats vooral gitaarmuziek te zijn – David is een echte gitaarfreak – waaronder beslist te veel Metallica. Gelukkig besefte Peter toen al na een liedje of 3 dat dit niet aan iedereen besteed was. In de dagen daarop bepaalde vooral Peter waar we naar luisterden: country, typische Amerikaanse mainstream à la Springsteen, Neil Young – degelijke artiesten maar toch weinig gevarieerd en enigszins traditioneel – , véél sportpraat op Amerikaanse radiozenders en nog maar eens country. Gelukkig stond de radio soms ook uit. Vandaag laat Elin ons horen wat haar mp3-speler bevat en dat blijken toch ook vooral Amerikanen te zijn, zoals Beyoncé, Timberlake en mindere goden. Luisterbaar soms, maar toch laat het mij vooral beseffen dat ik een veel meer Europese smaak heb: ik luister liever naar Belgische en Britse artiesten en als het dan Amerikanen zijn dan zijn ze iets alternatiever dan de mainstream. Peter heeft als Amerikaan nog nooit gehoord van Feist, die we aangekondigd zien staan voor een optreden in de buurt.

ABBA – uit de muziekverzameling van Elin uiteraard – begeleidt ons naar de grens met de VS.  Na een snelle picknick op een parking, waarbij Peter nog wat houtblokken uit de aanhangwagen gooit wegens verboden mee over de grens te nemen, houden we lichtjes gespannen halt aan de douane. Het onthaal is erg vriendelijk en er zijn geen problemen. Net als toen we Canada binnen reden, blijken de ervaringen van Peter niet te kloppen met wat we nu beleven. We ontdekken ook dat Chris eigenlijk Christopher heet. Hij vertelt ons dat men in Ierland tot halfweg de jaren ’80 verplicht was een Bijbelse naam te kiezen voor kinderen.

Omdat we vandaag veel tijd hebben, houden we halt aan brouwerij Magic Hat. Deze ontstond in de hoogdagen van de hippiecultuur en de huidige bedrijfscultuur is nog steeds erg easy-going en lichtjes subversief. Een geleid bezoek ligt ons minder, we snuisteren wat in de shop en proeven van het bier. Belichting en kleur van de shop neigen nogal naar het psychedelische, maar enkele aankondigingen en de uitleg bij het brouwproces getuigen wel van een gezond gevoel voor humor.

Onze volgende stop in het groene en heuvelachtige Vermont heeft te maken met een haast iconisch Amerikaans merk: de ijsfabriek van Ben & Jerry’s. Dit maatschappijvriendelijk bedrijf, dat toch wel érg lekker ijs op de markt brengt, werd eind jaren ’70 opgericht en kent intussen succes over de hele wereld. Uiteraard is een guided tour, in de VS zowat vanzelfsprekend. Het fabrieksgebouw is erg klein en vandaag wordt er zelfs niet gewerkt, maar er is veel volk. We moeten 40 minuten wachten voor we kunnen deelnemen aan een tour. Een shop en enkele nevenattracties houden ons intussen bezig. Iedere 10 minuten worden zo’n 40 mensen rondgeleid. Ik zie er vooral een illustratie van de extreme onnozelheid van de doorsnee Amerikaan. De jeugdige gids dreunt zijn lesje mechanisch af en moet toch tal  van grappig bedoelde opmerkingen, flauwe moppen en ergerlijke kreetjes van bewondering bij ieder detail verdragen. Na 20 minuten  staan we alweer buiten, dus erg veel hebben we niet geleerd over ijs, des te meer zijn we gehersenspoeld: Ben & Jerry’s zijn de beste. Nu heb ik natuurlijk al enorm genoten van dit lekkere en naar het schijnt vetarme ijs, maar in België vind je het nauwelijks. Enkel in bioscopen en videotheken vind je deze veel te dure lekkernij, maar dan enkel in vergezochte smaken. Ik leer in de fabriek hoe dat komt: de 5  soorten die je bij ons kan kopen, staan bovenaan in de top 20 van populairste smaken. Het zijn geenszins standaardsmaken en ze hebben gegarandeerd abstracte namen als Funky Cookie Crazy Donut Monkey Fairly Vanilla, wat bij ons geen mens kan onthouden. Ik denk dat Ben & Jerry’s geen goede marktonderzoekers heeft en veel kansen laat liggen, want als ze meer gangbare smaken als simpelweg chocolade bij ons in de winkel op de hoek zouden aanbieden, zou die volgens mij, als fervent ijsjeseter, goed verkopen.

We krijgen een proevertje op het einde van de tour en de Amerikanen kunnen zich nauwelijks bedwingen. Nog meer erg onnozel gegrap volgt en wanneer de smaak van die dag dan nog chocolade met munt betreft, een afschuwelijke combinatie, wil  ik echt naar buiten om me aan het kraampje een reusachtig ijsje naar mijn zin te kopen. Peter ziet het anders: we kopen hier ijs als dessert voor onze zelfgemaakte maaltijd vanavond, maar ik hang de Sven uit: ik kies niét samen met de anderen 4 smaken uit die iedereen aanstaan, ik wil mijn ijsje nú en voel een kleine ergernis opborrelen: wil men mij hier verbieden een ijsje te kopen? Ik keer de groep de rug toe en schuif aan voor een eigen ijsje.

Ik verpest met dit akkefietje geenszins de sfeer hoor. Wat volgt, zal onze meest aangename avond van de reis blijken. Maar dat is voor de volgende keer!





On the Road (6)

28 07 2010

Na een zeer ontspannende eerste avond in Montréal hebben we vandaag de hele dag om deze stad te verkennen. In de voormiddag stelt Peter ons jetboating voor, een wilde boottocht over de St.-Lawrencerivier waarbij je gegarandeerd nat wordt. Ik heb nog geen zwembad te zien gekregen de afgelopen week dus mij spreekt het wel aan in deze warme dagen wat waterpret te beleven, zeker na de iets te tamme beneveling aan de Niagarawatervallen. Chris moet helaas afhaken, hij raakt simpelweg niet uit zijn bed.

Voor het vertrek zullen we alweer een poncho moeten aantrekken. Geen plastic exemplaar gelukkig, dat zou overigens nauwelijks volstaan. We dragen er ook hilarisch ogende duikschoenen bij. De instructeur biedt ook warme truien aan, en vertelt dat heel wat toeristen uit warmere landen het al snel erg koud hebben en zo’n trui onder de poncho dan best appreciëren. Met ongeveer 35 mensen nemen we dan plaats in een boot die erg doet denken aan pretparkattracties. De eerste 15 minuten vaart de boot met volle snelheid de haven uit. Een begeleidster brabbelt ons allerlei onverstaanbaars toe in een megafoon en met een zodanig sterk Frans accent dat ook zonder wind en opspattend water niet echt duidelijk zou zijn wat ze ons allemaal meedeelt. Van op het water hebben we een prachtig zicht op de stad en ik zie in de verte Habitat 67 liggen, een gebouwencomplex dat ik omwille van zijn bijzondere architectuur deze namiddag eens zou willen bekijken.

De boot nadert de plek waar het allemaal moet gebeuren. Hier  – en hoe dat komt is me niet duidelijk, misschien was het dat wat de begeleidster verklaarde – stroomt de rivier plots razendsnel en heb je ook tal van draaikolken (‘whirlpools’). De dame verdwijnt in een beschuttend hokje en de wij krijgen al snel de ene golf na de andere over ons heen. Als een dolgedraaide dolfijn schiet de boot telkens weer omhoog om dan met veel kracht weer neer te komen op de wilde golven. De watermassa die we over ons heen krijgen neemt steeds grotere proporties aan, tot we vrijwel compleet doorweekt zijn. Het is spectaculair en simpelweg plezierig, maar als we na 30 minuten terug koers zetten naar de haven, is het wel voldoende geweest. Gelukkig is het al erg warm, op een minder mooie dag lijkt dit me net iets minder gezellig. Echt goedkoop was dit ook niet – omgerekend 48 euro – en ik zou het wellicht nooit uit mezelf doen, maar het was anderzijds wel tof en het zorgt voor variatie in de activiteiten.

Bij onze terugkeer wil ik echt eerst wat rusten. Niet dat het jetboating zo vermoeiend was, maar deze reis vraagt veel energie en mijn bioritme is nog niet op peil. Bovendien moesten we wel erg vroeg op staan. Na de powernap ga ik op mijn eentje Montréal bekijken. Het is een gezellige stad met veel groen en ruimte voor fietsers en de metro is, zoals overal behalve misschien in Londen en Parijs, eenvoudig in gebruik. Ik stap af bij de halte die het dichtst bij Habitat 67 ligt en besluit de rest te voet te doen, hoewel het niet vlakbij is. Maar ik ken mijn stapvermogen en binnen het half uur ben ik ter plekke. Dit gebouwencomplex is een lust voor het oog, al is het na meer dan 40 jaar wel wat van zijn glorie verloren. Maar de bijzondere stijl waarin het gebouwd is, de heerlijke, schijnbaar nonchalante manier waarop de wooneenheden op elkaar gestapeld zijn, en de ligging maken er toch een bezienswaardigheid van. Het omliggende groen maakt volledig deel uit van het complex en voorbijgangers wordt via diverse bordjes de toegang ontzegd, hoewel er geen afsluiting is. Ik fantaseer even over het wonen hier – dit is niet alleen een apart gebouw, de bewoners beschikken ook over allerlei extraatjes zoals o.a. een shuttle naar het centrum van de stad – , maak wat foto’s en zet mijn weg verder.

Ik heb niet zoveel zin om dezelfde, eentonige weg terug te nemen en ik kijk op mijn plan hoe ik langs een andere kant toch bij de metro kan komen. Ik zie dat er een klein parkje is verderop waar de metro langskomt, dus wandel ik er heen. Helaas heb ik me, zoals het elke toerist wel eens overkomt, vergist: de metro stopt niet in dit park en meer zelfs, ik zie eigenlijk helemaal geen metro. Ik ben trouwens het water overgestoken en vraag me toch af of Montréal een metro onder water zou bouwen voor dit klein stukje schiereiland. Maar goed, wat nu?

Wie dit echt allemaal niet zo specifiek wil weten, kan de volgende alinea’s gerust overslaan. Ik reconstrueer voor mezelf graag even waar het misliep. U ziet me op het plan de oranje route wandelen van metro tot Habitat 67. Dan beland ik in dat parkje – overigens zeer mooi maar ook wat desolaat, er zijn amper mensen – keer een stuk terug en zie, toch wel erg vermoeid al, geen andere optie dan de brug over te steken. Mijn plan is om de metro te nemen op het eiland. Wanneer de brug eindelijk achter me ligt, beland ik op het eiland in een soort tussenwereld. Ik tref geen mens aan, al hoor ik wel heel wat verkeer in de buurt, en volg een wandelpad dat me volgens mijn kaart naar de metro moet leiden. Ik stuit echter op werkzaamheden en een man doet van ver teken dat ik niet verder mag. Ik kom uiteindelijk via omwegen bij de biosfeer terecht, een natuurkundige attractie waar gelukkig veel volk rondloopt. Mijn kaart toont geen weergave van al die kleine wandelpaadjes dus ik weet even later niet echt precies waar ik ben. Ik zie  ook nergens pijlen naar de metro en begin me zelfs af te vragen hoe hier een metro kan zijn, midden in een park. Ik heb geen weet van een tunnel en er is ook niets bovengronds te zien. Ik aarzel om mensen aan te spreken, want als hier eigenlijk geen metro is, sta ik wel voor aap natuurlijk. Anderzijds staat het toch duidelijk op mijn kaart! Vrijwel iedereen die er rondloopt is trouwens toerist en weet niets over een metro of ze wijzen me vaagweg een richting aan.

Ik heb dorst en ben kapot – gelukkig is het niet al te zonnig vandaag – en begin behoorlijk pissed te worden. Waar is hier het informatiecentrum? Waar staan de nodige pijlen? Wat is dit voor een bizar eiland? Wat doen de mensen hier terwijl duidelijk is dat hier niets te doen is? Ik tref een groot gebouw met een openluchtzwembad aan. Er is haast niemand, maar de speeltuin er tegenover lokt wel redelijk wat mensen. Hier moet ik toch wat te drinken kunnen kopen? Of een ijsje misschien? Niets te bespeuren. Ik loop te vloeken, neem willekeurige richtingen en zie dan eindelijk een pijl naar de metro. Godzijdank! Ik neem alvast mijn metroticket.

Maar weer pech: er staat een hek voor de weg die ik in moet slaan, wegens werkzaamheden. Ik volg het hek in de hoop op een ingang, maar het is zinloos. Ergens daar achter dat hek en die bomen, moet de metro zijn, hoewel me dat nog altijd surrealistisch lijkt zo midden in een park. Maar ik raak er niet. Ik begin me radeloos te voelen. Niet omdat ik niet weet waar ik ben – ik ben er gerust in dat op tijd terug in mijn hotel geraak – maar wel omdat ik misschien wel nog uren zal moeten stappen – misschien wel helemaal terug vanwaar ik gekomen ben. Tja, ook dit hoort  bij reizen en steden bezoeken en ik geef mezelf een schouderklopje omdat ik er toch kalm onder blijf. Maar in mijn achterhoofd groeit de nachtmerrie dat ik voor eeuwig en altijd op dit stomme eiland moet blijven.

En dan zie ik plots een parking en een loket en een kraampje en weet ik veel wat nog allemaal aan de rand van het eiland: hier blijkt een ferry te stoppen. En hij ligt net aan wal! Ik ren er heen, zie niemand in het hokje zitten en loop dan maar door naar de boot. De schipper leidt net een handvol mensen aan boord. Ik meld hem dat ik geen ticket heb en hij stuurt me bedaard de boot op met de melding dat ik straks kan betalen. Het eerste dat ik zie is een drankautomaat en ik stort me er op. En dan vertrekt de overzetboot en kan ik eindelijk dat eiland een welgemeende fuck you toewensen.

De schipper merkt wel op dat hij eerst nog naar een andere stopplaats moet vooraleer terug naar de stad te varen. Het kan me allemaal niet schelen, ik ben blij dat ik zit en drink. Ik heb net niet genoeg kleingeld voor een ticket en wil betalen met 50 dollar, maar de schipper is tevreden met het kleingeld. Misschien heeft hij te doen met deze verwilderde, misschien zelfs paniekerige toerist.

Ik plof neer op het achterdek, zet mijn mp3-speler aan en laat een langverwachte kalmte over me heen komen. Mijn dag is nog niet helemaal om – het is iets na 4 – maar ik vrees dat ik Montréal voor gezien houd. Ik hoef niet meer te winkelen en wil dat park op die heuvel met dat befaamde uitzicht al niet meer zien. De boot vaart intussen toch wel behoorlijk ver weg (blauwe lijn op de kaart), maar daarna verloopt alles als voorzien en een half uur later ben ik dan  – eindelijk – terug in de stad. Mijn laatste zucht van ergernis wordt geslaakt.

Ik neem de metro en stap uit bij een drukke winkelbuurt. Daar kan een Ben & Jerry’s me bekoren nadat ik in Toronto ook al genoten had van hun chocolade-ijs. Het kost even moeite uit te leggen wat ik wil – wat is ‘hoorntje’ in  het Engels? Maar dan blijkt het chocolade-ijs op! Straciatella dan maar, maar dat woord kent het meisje niet. Haar Engels is ook erg pover en we raken er dus niet goed uit. Maar uiteindelijk zit ik op een bankje met een bananenijsje.

Wordt vervolgd!





On the Road (5)

27 07 2010

Na een onderkoelde nacht in een over-geairconditioneerde kamer en verwarde dromen over de regels en tactieken van een baseballmatch, staan we zeer vroeg op en verlaten we Toronto. Het zal een lange rit worden, maar we vervelen ons geenszins. Wel valt ons op – en nu ga ik dus nóg een keer zagen over airco – dat het in de auto erg koud is. Wie een trui of jasje bij zich heeft in de wagen, maakt daar dankbaar gebruik van. Uiteindelijk vraag ik toch aan Peter – correctie: meldt ik aan Peter – dat het te koud is. Misschien ben ik wat kregelig omdat hij dat zelf niet merkt. Het is zo’n mooi weer en wij zitten in een koelkast.

Onderweg houden we halt bij een supermarkt langs de snelweg. Het is een reusachtige en keurige winkel, die weinig heeft van dat rommelige en drukke van de doorsnee Amerikaanse winkels. Zeg maar chique. Peter verdeelt de taken: we moeten eten kopen voor de picknick die middag. We zijn een groep met initiatief, dus op een mum is alles gekocht. De aanhangwagen beschikt over koelboxen, dus we kunnen nog een uurtje doorrijden. Achter het groezelige wegrestaurant waar we dan stoppen, blijkt een prachtig stukje groen te  liggen met bomen en picknicktafels. Beeldt u geen obligaat stukje gazon in met een vuilbak en een halve tafel zoals u die ook langs Vlaamse autosnelwegen vindt. Dit is een half bos, glooiend – hier is natuur nooit plat –  en idyllisch. Er zit niemand dus we kiezen de beste tafel, half in de zon, half in de schaduw, en we genieten van onze zelfgemaakte boterhammen. Het brood is hier nergens echt stevig, maar er is veel keuze en alles smaakt. Er heerst een echt vakantiegevoel.

Na lang rijden – waarbij Maren ook nog een keer vraagt om de airco lager te zetten – komen we aan in Montréal. We weten al dat het wel meevalt wat Frans spreken betreft, maar ik ben wel het enige groepslid dat die taal spreekt. Maren wil kost wat kost wat Frans leren. Dan komen we aan in ons hostel – hier ‘auberge de jeunesse’ genoemd. Het is erg gezellig en de service is hartelijk. Dat was in Toronto ook wel het geval, maar hier is de afstandelijkheid toch kleiner. We installeren ons snel en dan ga ik al gauw de stad even in om alweer een BMO – Bank of Montréal – te vinden. Wat in Montréal niet zo moeilijk kan zijn.

Om 19.00u verzamelen we om te gaan eten in O Noir, een erg bijzonder restaurant. Het is er volledig donker. Het concept lijkt wat zinloos, want waarom zou je er dan nog gaan eten? Maar we laten ons toch overhalen. Dat het eten er wat duurder is, overtuigt ons net dat het niet zomaar een toeristenlokkertje is. Je wordt ontvangen in een vestibule met bar, waar een vriendelijke dame je opwacht. Er wordt gevraagd gms’s en alles wat licht kan geven achter te laten en vervolgens kies je uit het menu wat je die avond wil eten. Er wordt ook gevraagd om aan tafel te blijven zitten. Naar het toilet ga je dus vooraf of nadien.

Vervolgens komt een blinde ober ons halen. We moeten in rij gaan staan en een hand op de schouder leggen van de persoon voor ons. Is dit een pretparkattractie? We stappen een pikdonkere ruimte binnen. We zien werkelijk geen hand voor ogen. Het is er muisstil want wij zijn de eerste gasten. De ober wijst ons een stoel aan door onze hand er op te leggen. Ik ga als eerste zitten zonder besef te hebben waar ik zit. Aan een lange of ronde tafel? In het midden of aan de rand? Tegen de muur? Ik merk dat Chris naast me zit en er langs de andere kant een lege stoel is. Ik volg met mijn handen de rand van de tafel tot ik een hoek voel. Sina vermoedt dat ze tegenover me zit maar als we allebei onze handen uitsteken, tasten we in het duister. Dit zijn blijkbaar erg brede tafels.

We spreken allemaal onze verwondering uit maar stellen al direct een probleem vast. Je hebt geen idee wie er naar je luistert. Met als gevolg dat we allemaal door elkaar praten en mensen grappen maken waar niemand om lacht. Toch vinden we dan een soort ritme en vooral wat rust en wachten we nieuwsgierig op wat er komt. De ober bezorgt onze drankjes. Eerst maakt hij duidelijk tot wie hij zich richt door dicht bij deze persoon te staan en natuurlijk ook door te zeggen welk drankje hij aanbiedt. Dan steek je je hand uit, ergens in de donkerte voor je, tot je een glas of een hand voelt. Dat loopt alvast gesmeerd. Het zijn brede glazen die niet makkelijk kunnen omvallen, want die kans zou er in zitten als je in het rond moet tasten op zoek naar je glas.

Ons voorgerecht komt al snel – een champignonslaatje – en is erg lekker en verzorgd. Ook bij het hoofdgerecht stel je vast dat eten heel mentaal gebeurt. Je hebt geen idee hoeveel er nog op je bord ligt dus kan je niet inschatten of je zal genoeg hebben of je bord niet leeg zal krijgen. Je kan ook niet kiezen wat je op je vork steekt. Soms hap je ook naar lucht, letterlijk, omdat je er niet in slaagt een blad sla of zo op je vork te krijgen. Uiteindelijk komen de vingers er aan te pas. Om te voelen wat er nog ligt en om de boel bij elkaar te schrapen want enkel met je vork lukt dat niet.

Het meest vervelende is dat er intussen nog een pak andere mensen in de ruimte zitten en die maken gigantisch veel lawaai. Erger dan in de refter van een school. Dat komt vooral omdat er in één groepje iets gevierd wordt en dus wordt er gezongen – waarbij de mensen van een andere tafel zelfs meezingen – maar ook omdat al die mensen net als wij geen idee hebben wie hen hoort of tot wie ze zich richten. Dus roepen ze maar. Ik stoor me toch enigszins aan hun onbeleefdheid en gebrek aan zelfbeheersing en het doet beslist afbreuk aan de gezelligheid. De obers (allemaal blind of slechtziend, wat in dit geval natuurlijk niet uitmaakt) zijn de enigen die rondlopen en om te vermijden dat ze op elkaar botsen herhalen ze monotoon een bepaald woord dat we maar niet verstaan. Het vergroot de kakafonie uiteraard. Maar het eten is echt uitstekend. Ons dessert is al even prima. Chris heeft een surprise genomen en heeft dus geen idee wat er op zijn bord ligt. Hij heeft de indruk dat het een soort taart is.

Stiekem hoop je dat er toch ergens even een lichtje aanfloept zodat je toch een indruk krijgt van de ruimte. Een foto nemen zou een grappig effect opleveren. Ook de tafelschikking blijft erg vaag. Ik hoor de anderen wel maar weet toch niet goed wie waar zit. De ober maakt intussen geen fouten, alles verloopt bijzonder vlot. Wanneer we klaar zijn vraagt hij nog of iemand naar het toilet moet. We zouden kunnen overwegen in het donker te betalen, maar wie zou daarmee het meest gefopt worden? Dus wordt je naar de receptie geleid waar gelukkig geen al te fel licht brandt. We rekenen af  (55 dollar of  zo’n 40 euro) en maken nog een praatje met de ober. Het geheimzinnige woord blijkt ‘tention’ te zijn, een afkorting van ‘attention’. Uiteraard, dat ik daar niet aan gedacht had. We vragen hem ook naar het lawaai. Dat vindt hij vandaag ten zeerste meevallen! Ik hoop enige kregeligheid te zien, maar hij lijkt er perfect te kunnen mee  leven.

We sluiten onze avond af met een drink in de grote tuin van de drukbevolkte  pub Le Sainte  Elisabeth (‘europeen pub’). Hoewel het pas 21.00u is het hier al donker, maar nog steeds erg warm. Het is dus een aangename zomeravond en we drinken op België want het café promoot Stella. De sfeer is zeer relaxed en mij valt de ongedwongenheid op waarmee we met elkaar omgaan, terwijl we elkaar amper 3 dagen kennen. Niemand in de groep lijkt het ergens lastig mee te hebben en ziet het zitten om nog 9 dagen met elkaar opgescheept te zitten.

Wordt vervolgd, uiteraard!

Lees hier

deel 1
deel 2
deel 3
deel 4





On the Road (4)

26 07 2010

Hét symbool van Toronto is de CN Tower, het op één na hoogste gebouw ter wereld. Het vraagt een uurtje aanschuiven om van een verbluffend uitzicht over de hele stad te genieten. Het zicht over deze opvallend groene stad is werkelijk eindeloos en adembenemend. Er is een kleine glazen vloer voorzien die een unieke maar ook wel beperkte kijk oplevert. Bezoekers halen de onnozelste capriolen uit en rollen onnozel en aanstellerig over het glas om toch maar een bijzondere foto te hebben van zichzelf. Op een vloer.

We keren terug doorheen de drukke winkelstraten van Toronto . Het is stikheet op een draaglijke manier, maar mijn hoofd heeft wel de kleur van een tomaat aangenomen. We doorkruisen ook de mooie en rustgevende campus van de universiteit van Toronto. Stilaan vinden we dat we de stad wel gezien hebben. Het gedeelte dat op onze kaart staat hebben we vrij goed verkend, maar Toronto is eigenlijk nog ontzettend veel groter. Ik voel mijn voeten niet meer en hoop op nog een half uurtje rust vooraleer we naar het baseballstadion trekken. Aan de andere kant van de stad.

In Toronto, en andere grote steden in de VS en Canada is vrijwel over wi-fi beschikbaar. Op een bepaald moment turen zowel Elin, David en Chris naar hun geavanceerde gsm, maar ze beseffen al snel dat dat niet meteen voor gezelligheid zorgt. Ook in de hostel zitten massa’s backpackers op laptop of varianten daarop te tokkelen. De leefruimte zit vol, ieder voor zijn eigen schermpje. Ik vind dit een opmerkelijke evolutie. Je vraagt je af of ze als soloreiziger nog aan sociale contacten toekomen en waarover ze maar kunnen blijven communiceren als ze gewoon op hun kamer blijven zitten. En hoe neem je een laptop mee in een rugzak? Ik ben blij  met mijn ouderwetse notitieboekje.

De groep vervolledigt zich opnieuw en in de metro beschrijven we onze ervaringen van die dag aan elkaar. Dan naderen we het Rogers Centre, het baseballstadion van Toronto. In eigen land ben ik nog nooit naar een sportwedstrijd geweest dus ik kan niet  vergelijken, maar dit gebouw is alleszins impressionant en reusachtig. In de gangen tref je de ene eetstand naast de andere aan. Frieten, hamburgers, pizza, gefrituurde kip, popcorn, hotdogs, chips, frisdrank, nacho’s, … noem maar op. Homer Simpson zou uit zijn dak gaan.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Vanuit de binnengang betreden we onze tribune en het uitzicht is fenomenaal. Het speelveld is énorm en de 50.000 zitjes (!) creëren een echt arenagevoel. Er is niet zo heel veel volk vandaag. De lokale Blue Jays spelen tegen een Amerikaanse ploeg, de Baltimore Orioles, en dat is blijkbaar niet zo’n heel belangrijke match. Ondanks de vele lege zitplaatsen gaat iedereen toch op de aangewezen plek zitten, zelfs al zit je dan wat opgepropt en moet telkens de hele rij rechtstaan als iemand honger of dorst heeft. Al meteen is er van alles te zien. Spelers en trainers begeven zich op het veld, er loopt een cameraman rond wiens beelden in perfecte resolutie op een reusachtig scherm worden getoond, een mascotte doet wat van hem verwacht wordt. Dan treden twee zangers naar voor die  de twee volksliederen van de deelnemende ploegen zullen zingen. Peter maant ons aan om op te staan. Ik frons mijn voorhoofd (da’s een grote frons) want dit is toch mijn volkslied niet? En ik ben nu eenmaal niet de enthousiasteling die vooral doet wat anderen doen óf me zeggen wat te doen. Maar ik wil vooral niet het soort Sven zijn dat Peter onlangs nog beschreef, dus ik sta netjes recht. Peter’s hand op zijn hart vind ik er dan weer flink over en ik rol  haast met mijn ogen omwille van zo veel patriottisch vertoon. Het Canadese volkslied is overigens veel mooier.

Het spel zelf is weinig interessant en ik knikkebol bij momenten. Peter tracht ons een basis van het spel uit te leggen, maar het boeit me niet. Er zit geen vaart in de match, want tactiek verhindert het tempo. De momenten dat er daadwerkelijk geslagen en gelopen wordt, zijn veel te zeldzaam. Het wordt langzaam donker en de CN Tower, die naast het stadion ligt, wordt kleurrijk verlicht. Het is een zwoele avond en er heerst een ontspannen sfeer. Ik blijf me verbazen over dit imposante gebouw. Het prijskaartje moet overweldigend zijn. Mocht theater over dergelijke infrastructuur beschikken, inclusief het verbluffend grote scherm, de verlichting en de excellente geluidskwaliteit, zou dat een rechtstreekse invloed hebben op de samenleving en op de beleving van cultuur in het bijzonder, daar ben ik zeker van.

Een oudere dame die aan een Haaltertse postbeambte doet denken, tracht onze tribune op te zwepen met ergerlijk gekrijs. Haast instinctief weiger ik ook maar een kreet mee te roepen. Gelukkig laat ook de rest van de groep zich kenmerken door rust en observatie, al zit Peter wel als een gek te supporteren voor de Amerikanen. Achter ons zitten twee broers van middelbare leeftijd met een gemeenschappelijke vriendin over alles te praten behalve baseball. Hun getetter is meer dan irritant, zo denkt ook Chris er over. Je vraagt je af wat deze mensen hier komen doen. Maar anderzijds is er op zoveel momenten eigenlijk niets te zien.

Een homerun zorgt er voor dat het publiek een eerste hoogtepunt beleeft. Er zullen er nog twee volgen op een match die uiteindelijk bijna drie uur duurt. Maar net dan staan wij aan te schuiven voor een vette hap, want we zijn intussen flink hongerig geworden. Om 10.00u is de match ten einde, Toronto heeft gewonnen. De massa begeeft zich naar de uitgang en de straten stromen vol. Chris wil nog uitgaan, maar de rest van de groep is collectief doodop en zoekt het bed op. We moeten morgen vroeg op.

Wordt vervolgd.

Lees hier deel 1, deel 2,deel 3





On the Road (3)

25 07 2010

Het spijt ons niet het stadje Ithaca te moeten verlaten en we ontbijten snel in een Donkin Donuts, waar ik toch voor een zo gezond mogelijke hap kies. Na een rit van een drietal uur zijn we al in Niagara, wat ons allemaal een beetje binnensmonds doet vloeken want het betekent dat de afstand New York-Niagara echt wel in één dag te overbruggen viel en we Ithaca gerust links hadden kunnen laten liggen. Anderzijds was het best een aangename dag en hebben we ook mooie dingen gezien.

Tja, de watervallen dan. Waarvan ik vermoedde dat ze toch niet zo indrukwekkend zouden zijn, zoals ook het Vrijheidsbeeld dat niet was. Maar ze ogen toch behoorlijk impressionant. Je ziet al van ver waar ze liggen, door de reusachtige nevelwolk die er boven zweeft. Langs de kant van de VS is het net iets minder spectaculair, omdat je langs Canadese zijde de watervallen veel meer op je ziet afkomen. Bovendien zie je langs die kant ook veel duidelijker dat er twee watervallen zijn.

Er heerst een wat pretparkachtig sfeertje, en de drukte valt best wel mee. Het is er dan ook groot genoeg en er zijn tal van uitkijkposten om alle nieuwsgierige toeristen plaats te bieden om het schouwspel te bekijken en te fotograferen. Vooraleer we de grens oversteken, willen we een boottocht maken langs de watervallen. Voor 12 dollar kan je plaatsnemen op The Maiden of the Mist (Peter: ‘Let’s get you guys on that boat!‘). Iedere passagier krijgt een wat ridicule blauwe plastic poncho aangestoken, die eigenlijk niet zo heel erg nodig blijkt. Je voelt weliswaar de nevel op je neerdalen, maar je raakt er verre van doorweekt van. Nu is het wel een hete dag natuurlijk, als er meer wind is wordt je wellicht natter. Ik geniet van de boottocht omdat je wel erg dicht bij de watervallen komt, maar het milieuvervuilende aspect van die poncho’s is me er dan weer te veel aan. Stiekem snak ik eigenlijk naar een iets wildere pretparkattractie waarvan je toch een beetje nat wordt.

Om de trivialiteit van het hele gebeuren te onderstrepen, zit de student die als toezichter is aangesteld, ostentatief in Ulysses van James Joyce te lezen. Met zijn nerdy bril en woeste krullen onder een Amerikaans petje lijkt hij wel uit een Amerikaanse komedie te komen. Na de boottocht nemen we de tijd om de watervallen ook van de andere (drukkere) kant te bekijken. De blauwe figuurtjes op de boot, die wij daarnet waren, zien er eigenlijk heel onnozel uit, samengepakt op de golven.

Het Hard Rock Café waar we willen lunchen, zit veel te vol, dus we kiezen voor een snelle snack aan een kraampje. Ik ga voor pizza en die smaakt me heerlijk. Iedereen lijkt zich erg ontspannen te voelen in de groep en we lijken allemaal goed met elkaar te vinden (Peter: Sweet!). Dan is het tijd om de grens over te steken. Peter pakt uit met verhalen over de gemoedelijkheid en vriendelijkheid van de Canadezen, terwijl de grens oversteken van Canada naar de VS dan weer tijdrovend en lastig kan zijn. Maar de zakelijke ontvangst en collectieve ondervraging komen niet met dat beeld overeen. Sina vraagt nadien terecht: ‘Zhis were zhe friendly guys?’.

Dan volgt een behoorlijk saaie, twee uur durende rit waarbij we zo goed als niets van Canada zien, op een snelweg na met bomen langs. De E40 maar dan langer en iets groener. Je ziet in de verte weliswaar de herkenbare, prachtige skyline van Toronto, maar het duurt ontzettend lang eer we er echt zijn. Op een verder vrijwel horizontale horizon, tekent de stad zich duidelijk af, met de CN Tower als opvallendste accent. Hoe doen ze dat daar toch dat je elke grote stad vanuit de verte kan zien liggen?

Toronto ligt te blinken in de zon. Het is een vrij nieuw aandoende stad, alsof ze er nog maar enkele jaren is. Hoewel het de grootste stad van Canada is, komt ze erg bevattelijk over. De sfeer is nog sterk Amerikaans, waardoor de stad wat aan New York doet denken, maar er is veel minder hoogbouw waardoor ik ook met Brussel durf vergelijken. We worden wel meteen gewaarschuwd welke straat we beter mijden, vooral ’s nachts. We arriveren in onze jeugdherberg, waar net een barbecue wordt georganiseerd. Wie een zonnebril draagt krijgt zelfs een biertje gratis. Peter vraagt ons of we het zien zitten daar te eten en dat vinden we best want het is goedkoop en we zullen nog genoeg op restaurant gaan. Het is helemaal niet druk op de patio waar er gebarbecued wordt en de grote steak is enorm lekker.

Hoewel ik me niet te oud voel voor een jeugdherberg – je vindt er trouwens mensen van alle leeftijden – en ik het niet erg vind een kamer te delen, vind ik me minder in de wat opgeklopte  Where Are You From-sfeer. Toch kan een wispelturige Schotse ons overhalen mee te gaan op de pub skroll die ze organiseert. Een kroegentocht zeg maar. Ze is in haar nopjes dat haar initiatief wel 20 mensen weet te lokken, maar dat betekent wel dat de eerste kroeg eigenlijk al te klein is. De tweede pub is veeleer een taverne dan een kroeg en is weinig spectaculair. Toch is de sfeer erg ontspannen en spreekt iedereen elkaar vlot aan. De meeste van deze mensen zijn alleen op reis en zijn gewend te socializen met vreemden. In een reusachtig glas wordt een plaatselijk bier geserveerd.

David & Chris

De volgende (Ierse) pub lijkt veel meer op een echte bar. Er staat een zanger met een gitaar en er zit veel jong volk, die allemaal uit de jeugdherberg lijken te komen. Zowat iedereen drinkt bier. Frisdrank lijkt geen rol van belang te spelen. Cola wordt gewoon uit een blikje in een plastic bekertje geschonken, toch weinig stijlvol. Voor zo’n wereldstad vind ik dit ook niet zo’n professioneel café.

Ik voel de vermoeidheid toeslaan en Elin beweert dat je per dag maar één uur inhaalt van het tijdsverschil. Logisch dus. Om middernacht geef ik er dan ook de brui aan. Sina en Maren zijn al vertrokken, David vermijdt alcohol, Chris verbroedert met een Brit en Peter lijkt eindelijk wat te ontspannen. Ik vertrek alleen maar na 5 minuten heb ik geen idee waar ons verblijf is. Er was een kerk tegenover, maar de kerk die ik nader is eigenlijk een andere. En de kaart van Toronto die we gekregen hebben, ligt op mijn kamer. Het lijkt me dus het verstandigste terug te keren. De Schotse zit buiten en legt me met plezier de weg uit.

De kamer is warm, maar onder enkel een laken slapen is zeer doenbaar, zelfs aangenaam. Toch vinden de anderen dat de airco aan moet en dus luister ik de hele nacht naar het geblaas van dit vervloekte apparaat. Ik hoop vooral dat het me geen verkoudheid oplevert zoals de twee vorige keren in de VS en gebruik dus maar een deken. In een stad waar het in de zomer ’s nachts nog altijd 20° is. Dwaas.

De volgende dag zullen we doorbrengen in Toronto. Ik kijk er naar uit even te internetten en moet ook een bank zoeken want mijn kaart weigert dienst aan de gewone bankautomaten en ik heb nog geen Canadees geld. Na enigszins uitgeslapen te hebben, stap ik een bank binnen waar een vriendelijke bediende me uitlegt dat je met een MasterCard niet aan elke automaat terecht kan, maar enkel aan die van BMO, the Bank of Montréal. Zo is er gelukkig eentje vlakbij, maar ik ben toch ontevreden over de diensten van ING, die me verzekerd hadden dat ik probleemloos geld zou kunnen afhalen in het buitenland.

Ik lees daarna snel mijn mailtjes maar vergeet wel het nieuws te lezen en heb ook geen tijd om een blogartikel te schrijven, want Chris, David en Elin staan te wachten om naar Toronto Island te varen met de ferry. De Duitse meisjes maken een eigen uitstap en Peter moet zich met allerlei voorbereidingen en verwerkingen bezighouden. Met de metro raken we vlot aan de haven, waar twee ferry’s klaarliggen. Op de ene zit een massa volk, op de andere haast niemand. Toch varen ze beiden naar het eiland. We kiezen uiteraard de minst bevolkte, al brengt die ons niet naar het midden van het eiland.

Toronto Island is een droomachtige plek. Het lijkt op een reusachtig park met straten en zelfs enkele huizen én een brandweerkazerne. Wie woont hier, of beter gezegd, wie heeft het geluk hier te wonen? In al dit groen en deze rust? Er zijn tal van plekjes waar je in de zon of  in de schaduw zou willen liggen om weg te dromen. We slenteren een half uurtje door het gedeelte van het eiland waar niet veel volk lijkt te komen. Langs de ene kant biedt het eiland een schitterend zicht op Toronto, aan de andere kant ligt dan bizar genoeg het reusachtige Ontario Lake, waarvan je de overkant niet eens kan zien. Het eindeloos uitzicht, het strand en de rotsen aan die kant van het eiland, doen aan een eiland in de Middellandse Zee denken.

In het midden van het eiland is meer volk te vinden. We huren fietsen en pauzeren op een bankje met zicht op de stad. Er is ook een kleine luchthaven op het eiland en toevallig landt er net een vliegtuig, het lijkt recht op ons af te komen. In het restaurant waar we lunchen eet ik middelmatige zalm met rijst terwijl de anderen lekkere vettige dingen eten. Maar het spijt me niet, want vanavond gaan we naar een baseballmatch en daar wordt ongetwijfeld al even vet geschranst. Wat zal deze sportieve activiteit mij te bieden hebben? Een baseballmatch kan wel 3 tot 4 uur duren! Toch kijk er naar uit om eens de sfeer op te snuiven want dit typische Noord-Amerikaanse evenement.

Wordt vervolgd.

Lees ook deel 1 deel 2 en deel 4





On the Road (2)

24 07 2010

Na een snel en vroeg ontbijt is het tijd om de groep te ontmoeten waarmee ik de komende dagen enkele staten van de VS en Canada zal doorkruisen. Ik weet vooraf enkel dat het een internationaal gezelschap  betreft, maar heb geen idee van leeftijden of aantallen.

De groepsleider is de 24-jarige Peter, een bruingebrande Californiër die al heel wat van de wereld gezien heeft. Hij komt plichtmatig enthousiast over maar is goed voorbereid en straalt vertrouwen uit. De Duitse Sina, een boomlange advocate en haar landgenote Maren, begroeten me vriendelijk. De robuuste Ier Chris blijkt het vierde lid van de groep te zijn dat ouder is dan 30. Dat is fijn. De twee jongste groepsleden zijn de Brit David, die net die dag 21 wordt, en de Zweedse Elin die na twee jaar als au pair gewerkt te hebben in Washington, haar leven in de VS afsluit met deze reis. Iedereen doet zijn best sympathiek over te komen in diverse soorten Engels. Het achtste groepslid komt niet opdagen.

Ik had op meer volk gehoopt, maar nu weet ik niet meteen waarom eigenlijk. Dit lijkt een voldoende heterogene groep om er een aangename reis van te maken. Ons vervoermiddel is een luxueuze mini-van die geschikt is voor 13 personen en dus alle plek biedt om comfortabel te reizen. Peter houdt ons voor dat hij een prima chauffeur is en hoopt dat hij ondanks zijn leeftijd op ons respect kan rekenen.

Onder een al behoorlijke warme zon verlaten we New Jersey. In de auto wordt er luchtig gekletst om de kennismaking uit te  breiden. Peter geeft blijk van veel kennis over zijn eigen land én heel wat Europese landen, maar zijn familieverhalen doen een drang naar conformisme vermoeden, de hoop in het correcte Amerikaanse plaatje te passen. Elin is wat veramerikaniseerd in de twee jaar als nanny waardoor ze haar eigen land nu stilaan te klein is gaan vinden en ze haar toekomst ergens anders hoopt uit te bouwen. Maren is een PR-manager bij een Duits bedrijf en toont zich nieuwsgierig en geïnteresseerd in iedereen. Chris is beslist niet de hooligan waar men hem zou kunnen voor aanzien. Iemand die meer wil zien dan enkel de lokale pub gelukkig. Zijn Ierse accent is bijna grotesk. David noemt zichzelf een computernerd met een passie voor gitaren en formule 1 en hij gebruikt graag moeilijke woorden. Sina is de stilste. Ze zal zich iedere dag een ander kapsel en andere bril aanmeten, zo zal blijken.

We rijden Pensylvania binnen en genieten van een groen maar eentonig landschap. De lunch moet snel gaan vandaag – al zullen we ons later afvragen waarom eigenlijk – en daarvoor is de keten Subway geschikt. Op mijn broodje kalkoen liggen volgens mij twéé kalkoenen, zo dik belegd is het, maar het smaakt heerlijk. De cultuurverschillen leveren al meteen vraagtekens op: waarom eet Chris chips bij zijn broodje? In de VS, maar dus ook in Ierland, is dit niet zozeer een snack als iets dat je bij je boterham eet. Gelukkig vinden Sina en Maren dat even vreemd als ik.

Al snel na de middag zijn we terug de grens met de staat New York overgegaan en belanden we in Ithaca, een universiteitsstadje in bij de grens met Pensylvania. Het dorp ligt op heuvels en oogt eigenlijk wat verlaten. De vele typische Amerikaanse houten huizen komen wat verweerd over en overal groeit onkruid. Dat er geen mens op straat is, is vooral te wijten aan het uiterst warme weer. Het centrum oogt gelukkig wat aantrekkelijker. Tijdens het schooljaar wordt deze stad overspoeld door studenten van de Cornell University en is er dus gelukkig meer dynamiek. De bioscoop met enkel Europese producties lokt dan wellicht meer kijkers.

We logeren in een zeer doordeweeks en typisch motel, dat jammer genoeg geen zwembad heeft zoals de vele hotels die ik op mijn reis langs de Westkust van de VS ben tegengekomen. We verkennen de stad maar lijken door een oven te wandelen. Toch merken we daar slechts korte tijd iets van. Het leven is hier geairconditioneerd. In de auto, het motel, alle winkels en restaurants, is het koel. Dat mag dan wel nu erg van pas komen, ik heb er ook bedenkingen bij. Zoveel mensen op de wereld moeten het klimaat waarin ze leven aanvaarden, hier sluiten ze dat gewoon uit. Maar anderzijds: wij zetten toch ook onze verwarming aan in de winter? Toch genieten wij ook van een bries door een open raam, de regen na een warme dag, een koele woonkamer die de hele dag verduisterd was. Is dat niet wat minder kunstmatig? Met Peter valt daar niet over te discussiëren: airco ís belangrijk.

We maken een kleine uitstap (met de wagen) doorheen het gebied rond de stad. We bevinden ons bij Cayuga Lake, het grootste meer van de Finger Lakes, een adembenemend mooi gebied waar New Yorkers graag hun vakantie doorbrengen. De huizen zijn opmerkelijk mooier en verzorgder en hier en daar zijn er zelfs villa’s die aan het oog ontrokken worden door hoge afsluitingen. Het meer is omringd door heuvels, waardoor je de zeilbootjes vooral van bovenaf ziet. Schitterend!

We parkeren op een groot terrein aan het meer. De parkwachter is erg jong. Chris vraagt zich dan ook af of dit ‘a student walk’ is?

Peter: ‘A Student Walk? Euh… yeah, euh…’
Sven: ‘He’s saying: ‘ a student WORK’.
David: Funny, a Belgian having to translate between an American and an Irish.

Tja, het taaltje van Chris is wennen. Iedere ‘i’ klinkt als ‘o’. ‘Mine’ is ‘moine’ en ‘like’ is ‘loik’. Ook onze culturele verschillen zijn een onuitputbaar onderwerp van gesprek. De Duitsers zijn in de wolken met alle Duitse acteurs die ik ken (toch wel drie), maar Elin is minder thuis in Zweedse cinema. Peter vraagt haar een bekende Zweedse regisseur te noemen. Het lijkt wel het laatste te zijn waarover ze het wil hebben. Na lang nadenken zegt ze ‘Euh, that old guy who’s dead now‘. Ingmar Bergman dus.  We hadden op een moderner antwoord gehoopt, maar anderzijds: hoeveel 22-jarige Belgen zouden een passend antwoord kunnen geven over de cinema uit België?

We wandelen tot nabij de Taughannockwaterval, die we onderweg van bovenaf gezien en gefotografeerd hebben. Het is een zeer smalle maar erg hoge waterval die eindigt in een aantrekkelijk meertje. Enkele mensen zijn aan het zwemmen en ik heb bijna spijt dat ik mijn zwembroek niet bij heb. We laten onze voeten afkoelen en zijn tevreden dat dit wat doodse stadje dan toch iets te bieden heeft. De korte wandeling doorheen een schaduwrijk bos werkt eveneens ontspannend. Een zeer idyllische plek.

Terwijl het langzaam begint te regenen, arriveren we in een wijnhuis  – in het gebied zijn heel wat wijngaarden. Peter heeft ons vooraf gevraagd of we ook bereid zijn wijn te kopen, omdat het wat gênant is enkel te proeven. Maar de barman zegt ons zelf vooraf dat hij er alle begrip voor heeft als we niets kopen aangezien we op doorreis zijn. Onze wagen is nochtans groot genoeg. Voor 2 euro mag je 8 wijnen proeven. De half-zoete zijn het populairst maar wij zijn er toch het minst over te spreken. De droge en half-droge zijn het lekkerst en de wijn van het huis, de Finger Lakes Chablis, een soort Chardonnay, vinden we allemaal het lekkerst. Chris en ik kopen een fles ervan, die helemaal niet duur is. Ik voel me ook enorm aangesproken door de fugde, een uit boter en suiker bestaand dessert dat er overheerlijk uitziet en in tal van variaties bestaat. Jammer genoeg zie ik me dat in deze warmte niet meenemen (de porties zijn beslist te groot om het die avond zelf op te eten).

We eten in het restaurant van de wijnhandel. Een gezellige plek waar bijna geen andere gasten zijn. Ik geniet van een heerlijke Amerikaanse hamburger – en voor wie dat toch niet zou weten: dat is beslist géén McDonaldshamburger, maar een heerlijk en stevig stuk vlees op een bord met groenten. Jammer dat Amerikanen geen tafelcultuur hebben. Hoewel het erg gezellig is en er geen andere gasten zijn, is de rekening er al nadat we amper de laatste hap hebben genomen. Peter lijkt dit heel normaal te vinden en ontzegt ons zo de kans om nog wat te keuvelen. Anderzijds is het voor mijn lichaam nu 2u ’s nachts en het vooruitzicht van een bed is ook niet slecht.

We rijden terug naar ons motel doorheen het groene landschap. Opvallend is dat de grillige – nooit volkomen platte – tuinen van de vele mooie huizen in elkaar en de omringende bossen opgaan zonder afsluitingen of hagen. Het oogt allemaal erg natuurlijk en het moet leuk wonen zijn hier. Dan tekent zich ineens, om het plaatje compleet te maken, een prachtige en vooral een volledige regenboog voor ons af. Ze lijkt het hele, weidse landschap te willen overbruggen. Hoe vaak ziet een mens een regenboog in zijn geheel? Het is een schitterend zicht en een mooi einde van een eerste, aangename dag.

Toch is de dag nog niet om. Peter wil met ons graag een aantal zaken overlopen. We voelen ons niet zozeer kinderachtig behandeld, maar doordat Peter zich op dat moment nadrukkelijk als autoriteit opwerpt, moet ik wel de drang onderdrukken om onnozel dociel te gaan doen. Ik kan zijn gevoel voor humor nog niet inschatten. Daarna roept ons bed maar Elin merkt op dat we de verjaardag van David toch niet zomaar kunnen laten passeren. We bestellen dus wat in de wat troosteloze bar van het motel, maar David wil zelf eigenlijk niets drinken. Peter vertelt me dan dat een Sven bij hen in de organisatie (die vooral met Europeanen werkt) synoniem is voor een moeilijke mens. Zoals in ‘I hope you don’t have a Sven in your group‘ of ‘How to deal with Svens‘. Blijkbaar hebben in het verleden een keer of wat te vaak Svennen tegengewerkt. Bijzonder grappig toeval, of klopt het gewoon? Ik maak Peter duidelijk dat hij mij nog helemaal niet kent en hij beter nog had gewacht vooraleer dit bekend te maken.

Ithaca was niets bijzonder, en we hadden misschien zelfs in één trek kunnen doorrijden naar Niagara, onze bestemming van de volgende dag. Maar anderzijds was het fijn rustig kennen te kunnen maken met elkaar en het land en een gebied te leren kennen waar je echt nog helemaal niets over weet.

Lees hier deel 1





On the Road (1)

23 07 2010

De regenwolken die zich die donderdagochtend vormden, deden me met veel plezier op vakantie vertrekken. Toch ben ik zo iemand die bij veel aangename activiteiten altijd zorgen zoekt. Ik vertrek nooit volkomen rustig op vakantie, maar ja, wie wel? Dit keer was het mijn kredietkaart die ik toch nog snel getest wou hebben voor ik de bus naar het station nam. Ik had ze nog maar enkele maanden en was niet zeker of ik ze wel al een keer gebruikt had.

En daar sta je dan aan de geldautomaat, beseffend dat je voor deze kaart een andere code nodig hebt dan je gewone bankkaart, en dat ik daar geen enkele weet heb. En dat ik mijn bus moet halen zodat ik mijn trein kan halen om mijn vliegtuig te halen. 09.40u en al in paniek. Bushalte, bankautomaat en woning liggen gelukkig allemaal dicht bij elkaar. Ik haast me, met zware rugzak, terug naar huis, gooi mijn voor het vertrek netjes opgeruimde bureau ondersteboven en vind na enkele minuten de juiste code. Race naar de automaat, verheugd vaststellen dat alles werkt en dan zelfs meteen een bus kunnen nemen!

Dat wil zeggen dat ik ook een trein eerder kan nemen dan voorzien en ik dus ruim op tijd op Zaventem aankom. Het inchecken verloopt wat chaotisch, maar in mijn voordeel. Ik was me niet bewust van twee rijen: eentje om in te checken en eentje om je bagage af te geven. Ik kies dus gewoon de kortste rij (rij 1: 50 mensen, rij 2: 1 mens, ik had moeten beseffen dat dat niet klopte). De dame aan de balie legt me vriendelijk uit dat ik me eigenlijk vergist heb maar dat is niet zo erg en meteen regelt ze ook maar meteen mijn tickets. Ze biedt me zelfs de keuze aan: raam of gang? Ik denk aan beenruimte en beslis dus  maar gang.

Het effectieve vertrek naar New York gebeurt slechts een kwartier te laat. De tussenstop is Madrid. Vanuit Brussel rechtstreeks naar New York vliegen was immers een flink pak duurder. De Madrileense luchthaven is impressionant groot en erg mooi. Ik vind de shuttle die me naar een andere gate moet brengen en moet nu een wachttijd van twee uur overbruggen. Ik prijs mezelf om zo’n goed boek voorzien te hebben. De titel is Alles is Belangrijk en de bespreking mag u later verwachten. Maar het sleept me mee en dus valt die wachttijd enorm mee.

In het vliegtuig blijken gang of raam weinig verschil te maken als het op beenruimte aankomt, maar wat blijk ik weer geluk te hebben! Mijn stoel bevindt zich voor de nooduitgang, waar ik dus lekker de benen kan strekken. Voor een vlucht van 7,5 uur is dat mooi meegenomen. De verhoopte film stelt teleur: ook al is het de wellicht ergerlijk slechte Nanny McPhee 2, toch wou ik die wel gezien hebben, maar ik zit veel te ver van het scherm af. De tweede film is Date Night, die ik gelukkig al gezien heb.Dan maar verder lezen. Ik heb 3 romans mee voor een reis van 14 dagen. Zal dat genoeg zijn?

Ook na 8 vliegreizen ben ik me er slechts oppervlakkig van bewust dat ik deze manier van reizen eigenlijk niet zo aangenaam vindt. Nu dringt dit besef weer sterk door, als alle lucht in mijn lichaam uitzet, ik heb warm heb zonder te zweten en de smakeloze maaltijden een flauwe misselijkheid veroorzaken. Het is de eerste keer dat ik op mijn eentje vlieg – ik ontmoet mijn reisgenoten in New York – en dat is toch wat saai.

Ik land om 19.30u plaatselijke tijd in New York en verlies nog eens bijna een uur aan de douane en bagageophaling. Ondanks de vermoeidheid – voor mij is het nu eigenlijk half drie ’s nachts –  moet ik me nu ten volle concentreren, want de trip naar het hotel is de minst voorbereide en meest zelfstandig verplaatsing die ik moet maken. Ik zoek eerst en vooral een shuttle die me van de luchthaven naar Manhattan kan brengen. Dat zie ik nergens aangegeven staan. Ik voel geen onrust of paniek, maar wel een gebrek aan daadkracht. Ik wil slapen. Uiteindelijk vind ik dan toch een kiosk voor inlichtingen. Ze  stellen me daar een goedkopere formule voor dan die waar ik naar vraag en tonen me waar ik de shuttle kan vinden. Ik krijg een folder mee zodat ik het logo herken. Het is intussen al donker in New York, maar het is erg warm.

Op straat spreekt een assertieve zwarte me meteen aan. Wheredyneedtogo? Ik zie het logo dat ik zoek op zijn shirt en koop meteen een ticket. Hij gooit me klantvriendelijk op de juiste bus en voor ik het weet ben ik onderweg. Tweede halte, meldt hij me nog. De Aziatische chauffeur krijst weliswaar ook allerlei suggesties door de luidspreker, maar die zijn onverstaanbaar. De tweede halte blijkt nog steeds op de luchthaven te zijn. JFK Airport heeft immers heel wat terminals. Ik ben blij dat ik me daarvan bewust ben en dus niet afstap aan de tweede halte, wat erg belachelijk zou zijn natuurlijk. Ik heb natuurlijk de tweede halte nodig buiten de luchthaven. Dat lijkt achteraf bekeken allemaal erg evident,  maar de concentratie is veelgevraagd op dit late uur.

Na 20 minuten alleen al rondrijden op de luchthaven, zetten we eindelijk koers naar Manhattan. Het is een erg lange rit en ik vecht tegen de slaap. Ik weet dat ik, eens in Manhattan, nog heel wat zoekwerk en reistijd moet doormaken. Dan barst er een hevig onweer los. Het regent dat het giet en we belanden in een file. Mijn vakantiegevoel is ver weg. De oude Mexicaanse dame naast mij tettert in haar gsm en de chauffeur blaft allerlei onzinnige zaken door de microfoon. Ik lees dat ik hem straks een tip moet geven maar vraag me af waarom.

Maar dan stopt de regen, verschijnt een pracht van een skyline en ontvouwt New York zich in al zijn glorieuze, avondlijke metropoolse schoonheid. Gele taxi’s omringen de bus, Broadwayreclames vechten om aandacht, hotelluifels reiken uitnodigend tot op de straat, heerlijke affiches van films en series die bij ons nog moeten verschijnen geven me het gevoel in de toekomst belandt te zijn. De stad baadt in het licht en de straten lopen vol, ondanks de net afgenomen stortbui.

De bus dropt enkele reizigers bij de eerste halte. Enkele passagiers hebben vragen, maar de chauffeur snauwt hen iets toe in onverstaanbaar Engels. De tweede halte is Port Authority Bus Central. De chauffeur krijgt zijn tip omdat hij met mijn bagage sleurt, maar ik zou hem eigenlijk willen duidelijk maken dat hij maar kan verdienen als hij vriendelijker is. Doch nu zijn het mijn eigen zorgen die mijn aandacht verdienen. Waar moet ik nu in godsnaam naartoe?

Ik stel al snel vast dat alle bussen op straat shuttlediensten zijn en geen officiële stadsbussen. Ik stap dus maar binnen in het busstation, waarop zondagavond om 22.00u natuurlijk niemand aan de balie zit. Het station blijkt reusachtig groot en zelfs op de derde verdieping vertrekken bussen. Vind hier maar eens de juiste bus naar New Jersey, waar mijn hotel wacht.

Gelukkig ben ik vooraf te weten gekomen dat ik bus 320 nodig heb, want ik zie nergens schema’s of aanwijzingen.Ik koop een ticket aan een automaat. Het lijkt me evident dat bus 320 vertrekt op perron 320. Dat blijkt gelukkig zo te zijn, maar later zal ik van mijn reisgenoten horen dat dat puur toeval was. Bus 320 vertrekt gewoonlijk immers vanop perron 231 – logisch hé? – alleen niét op zondagavond na 22u. Dan vertrekt hij dus wél van op perron 320. We reizen om te leren en ik vind mezelf heel volwassen en verstandig en dapper. Mag dat even, in al mijn vermoeidheid?

Aan de bushalte staan twee mensen en ik plof neer met mijn rugzak. Dit lijkt goed te zullen gaan. Maar vijf minuten later staan er plots wel 50 mensen en allemaal zijn ze in een mooie rij gaan staan. Waar ik dus niet in sta. Gewoonlijk zou ik dan zo beleefd zijn om maar achteraan te gaan staan, maar mijn zware rugzak en drang naar een bed zeggen foert.  Ik ben verdorie al 24u wakker! Wanneer de bus voor komt rijden, steek ik 48 mensen voor, mijn verdediging al oefenend in mijn hoofd. Maar niemand zegt iets en wanneer ik neerplof kan ik weer een zorg van mijn lijstje schrappen. Juiste bus gevonden, nu nog de juiste halte.

De bus verlaat Manhattan, rijdt de Lincolntunnel door onder de Hudsonrivier en stopt maar niet. Ik twijfel even. Op de kaart had mijn hotel niet zo ver geleken van de tunnel. Ik zal dus toch stilaan moeten afstappen. Ik ken mijn halte, maar er is nergens een signaal te zien dat meldt waar we zijn en ook de chauffeur zegt niets. Ik spreek dan maar de man naast mij aan. Ik ben toch al overduidelijk een toerist, laat me dan maar even een domme toerist zijn. Wat ik blijkbaar enkel in mijn gedachten ben, want de man vindt mijn vraag helemaal niet onredelijk en zegt me wanneer ik af moet stappen.

Om 22.30 sta ik dan eindelijk voor mijn Holiday Inn. Ik had ook in Manhattan kunnen overnachten, maar dit hotel is de vertrekplaats voor een reis die morgen al om 07.30u aanvangt. Een reuzevriendelijke baliechef wenst me hartelijk welkom en een kwartier later lig ik gedoucht en wel te snurken in een heerlijk bed. Als morgen de reis pas echt begint, was dit alvast een generale repetitie van formaat.

Deel 2

(de foto’s komen van het Internet)






USA: dag 21 & 22

31 07 2007

Op een onmenselijk vroeg uur hijsen we ons uit het iets te kleine bed in de verder excellente jeugdhostel in Santa Monica (Los Angeles). Het is feitelijk nog midden in de nacht, maar de vele uren die we op het vliegtuig zullen moeten doorbrengen, zijn een troostend vooruitzicht. Voor een ontbijt is geen tijd of gelegenheid. Om half zes zijn we op weg naar LAX, de luchthaven van Los Angeles. De laatste rit door deze wereldstad wordt verstoord door een discussie over de juiste weg. Maar na het inleveren van de al bij al niet al te zeer afgeleefde auto bij het verhuurbedrijf, staan we om zeven uur toch tijdig in de rij om de bagage in te leveren. Bizar genoeg weegt mijn rugzak nu meer dan in het heengaan, terwijl ik vrijwel niets extra heb gekocht. Zweet en zand?

Om half tien gaan we aan boord richting New York. Ik geniet onderweg nog maar eens van een filmpje. Banaal, maar momenteel snak ik naar cinema, dus ik slik alles. Behalve het eten dan, dat alweer van bedenkelijke kwaliteit is. We landen om drie uur, maar mogen we onze klok meteen drie uur vooruitdraaien. Vrijwel meteen reizen we verder. Om half acht vertrekt immers de nachtvlucht naar Brussel. Aan boord wordt het me iets te moede. Alsof er ironie mee gemoeid is, tref ik aan boord een massa Vlamingen aan die me wel erg snel ontnuchteren. Degelijke katholieke gezinnen, een Leuvens meisjeskoor dat op dit moment uit werkelijk afstotelijke en domme bakvissen lijkt te bestaan, gepensioneerden die in Blankenberge een verkeerde afrit namen, Antwerps gekwek en Kortrijks geneuzel, … ik verafschuw mijn eigen volk zoals ik nog nooit eerder heb gedaan. Wat zijn ze banaal en eng. Onbewust moet het reizen door een reusachtig en gevarieerd land als de Verenigde Staten – waarbij je dan nog eens een massa andere nationaliteiten tegenkomt – mij enigszins hebben bevrijd van die Vlaamse kettingen, maar nu worden ze meedogenloos hard aangetrokken. Op de stewardess na spreekt niemand nog Engels en het gezanik van de Vlaamse vracht, in trainingen en T-shirts die hun vakantiestops benadrukken, benauwt me.

Ik hoopte op nog een film, maar de povere geluidskwaliteit van dit Belgische vliegtuig verhindert dat. Slapen in een vliegtuigstoel lukt moeilijk als je bijna twee meter groot bent. Dan maar wat sudoku’s invullen (dank u, Knack, voor het vakantieboekje vol puzzels). Maar we zijn vlug in België. De terugreis lijkt altijd korter (en dat is ze eigenlijk ook, want we hebben de luchtstroom mee) (wat klinkt het gek dat de natuur uiteindelijk nog invloed blijft hebben op een indrukwekkende uitvinding als het vliegtuig – dit even terzijde).

Wanneer we in Brussel landen, ben ik weer goedgehumeurd. De reis heeft lang genoeg geduurd. We zijn intussen nog een dag verder, want de tweede vlucht heeft zes uur geduurd en de kleine wijzer mag nog zes rondjes doen. Ik ben moe, maar nu ik enkele duizenden kilometers meer van deze aardbol heb gezien, voel ik een zekere tevredenheid. Ik vraag me af welke vorm dit gevoel de komende dagen aan zal nemen. Voldoening? Euforie? Een zakelijk ‘dat hebben we weer gehad’? Wat zal deze reis uiteindelijk losgemaakt hebben? Ik denk ook aan alles waar ik aan gehecht ben in het dagelijks leven. Ik kijk uit naar de routine en de sleur, vreemd genoeg. Wil dat zeggen dat de batterijen opgeladen zijn, ondanks het feit dat ik eigenlijk eerder een vakantie dan een reis nodig had? Alleszins is thuiskomen blijkbaar nog prettiger dan vertrekken.

In de komende dagen zullen alle verslagen nog worden verbeterd en aangevuld!  





USA: dag 18

29 07 2007

Niet veel tijd meer gehad om te schrijven. In de Grand Canyon bezochten we het recent gebouwde uitkijkplatform The Skywalk. Daar kan ik een uitgebreid rapport over schrijven, wanneer ik terug ben.

Intussen San Diego bezocht, mooie stad. En nu alweer in Los Angeles, waar we maandagochtend het vliegtuig nemen naar huis.

Voor de souvenirhopers: ze verkopen hier echt alleen maar brol.





USA: dag 15

25 07 2007

De Grand Canyon is grand. Genoeg natuur gezien nu. Maar het blijft wel onvoorstelbaar hoe uitgestrekt al deze parken wel zijn.

Ook de motels steken tegen. Ze zijn allemaal hetzelfde.

Morgen een hele dag rijden en dan weer stadsverhalen.

Meest ergerlijke woord op dit moment: Gift Shop.





USA: dag 14

24 07 2007

Ik heb trek in bloemkool met witte saus.

Bryce Canyon is schitterend. Flink gestapt. De eerste regenbui meegemaakt hier.





USA: dag 12

22 07 2007

Heel vroeg opgestaan om voor de hevige warmte het Zion natuurpark te bezoeken. Staptochtje van 9 kilometer en weer het zwembad in. Rustige dag.

Intussen lees ik over de op stapel staande huis- en tuinwerkzaamheden in het ouderlijk huis. Een onbegrijpelijke reactie over tenen van Boris. Clijsters en haar huwelijk, noodweer in Belgie, lieve mailtjes van leerlingen uit het verleden (je krijgt snel antwoord, Wouter!), uitnodigingen voor barbecues. Ja hoor, ik mis het dagelijks leven eigenlijk wel.





USA: dag 11

21 07 2007

Toch vrij onverwacht aan internet geraakt. We hebben Las Vegas verlaten en hebben intussen iets meegemaakt dat een nachtmerrie had kunnen worden: een lekke band in het midden van een bloedhete woestijn. Geen gsm-bereik. De reserveband maar niet kunnen vinden. De reserveband vinden na het slopen van de halve auto en het uitstrooien van al onze bagage. De reserveband niet los krijgen. Allemaal staan puffen in 40 graden, Maar eigenlijk was na een half uur alles opgelost en belanden we dan toch in prachtige Zion natuurpark. We logeren in een vredig dorpje dat midden in het park ligt. De trektocht is voor morgen. Zwembad in en nadien heerlijk dineren in een plaatselijk toprestaurant. Bizar: het is hier heet maar de gazonnen zien hier fris groen. Leve de sprinkler. Het dorp is omringd door ruwe, rode bergtoppen. Fascinerend.





USA: dag 10

20 07 2007

We zijn in Las Vegas. Zo nep en lachwekkend en kitscherig als we dachten. Je kijkt je ogen uit. Dit is een speeltuin voor volwassenen. Maar ook hier; heet heet heet. 40 grqden ongeveer. Je vraagt je af hoe hier het dagelijks leven verloopt. Waanzinnig ook hoe in het midden van het grote niets zomaar een stad ligt. Triestig ook: als het leven je hier laat belanden, raak je hier niet makkelijk weg denk ik.

Straks zwemmen en gokken. Ik realiseer me dat deze vakantie me soms wat te actief is. Ik geniet immers vooral van de rustmomenten en de zwembaden. Maar ik ben blij jullie nog even op de hoogte gebracht te hebben. De volgende zes dagen trekken we naar nog meer natuurparken (oa Grand Canyon) . Veel groetjes.





USA: dag 9

20 07 2007

Alweer op om 6u! Slecht voor het humeur. Vandaag trekken we door Death Valley en dat is geen orettig vooruitzicht want dit is de warmste plek van de USA. We zullen bovendien meer dan 8u in de auto zitten en je kan je airco niet continu laten draaien of de motor raakt oververhit.. Existentiele vragen dringen zich op: waarom ben ik hier?

Na 4u in een hete wagen, lunchen we in een dorp waarvan je je afvraagt wie er wil wonen. We rijden vervolgens nog enkele uren en rijden dan Death Valley binnen. Het landschap is steeds minder groen geworden tot er enkel nog dorre struikjes en stenen overblijven. Fascinerend, maar vooral uitputtend. We houden halt in Badwater, het laagste punt van de USA. Het is er verstikkend heet (47 graden). Er staat weliswaar eem hevige wind, maar die is al even heet. Stel je maar eens voor dat er continu een reusachtige haardroger op je gericht staat! Dit valt niet lang uit te houden, maar het is wel een onvergetelijke ervaring. Vreemd genoeg verbrand ik niet.

Dan trekken we naar Zabriskie Point, een uitkijkpunt dat je de illusie geeft op een andere planeet beland te zijn. Uren in de omtrek alleen maar rotsen en stenen.

Op Dante s View (qwerty!) is het `slechts` 30 graden, en dat is plots heel draaglijk. De wind blijft hevig. Dit is de grote leegte. Hier is niets. Een nutteloos deel van onze aardbol. Onvoorstelbaar. Na twee uur rijden is het landschap nog precies hetzelfde. De temperatuur blijft rond de 40 graden schommelen.

Maar.. ons volgende motel heeft ook een zwembad! Hoewel de zon al lang onder is, blijft het erg warm, dus we kunnen nog een uurtje plonzen. Bovendien mogen we morgen minstens tot 8u slapen en dat is een leuk vooruitzicht.





USA: dag 7 en 8

19 07 2007

Min of meer een rustdag vandaag. Na een lange rit zijn we al vrij vroeg in ons volgende motel, waar we urenlang aan het zwembad liggen. Heerlijk.

Maar de volgende dag is heel zwaar. We staan op om 6u en rijden dan een uur naar Yosemite, het natuurgebied. Daar beginnen we om 8u aan een trektocht die tot in de namiddag zal duren. Eerst 4-5 uur stijgen, watervallen bewonderen en nadien weer helemaal naar beneden – wat wel een stuk sneller ging. Zweten!

Vervolgens rijden we verder naar het Mariposa Seqoia Park en nadien naar Glacier Point, waar de zonsondergang indrukwekkend is. Dan wacht ons wel een rit van anderhalf uur terug naar het hotel en ik vraag me wel even af of dat wel al die moeite waard is. Rijden, foto maken, rijden enz. Hoewel de trektocht de moeite loonde, lijkt de dag een aaneenschakeling van ritjes en stops en dat is flink vermoeiend.








%d bloggers liken dit: