Enkele reis Afghanistan

9 07 2012

Het vliegtuig is vertrokken. Ik had niet verwacht zo geschokt te zijn bij het lezen van de on line krantenkoppen deze ochtend. Gisteren groeide de Faceboekgroep ‘People for Parwais‘ razendsnel aan, een ultieme, radeloze poging om op te komen voor de Afghaanse vluchteling Parwais Sangari. Dan rest de stille verwachting dat er vandaag wel nog iets zal gebeuren. Vlucht afgelast. Maggie De Block gezwicht. Sangari die het te bont maakt en niet aan boord mag. Maar zelfs dat zit er allemaal niet meer in. Binnen enkele uren landt de 20-jarige, wellicht erg bange, Sangari alweer in eigen land.

Eigen land? Ik vind dat hij het recht heeft België zijn eigen land te noemen. En niet eens omdat hij al dan niet Nederlands spreekt. Niet omdat hij goed of slecht geïntegreerd is. Niet omdat hij hier een familie en vrienden heeft. Zelfs niet omdat veel gespuis wél een verblijfsvergunning weet te krijgen. Enkel en alleen omdat nu toch wel duidelijk is geworden dat zijn leven er in gevaar is.

Wat weten wij ervan? Ik ben nog nooit in Afghanistan geweest. Maar ik vind de feiten geloofwaardig. Bij ons op school zit ook een gezin dat gevlucht is uit Afghanistan. Het zijn lieve mensen met hardwerkende kinderen, maar zelfs dat is helemaal niet van  belang. Ze hebben alleen elkaar nog. De rest van de familie is vermoord of vermist, net zoals dat het geval is bij Parwais Sangari. Ze getuigen daar nu en dan over, nog steeds getraumatiseerd. Wij kunnen ons dat niet eens inbeelden. Veel  mensen oordelen instinctief  met dwaze argumenten, maar niemand heeft voldoende empathische vermogens om te weten hoe dit moet voelen voor Sangari en mensen in gelijkaardige situaties. Wij klagen liever over het weer aan de kust.

Het Belgisch asielbeleid is een lachertje. Omdat mensen veel te lang moeten wachten vooraleer ze te horen krijgen of ze mogen blijven, in de eerste plaats – want verder ben ik eigenlijk niet vertrouwd met de inhoud van het beleid. Er wordt staatssecretaris De Block willekeur verweten. Dat kan ik niet beoordelen. Ik vind dat enkel en alleen het feit dat iemand in zijn land ernstig kans loopt om vermoord te worden, voldoende hoort door te wegen om die persoon een toekomst te geven in België. Wat nu gebeurt, is echt onmenselijk. Sangari is geen dossier, geen geval, maar een echt, levend persoon.

In dit (treffende) interview geeft Sangari aan niet te zullen blijven. Ik ben blij dat hij zijn lot niet aanvaardt, maar een voornemen alleen is misschien onvoldoende en de dreiging is wellicht iedere minuut reëel. In een film zou het een thriller zijn, nu is het een misselijkmakende, realistische nachtmerrie.

Advertenties




Mijn oma is dood (maar ze leeft nog)

23 11 2011

Afgelopen zomer werd mijn grootmoeder 88. Zeggen dat dat er een feeststemming was, is veel gezegd. Mijn grootmoeder is niet graag jarig, dat is al jaren zo. Maar nu kon er echt geen glimlach af. Niet dat er veel animo onder de verzamelde familieleden viel vast te stellen, maar toch, eens jarig leek ze toch altijd weer mee te willen, al was het maar omdat ik drie stukken taart at om haar plezier te doen.

Nu zijn we een aantal maanden later en er is geen beterschap. Mijn grootmoeder lijkt op haar 88e vastbesloten ongelukkig naar haar levenseinde te sukkelen. Haar gezondheid is daarbij geen doorslaggevende factor. Ze zit met een slecht genezende wonde, kneusde onlangs weer haar ribben bij een val, heeft evenwichtsstoornissen waardoor ze al eens haar vloerbedekking van zeer nabij moet bekijken, maar al bij al is ze voor een hoogbejaarde best nog vief. Dokters en professoren prijzen haar al jaren voor de kwaliteit van haar lichaam!

Maar vooral tussen de oren wil het niet meer mee. Mijn oma heeft er genoeg van. Ze klaagt en zeurt en plengt al eens een traan, weigerend nog enige schoonheid in het leven te zien. Vanuit haar standpunt kan ik dat soms begrijpen, al negeert ze koppig iedere scheut optimisme. Ze zit vaak alleen, is niet meer goed te been, eet niet meer met smaak, staart gedachteloos naar televisie en toont geen enkele interesse in wat voor ontspanningsmogelijkheid dan ook. Een Story doorbladert ze zonder enig genoegen en de post uit de brievenbus halen is de uiterste krachtinspanning en tegenwoordig haast de enige uitstap. Durf haar nergens voor uit te nodigen want ze komt niet (ook al omdat dat fysiek steeds moeilijker wordt).

Ze ziet mij en andere familieleden graag op bezoek komen. Ze heeft vijf zonen – waarvan drie gepensioneerd – , zeven kleinkinderen en als ik me niet vergis negen achterkleinkinderen. Maar dat garandeert geen zoete inval. Sommigen komen weliswaar eens per week, enkele zelfs iedere dag, maar nooit erg lang. Ik vrees ook dat de plichtmatigheid steeds voelbaar is. Er wordt dan geponeerd hoe druk het wel is en wat allemaal nog moét. Het gezelschap houden van een bejaarde hoort daar niét bij, zo laten ze haar voelen. Sommige kleinkinderen slagen er niet in één keer per jaar langs te komen. Druk druk druk, u moet dat verstaan. Ik woon het verste weg maar teken minstens drie keer per maand present.

Ze blijft daar consequent waardering voor uitspreken, maar toch kost het me een inspanning, dat geef ik al een tijd toe. Ik zie er de tijd wegtikken en aanhoor haar geweeklaag. Er zit al eens een buurvrouw of zo bij en dan val je al snel een erg enge wereld binnen, waarin dooddoeners of praatjes over het weer de dienst uitmaken. Ik verbijt mijn ongeduld, blader in haar roddelblaadjes en eet een koekje of tien. Een echt gesprek hebben we nooit. Mijn oma wil wel weten hoe het met me gaat, maar haar wereldbeeld staat mijlenver van de werkelijkheid. Ze begrijpt niet veel  – hoort ook niet goed – en beoordeelt alles vanuit een achterhaald, door de media gevoed angstenpatroon. Schoolmeester worden afgeslegen door bendes Turken en mijn broer moet bedelen voor een korst brood. Er is dus niet echt sprake van een conversatie. Zelfs de kracht van een anekdote gaat snel verloren.

Het is ook normaal dat ze, vanuit haar neerwaartse spiraal, enkel nog geïnteresseerd is in haar eigen situatie. Het aanhoren van haar problemen, bezie ik als mijn taak als kleinzoon, zelfs al krijg ik steeds meer het gevoel dat anderen die taak verwaarlozen. Ik word er ook moe van. Maar waarom zou ik, die een actief, gevarieerd, genotsvol, sociaal en impulsrijk leven leid, het niet kunnen opbrengen om haar nu en dan een uur gezelschap te bieden en wat aandacht te geven?

Straks denkt u nog dat dit artikel over mij gaat. Dat ik beroep doe op uw ‘vind ik leuk’s om mijn status als doodbrave kleinzoon bevestigd te zien. Maar de essentie is dat mijn bekommernis omgeslagen is in bezorgdheid. Ik krijg steeds sterker het gevoel dat mijn oma het wel  gehad heeft en ze zich, los van fysiek welzijn, een plaatsje aan het reserveren is in het hiernamaals. Maar hoe praat je zulke gedachten uit haar hoofd?

Ik vrees ook, en nu ga ik boude uitspraken doen, dat veel mensen ook niet inzien waarom dat uit haar hoofd moet gepraat worden. Misschien willen we wel allemaal dat ze op een ochtend niet meer wakker wordt, omdat ze dat zelf toch zo graag wil (en ons dat dan allemaal verlost van al die lasten?).

Alleen mag ze dat verlangen dan al uitspreken, in hoeverre is dat gefundeerd? Ze is altijd al bang geweest van de dood. Daar nu naar lijken te verlangen wijst of op een depressie of op een verpakte noodkreet. Intussen heeft dit doemdenken dan toch effect op haar gezondheid. Ze krijgt wel veel hulp in huis, maar het begrip zelfstandig wonen wordt duidelijk uitgehold. Ik vraag me dus af wanneer mijn vader en zijn broers deze situatie willen onder ogen zien. Het woord ‘rusthuis’ valt zelden. Mijn oma heeft zich daar altijd negatief over uitgesproken. Haar buren argumenteren mee. In eigen huis ben je de baas. Daar zit je evengoed alleen. Je krijgt er eten maar verder ziet er ook geen mens naar u om. Je krijgt er maar een klein kamertje. Enzovoort.

Ik begin dat te betwijfelen. Volgens mij zou mijn oma opgelucht zijn dat er altijd hulp in de buurt is, ze verlost is van een huis dat te groot is en een tuin die ze niet kan onderhouden. Waar wel degelijk andere mensen zijn om elkaar gezelschap te houden. Waar mensen professioneel het soort kletspraat gebruiken dat mijn oma net apprecieert. Of zal het één van haar zonen zijn die op een dag  – laat het nooit zover komen – haar van een verse luier moet voorzien? Ik dacht het niet.

Mogelijk overschat ik die seniorenopvang. Mijn oma is geen gemakkelijk mens. Maar wat is het alternatief? Een laf ontwijken van de realiteit, tot er op een dag iets erger gebeurt – een zware val, een heupbreuk, een attakske –  en ze maar meteen terechtkomt op een afdeling waar het onvermijdelijk naar pis ruikt? Ik ken mijn familie wel een beetje. Het zou best wel eens kunnen dat ze dat een normaal perspectief vinden.

Ik weet ook dat een plek in een rusthuis lang vooraf gereserveerd moet worden. Gezien de huidige gemoedstoestand van mijn oma en mijn akelige aanvoelen, is het misschien te laat om die zoektocht nu aan te vangen. De familie toont zich bereid de periode tot dat ultieme moment – wat evengoed nog jaren kan zijn – zwijgend te overbruggen, al zijn dat dan vele uren bezoek. Ik zucht daar diep om. Ik word er moe van. Ik schuif het van me af maar trek het me ook aan. Het is niet mijn zorg. Het is wel mijn zorg.

Zekere secreten van tantes, niet vies van wat gestook, etaleerden jaren geleden al hun zogenaamde barmhartigheid met de belofte dat er altijd een bedje voor haar zou klaarstaan, mocht het zover komen. Ik vind dat  het zover is. Waar is dat bedje nu?

Weet u wat mijn oma eigenlijk echt het aller- aller- allerliefste zou willen? Bij mij of mijn broer wonen. Echt waar. Ze laat zich dat al eens ontvallen, al weet ze meteen hoe absurd dat idee is. Ze ziet ons heel graag. Ik vind het een verpletterende verantwoordelijkheid dat de sleutel tot haar geestelijk welzijn misschien wel in onze handen ligt. Ik verkies dan toch maar bot egoïsme, in dat geval. Ik ga niet voor de status van heilige. Ik dek me in met die drie bezoekjes per maand.

En voilà, dan ben ik misschien nog slechter dan mijn familieleden.

Wat nu?

************





20.000 minuutjes pauze

16 05 2011

Ik denk niet het de afgelopen 15 jaar is voorgekomen: een filmloze periode. Terwijl men in Cannes het ene meesterwerk na het andere op het witte doek tovert, ben ik aan mijn 14e filmloze dag toe.

Dat is absoluut geen bewuste zet, integendeel: ik snak naar een film, al was het maar een prul. Iets met Cuba Gooding, Jr, Kathleen Turner of Lindsay Lohan. Iets van Jan Verheyen desnoods. Ik popel zelfs om pakweg een gortdroge documentaire te bekijken. Maar het komt er dus niet van. Hoe zal ik mijn jaarquotum halen? Momenteel staat de teller trouwens op 53.

Ja, ik heb het druk, zoals doorgaans, maar dat heeft me nooit verhinderd de cinema in te duiken of me voor de breedbeeld te installeren. Ik steek  zoals gewoonlijk werk in school, ontmoet ouders, ga naar vergaderingen, info-avonden en bijeenkomsten en volg een opleiding. Ik ben net terug van een weekendje Ardennen, ben naar een theaterstuk geweest, heb een interessante beurs bezocht,  zat op café of op terras, ging struisvogel eten en vierde verjaardagen. Ik dacht aan moederdag en eenzame bejaarden. Ik zat zelfs regelmatig een avondje thuis!

Hoe komt het dan dat ik nu al twee weken niet aan het bekijken van een film toegekomen ben? Omdat het misschien nét iets drukker is dan anders en omdat het mooi weer was, dat zeker. Omdat ik er seizoen 2 van True Blood en Breaking Bad doorgejaagd heb, wat toch ook wat uren in beslag nam. Omdat ik de ene na de andere roman verslond.

En omdat mijn video kapot is! Ik was nog een fervente ‘opnemer’ en bekeek erg vaak films die op televisie geweest waren. Ik wil die hersteld zien natuurlijk, want digitale televisie en andere bevorderaars van uitgesteld kijkgedrag. zeggen me absoluut niets.

En wie weet moet ik het verder gaan zoeken: de laatste film die ik zag was Norwegian Wood. De nietszeggendheid van deze eentonige, dodelijk slaapverwekkende film was zo verpletterend dat ik er misschien wel onbewust een trauma aan overgehouden heb! Zal ik ooit nog een cinemazaal durven binnenstappen? Het zal wel moeten, want overmorgen probeer ik met mijn quizploeg de Kinepolis-filmquiz te winnen. Het naar verluidt bijzonder tamme Pirates of the Caribbean 4, na de quiz, zal misschien precies zijn wat ik nodig  heb. Overigens won mijn ploeg ook de twee vorige edities van deze quiz (al was dat enkel vorig jaar ook met mij er bij).

Ik neem me voor het vanavond alleszins nog eens te proberen, al ben ik erg verkouden en wil ik vooral slapen. Maar toch, die 54e moet er toch echt van komen. Nu!





Lombarrasdusjwa (2)

21 01 2011

In de hoeveelheid van taken, functies, verantwoordelijkheden en initiatieven die me eigen zijn, moest het er wel eens van komen dat ik even echt niet weet wat prioriteit verdient. Komend weekend bezorgt me, en dit al zo vroeg in dit nieuwe jaar, een dilemma zoals me dat recent nog niet vaak overkomen is.

Er is de pedagogische opleiding die ik volg, die één weekend per maand plaatsvindt van zaterdagochtend tot zondagnamiddag. Ik geniet van iedere minuut, ook al is het niet evident na een werkweek en zonder uitslapen of even ontspannen. Maar even de klaspraktijk verlaten om na te denken over wat je doet, interessante sprekers aanhoren, ideeën opdoen, nieuwe stimuli ervaren, je opvattingen toetsen aan gelijkgestemden of ervaren lieden, je pedagogische achtergrond opvullen, … het is allemaal zeer enthousiasmerend. De voorbereiding ervan gebeurt altijd tussen het werk voor school door en dat is niet altijd even evident, maar tijdens de weekends zelf sta ik scherp en ontgaat me weinig.

Maar zaterdagavond vindt er ook een filmquiz plaats. Georganiseerd door mijn occasionele quizgenoten van Keyser Söze. Met een ploegje van fijne mensen wil ik daar mijn filmkennis op de proef laten stellen, zonder naar een overwinning te willen streven want een mens moet zijn plaats kennen in de hiërarchie van de filmfreaks. Filmquizzen kunnen voor mij echter niet lang genoeg duren.

Nu is er aanvankelijk  helemaal geen probleem. Ik focus me tot 18u op de opleiding, sla zonder schuldgevoel het avondgedeelte over, spoed me naar de quiz – de loop der dingen heeft er voor gezorgd dat de beide locaties amper drie kilometer van elkaar liggen -, quiz me rot, ga slapen en sta zondag weer energiek op de cursus. Dat zich daar ergens een gebrek aan nachtrust manifesteert, negeer ik maar even. Maar het combineren van beide activiteiten zou dus best lukken. Het dilemma betreft eigenlijk vooral gewoon deze avond zelf.

Ik bereid me immers graag voor. Ik wil nog wat teksten lezen, nog wat verslagen maken, wat boeken doornemen, vragen opstellen. En anderzijds wil ik nog wat lijstjes opstellen,  naslagwerken doornemen en titels memoriseren. Het ene voor de opleiding, het andere voor de quiz. Gewoonlijk quiz ik zonder voorbereiding, maar nu mijn sterkste teamgenoten zelf de vragen stellen en ik deelneem met minder ervaren quizzers, wil ik toch wat zekerder zijn van mijn stuk. En dus is/was deze vrijdagavond een beslissend moment. Welk van mijn twee grote passies zal ik verkiezen: onderwijs of film?

Het is beide een beetje geworden. Ik merk toch vaak op dat als je echt wil, je alles kunt doen wat je wil. En anderzijds zijn geen van twee keuzes levensbepalend. Ik heb dan ook geen van beide grondig gedaan, dat beken ik. De opleiding loopt nog twee jaar en de quiz is zondag alweer voorbij. Men moet geen zorgen zoeken waar er eigenlijk geen zijn.

Dus heb ik dit blogstukje maar geschreven.





Fin de carrière? (2)

29 11 2010

Op 28 oktober gebeurde dit (wat u al wist):

Vandaag ging nummer 2 tegen de vlakte.

Wijst dit op een ontslagbrief als nieuwjaarsgeschenk?

Een carrièrewending?

Een lottowinst die me mijn werk laat opzeggen?

En vooral: is dit nog toeval?!?

Wel jammer. En me dan nog gesneden ook.





The End (2)

24 10 2010

De zondagnamiddag na het filmfestival gebruik ik om mijn hoofd maar eens leeg te maken. Ik heb de voorbije twee weken 33 films gezien (32 op het festival) en hoewel dat zowat hetzelfde aantal is als andere jaren, was de ervaring iets intenser. Misschien waren de films beter? Ik zag alleszins minder povere films dan voorheen. Amper drie films vond ik echt slecht.

Wat zeker meespeelde was dat ik veel meer dan anders de films aan elkaar reeg. Er was zelfs een dag met zes films! Je raakt dan in een soort hypnose, waarvan je na middernacht blij bent dat ze afloopt, maar waar je de volgende ochtend meteen weer naar verlangt. De geur van de bioscoopzaal, de zachte zitjes en vooral de betovering van dat witte scherm werken al snel een fysiek behagen op dat blijkbaar verslavend werkt. In combinatie dan wel met de kracht van het evenement: dit werkt enkel als je een hele serie nieuwe, onbekende films voorgeschoteld krijgt.

Ook de mensen op het festival spelen een rol: het publiek is anders samengesteld dan gewoonlijk. De zaal is stil, de krakende chipszakken zijn beperkt. Je voelt je haast één met de cinefiele massa, zou ik haast zeggen, maar dat is een overschatting: ook op een festival loopt volk rond dat amper twee acteurs bij naam kent en films dat het niet begrijpt gemakshalve speciaal noemen, zoals reeds eerder meegedeeld. Maar toch, de mensen maken mee de sfeer.

Meer ook dan andere jaren, speelde de festivalbar een rol. Tussen twee films door snel een drankje, of uitgebreid napraten met meer dan een drankje, ik liet me daar nu veel sneller toe  verleiden. Enerzijds komt dat omdat ik me na al die jaren erg op mijn plaats voel in wat ooit een wat mythische omgeving was (het festival op zich, niet de bar in het bijzonder). De drempel is weg, de poeha bleek ingebeeld. Ooit onbereikbare figuren blijken plots heel alledaags. Ze dronken zien dansen, helpt ook qua demystificatie.

Een mens wordt ook ouder – 33 tijdens het festival – en hoeft niet meer zo nodig jaloers te zijn op de manifestatiedrang van anderen. Die bij momenten toch ook maar klaplopers en blaaskaken zijn. Bekende filmjournalisten die ondanks al zoveel privileges, toch aandringen op gratis tickets en zo. De stagiairs die een week later toch gewoon weer werkloos zijn. Dat ik dat allemaal niet meer wil benijden, vind ik rustgevend.

Ik moet ook toegeven dat de roes ook een stuk aangestoken is. Het aantal mensen dat ik ken dat evenzeer gepassioneerd het festival bezoekt, neemt ieder jaar toe. Velen daarvan kennen elkaar dan ook weer. We zien dezelfde films, soms samen, soms apart, waarna we elkaar tegenkomen en trachten te overtuigen van ons gelijk. Met een glas in de hand uiteraard. Jongerenjurylid Sven DH, hees van vermoeidheid. Bert, die vanuit de buik recenseert. Ottelien, te weinig gezien. Hanne, die nu al uitkijkt naar de volgende editie. Roos, die me plechtig maar officieus tot lid van De Vrienden van het Festival benoemt. Stijn, de enige bezoeker op het festival die al zijn tickets betaald heeft en met wie ik graag films, mensen en op den duur het leven zelf beschouw. En ik had ook de immense eer de head of logistics van het festival te ontmoeten!

Ik geef mezelf ook een schouderklopje vanwege mijn onuitputbaarheid. Ik ben vrijwel nooit ingedommeld en ging tussen dat films kijken gewoon werken natuurlijk. En niet zomaar wat lesjes aframmelen terwijl ik met mijn hoofd in de cinema zat! Net tijdens het festival stond een bezoek aan het museum, een uitstap naar de  manège, een studiedag in Lille, (voor mezelf) een theatervoorstelling én een fietstocht op het programma. Maar ik ben er vlot doorheen geraasd. Enkel aan eten kwam ik niet altijd toe. Mijn buik is me daar echter dankbaar voor.

Dat weekje vakantie volgende week is dus welkom. Intussen bereid ik oudercontacten voor en schrijf ik rapporten. Tussendoor misschien ook nog een bioscoopje meepikken?





Dwarslezer

18 09 2010

Met grote teleurstelling vernam de wereld vorige week dat HUMO-journalist Rudy Vandendaele in het betreffende blad zou stoppen met zijn rubriek Dwarskijker. Al jaren een dinsdags hoogtepunt, deze heerlijk geschreven tv-kritiek waarin vooral de zelfoverschatting van talloze onbenullige tv-vedetten en de leegheid van de hedendaagse televisiecultuur op de korrel genomen werd. Niemand kan het zo scherp en treffend verwoorden als (rv). Geena Lisa, de Pfaffs, Eddy Wally, de Planckaerts, Sergio, … , al die uit lucht opgetrokken fenomenen werden door hem met prachtige, clichévrije bewoordingen gereduceerd tot wat ze waren en zijn: bijdragers tot het grote niets.

Al heeft het allemaal niet geholpen natuurlijk, want op de befaamde Gerrit De Cock na zag nog nooit iemand zijn carrière wegzakken door wat televisiecritici te melden hadden. Maar de woorden van (rv) gaven iedere week precies weer wat ik als kritische kijker vaak dacht maar niet onder woorden kon brengen. Hij was een steun wanneer het ons allemaal weer eens te moede werd, die vele, vele onzinprogramma’s met dwaze bv’s. Hij liet me glimlachen om wat ik eerder die week enkel ergerniswekkend vond.

Los daarvan kon (rv) ook bewondering uitspreken voor die programma’s en programmamakers die er zo af en toe wél in slaagden creatief, origineel of gewoonweg onderhoudend uit de hoek te komen. Hij leek ook van tv te houden. Ook wat dat betreft was zijn woordenschat extreem genietbaar. Hij etaleerde in zijn stukjes vaak een sprekend gevoel van nostalgie en een soort spijt om het verdwijnen van enige ernst en degelijkheid op televisie- al hoeft dat niet te betekenen dat hij terug naar de tijd van Maurice De Wilde, euh, wilde. Je kon er een bespiegeling van de mensheid in zien, zoveel  meer dan enkel tv-kritiek.

In het boek Dwarskijker werd al een eerste selectie van zijn formidabele stukjes samengebracht. Daarvoor werd geput uit de artikels die verschenen tussen 1991 en 1998. (rv) schreef  dus 17 jaar aan deze rubriek. Aannemelijk dat hij er een punt achter zet. Zijn laatste stukje, in HUMO 3651, ging over De Premiejagers (‘ik bewonder vooral het naturel van Wyndaeles superioriteitsgevoel’) en sloot af zonder afscheid. (Dat hadden we echter eerder al gehad: in juni al gaf (rv) te kennen dat het gedaan was, maar later verschenen er toch nog enkele artikels.)

(rv) trakteerde ons vorig week echter nog op een pracht van een achterafje. In een lezersbrief in HUMO reageerde hij op Goedele Liekens‘ veronderstelling dat hij haar taalgebruik in de gaten hield. Dat taalgebruik, dat ook ik eerder als taalmisbruik beschouw en dat (rv) in zijn brief omschreef als ‘een klankenspel waarmee je in bepaalde dorpen perfect kunt meedelen dat er een Brabants trekpaard op hol geslagen is‘, was echter niet het mikpunt van zijn kritiek. Hij had het eerder over de ‘kleffe familiariteit‘ van haar programma’s en de ‘met een diploma in de psychologie gemaskeerde sensatiezucht.‘ Mooi mooi! En zo terecht.

Vandendaele blijft aan het werk bij Humo. Gelukkig, maar de nieuwe televisierubriek is echt niets. Te mild, te vriendelijk (voor de bv’s die verderop  in het blad toch geïnterviewd worden), met te weinig achtergrond en vooral: zonder enige persoonlijkheid. Wie wekelijks (rv) las, kreeg nu en dan ook mooie persoonlijke verhalen geserveerd, al dan niet gekruid met anekdotes over zijn kroost. Waarvan de jongste trouwens enkele weken mijn leerling geweest is, toen ik ooit een interim deed. Helaas heb ik de man nooit ontmoet, zelfs niet gezien. Maar dat is bijzaak natuurlijk. Nu moeten we het dus stellen met De Werkgroep TV. Dan kan ik evengoed de tv-kritiek in De Morgen of Knack lezen.Een nieuwe stap in de  vervlakking van  het blad. Maar ook daar ga ik nu maar niet verder op in.

Enige troost is momenteel de verwachting dat er ook een tweede Dwarskijkerboek verschijnt, want er resten immers nog 12 jaargangen om artikels uit te selecteren. Intussen heb ik eindelijk een reden om de massa exemplaren van het blad die nog in mijn woning (en de vorige!) rondslingeren, te blijven bewaren.

Lees ook wat een andere treurende fan/blogger schreef en iemand die het mooier kan zeggen dan ik.





Klasuitje

10 05 2010

Ik richt me tot een nadrukkelijk verveelde leerling: ‘Komaan, M, kun je niet een beetje je best doen interesse te tonen? Je loopt er bij alsof het allemaal tegen je zin is.’

M: ‘Awel ja, ik bén ook niet geïnteresseerd. Als ik u meeneem naar de voetbal, zult gij u toch ook vervelen?!’

Dat was weer ad rem.





Geraaskal met een strikje om

29 12 2009

Na jaren ervaring is me één ding duidelijk: de ellendigste dag van het jaar is die ene dag zo ergens tussen Kerst en Nieuwjaar waarop ik na lang uitstellen beslis cadeautjes te gaan kopen. Goed, niemand vindt dat echt leuk, maar laat me u met tegenzin overtreffen: er is doorgaans niets dat me een ellendiger gevoel geeft dan het op zoek moeten gaan naar geschenken.

Dat heeft in tegenstelling tot wat u zou verwachten, niets te maken met volle winkels, drukke straten en hinderlijke medemensen. Ik woon midden in de stad en als ik dat zou willen, kan ik de drukste momenten met gemak vermijden. De treurigheid en zinloosheid van het winkelen, de doelloosheid van de hele onderneming, maken dat ik terneergeslagen geen oog of oor heb voor de massa om me heen.

Al dat stappen door de straten – deze week net ook nog eens een kapotte fiets, dus alles gebeurt te voet – biedt me de tijd om één en ander te analyseren. Het is niet dat ik mijn dierbaren niets gun, integendeel: mijn favoriete dagdroom is winnen met de lotto en mijn familie alles geven wat ze begeren. En dat brengt ons  dan ook tot het punt waar ik het treurigst van wordt: deze mensen hebben in feite helemaal niets nodig. Zelfs al bedroeg mijn budget het tienvoudige, ik zou nog niet weten waarmee hen een plezier te doen.

Want dàt is het grote lijden: dagen, nee weken vooraf beginnen piekeren over wat nu precies geschikt is voor al deze mensen. Ze hebben toch hobby’s en interesses, hoor ik u al zeggen. Wel, dat wil wel eens tegenvallen, maar daar wil ik optimistisch over blijven. Alleen ben ik er van overtuigd dat wie in min of meerdere mate fanatiek met iets bezig is, of het nu breien, koken, klassieke muziek, interieurvormgeving, muziek, voetbal of wat dan ook is, zelf veel beter weet wat hij of zij wil, of door al jaren met die hobby bezig te zijn, al lang over alles en nog wat beschikt om deze bezigheid naar believen uit te voeren. De wereldreiziger heeft al een rugzak, een veldbed en een zaklamp. De jazzfanaat heeft all de  juiste cd’s. De gezelschapsspeler heeft zich de nieuwste spelletjes zelf al aangeschaft. Die oma heeft al pantoffels, zakdoekjes en koekendozen (700 zelfs!). De plezante nonkel heeft al 6 keer een onnozel gadget gekregen. Genoeg is genoeg, toch?

Dus strompel je langs etalages vol lelijke en overbodige spullen die niemand wil kopen – laat staat krijgen!  Hoe mooi versierd ook, hoe prachtig uitgestald, de meeste winkels liggen vol bazaar. Een geschenkenwinkel zelf is nog het ergste.  Kitschparadijzen. Of al die pakketten en cadeaubons die mensen dan verplicht moeten gebruiken. Nee, dank u. Dus bedenk je dan toch maar iets min of meer aanvaardbaar waarbij persoonlijk en origineel al lang geen passende adjectieven meer zijn, gewoon een kwestie van die nieuwjaarswensen niet met legen handen te moeten overbrengen. Ik vind mezelf dan eigenlijk een beetje zielig, mag dat? Omdat ik weet dat wat ik dan uitkies, eigenlijk nietszeggend is. Omdat bij het afgeven van het geschenk alle betrokken partijen weten dat dit een formaliteit is die moet afgehandeld worden.

Dat zou je tot in het absurde kunnen doortrekken. Mijn broer Boris en ik bedachten een keer dat je met een zeer bizar of volstrekt onnozel geschenk zou kunnen komen aanzetten, dat je dan afgeeft met een ernstig gezicht en waarbij je dus braaf je plicht vervuld hebt: een cavia voor mijn vader, een vislijn voor mijn moeder, een fietshelm voor mijn oma, een waterpistool voor mijn opa. Blij zouden ze er niet mee zijn, maar ik ben er wel vanaf en er kan me niets verweten worden.

In de loop der jaren tref je wel eens een passend geschenk aan natuurlijk. Of je hebt goed waargenomen wat er nodig is. Of je hebt het de betrokkene gewoon gevraagd: wat heb je nodig, waarmee kan ik je een plezier doen? Dat helpt tegenwoordig niet meer. Die mensen weten zelf ook niet wat ze willen of nodig hebben. Een fruitmand, besliste mijn oma dit jaar. Ik eet iedere zondag braaf alle bananen op die ze me toestopt.  Zij eet nooit fruit, hoogstens een gedroogde vijg. Wat moet ze met een fruitmand? Mijn vader weet het al helemaal niet meer. Consumeren is al zijn hobby. Mijn moeder dan weer wel, waarop ik dan precies koop wat ze zegt en ze dus blij maar geenszins verrast dvd’s en boeken ontvangt die op haar verlanglijstje stonden.

Het ideale geschenk, zo heb ik vroeger al een keer geconcludeerd, is iets dat vanuit het hart komt. Dat klopt, mijn oma ’s dierbaarste geschenk is een rijmpje dat ik schreef en dat nu ingekaderd op een ereplaats hangt in de woonkamer. Mijn vader doen we – vermoedelijk-  een plezier door hem een uitstap of etentje te beloven. Maar dat weegt dan toch weer erg licht, zeker op het moment van overhandiging. En het lijkt toch ook weer van te weinig moeite te getuigen.Een lief woord, een klein gebaar, als het er op aankomt is dat not done.

Ik ben nu anderhalve dag door weer en wind op zoek geweest en ben eens te meer zeer treurig gestemd geraakt. Ik lijk ieder jaar hetzelfde te kopen, of anders datgene van twee jaar ervoor. Ik heb nog niet voor iedereen iets en neem mijn uitvlucht tot clichés. Ik heb vooral veel voor mezelf gekocht, want dat is het gekke: ik weet wél precies wat ik wil en nodig heb.

Dat is dan het positieve aan dit hele gedoe: ik krijg zelf vooral envelopjes. Ook geen verrassingen, ook geen moeite voor de schenker. Maar ik ben er wel blij mee. Toch zit ook daar weer een wrange nasmaak aan. Moet ik concluderen dat ik eigenlijk betaald wordt voor dat gepieker en door weer en wind-gewandel? Komt het daar eigenlijk op neer? Loon naar werken? Die geschenkentijd moet trouwens sowieso gewoon onze economische kringloop draaiende houden. De verwachtingen van mensen zijn mee gegroeid met onze welvaart en welstand. We zijn verwend, door- en door. Op het akelige af. Ten koste van onze geestelijke gezondheid (al die stress en zorgen om wat geschenkjes) én het milieu, want de productie van al die brol brol brol uit die brolwinkels eist zijn tol.

Dit blogstukje barst uit zijn voeten, ik dreig te gaan raaskallen. Maar het zit me hoog. Geen boosheid of ergernis maar droefnis. Maar er is niemand schuldig aan en er zijn geen oplossingen voor want niemand zal de trend in gang zetten om géén cadeautjes meer te willen – en dat is eigenlijk ook  trouwens niet wat ik wil.  Maar het is een smet op mijn vakantie. Verstoorde dromen. Doembeelden van ontevreden familieleden, teleurgesteld in zoon en kleinzoon. Eén jaar om het goed te maken. En dan is het weer van dat.

Dank voor uw geduld.





Wasmeda?

1 12 2009

Wat betekent dit?

Een doodgewoon artikel levert met de afgelopen dagen de hoogste bezoekcijfers op in meer dan een jaar. Wat zich daarachter? Ik tref geen noemenswaardig hoog aantal sites aan waar mensen doorgeklikt hebben, noch is er een gerelateerde zoekterm die opvallend hoog scoort. Ook de cijfers via een onafhankelijke teller geven dit fenomeen aan. Mysterieus!





Jacht op de fietser

2 10 2009

Amper bekomen van het wat van de pot gerukte idee dat men overweegt ons brutoloon te verlagen, vernam ik vandaag dat nu ook de fietsvergoeding voor leerkrachten op de helling komt te staan. Ik fiets uiteraard niet naar het werk omdat me dat geld opbrengt – ik woon zo dicht bij school dat ik daar amper 13 euro voor terugkrijg – maar ik vind het wel een mooie stimulans. En hoewel ik ook zonder vergoeding met de fiets naar school zou blijven rijden, voel ik me lichtjes verontwaardigd dat men het weer zo ver gaat zoeken: waarom moet de leerkracht rechtstreeks benadeeld worden, de al niet zo fantastische betaalde ambtenaar wiens extra voordelen sowieso al in het niet vallen in vergelijking met die van velen uit de bedrijfswereld? Berg dat idee maar snel weer op, beste beslissingsnemers,fiets vooraleer ik nog meer schoolmeesterachtige protestpraat ga uitslaan.

Intussen lees ik ook dat de burger jaarlijks meer dan 34.000 euro betaalt om het jacht van onze vorst te laten bewaken. Misschien moet die ook maar eens wat meer fietsen dan jachten.

Maar goed, het onderwijs zoekt naar besparingen. Dat is een treurig bericht, want hoewel onze school niets te kort heeft, is het toch vaak puzzelen en rekenen. Ik roep de stad Gent echter maar meteen op om eindelijk eens wat te doen aan de gigantische energieverspillingen op de scholen. De verwarming zal binnenkort weer op volle toeren draaien en blijkbaar is het hier in stadsscholen zo dat je niet zelf kan bepalen hoe warm of koud je het precies wil in je school, laat staan in je klas. Dus zitten we te puffen en te zweten, staan we in T-shirt voor de klas en moeten we meer dan eens per dag de ramen open zetten. De verwarming uitschakelen, lost  niets op, want de vanuit een mysterieuze plek aangevoerde warmte blijft gelijk en verspreidt zich dan over een andere ruimte. De warmste plekken op onze school zijn dus de lokalen waar niemand is.

Boekhoudkundig valt één en ander wellicht niet te compenseren,  zo gaat dat bij de overheid. Ik durf er nochtans vanuit gaan dat de verwarming in alle scholen 2 tot 5 graden lager zetten, gigantisch veel meer zal opbrengen dan die lustige fietsers hun kruimels af te pakken.





Bent u al in de stemming?

5 06 2009

Uit onderzoek blijkt dat CD&V de populairste partij is bij 18-jarigen. Ik sta daar lichtjes versteld van. Hoe kan een traditionele, in de praktijk ook conservatieve partij het zo goed doen bij wat verondersteld wordt een kritische doelgroep te zijn? Ik ken niet zo veel 18-jarigen meer, dus ik viseer niemand, maar volgens mij zijn ze met zijn allen lekker dom en mak, die jongvolwassenen.

Ik geef toe niet bijzonder goed op de hoogte te zijn van het programma van CD&V. Zoals wellicht vele honderdduizenden die morgen gaan stemmen en zoals ik vrij zeker en rustig veralgemenend durf stellen, zoals ook al die 18-jarigen. Wat mij dus in de media en propaganda net lichtjes doet kokhalzen, spreekt blijkbaar toch heel wat jongeren aan. Terwijl ik gruwel van het toekomstbeeld van een met christelijke hypocrisie bedekt fatsoen waarmee CD&V’ers ons betuttelen, verheugt dat kwart van die 18-jarigen zich blijkbaar op de huiskamergezelligheid die zo’n bestuur met zich meebrengt. Terug naar de tijd van de lochting en de boterham met smout.

zusterAkkoord, de mensen in wie ik CD&V het sterkst verpersoonlijkt zien, zijn net wat naar de achtergrond verdrongen: Yves Leterme, een klein en bitter mannetje met wie ik enkel een thermos koffie op een plastic tafelkleed associeer en een zondagnamiddagse uitstap naar Geraardsbergen of zo, om maar een uitgestorven gemeente te noemen die met enige fantasie nog als toeristische trekpleister kan fungeren. En daarnaast natuurlijk Zuster M., over wie ik van mijn oversten hier niets meer mag schrijven (maar het internet vindt alles). De lokale Bulstronk die fatsoen meent op te leggen op tirannieke wijze, heeft het bij mij voor eeuwig en altijd verkorven.

CD&V heeft zijn brocanterieën dus even opgeborgen en zet andere gipsen beelden op de voorgrond. Kris Peeters bijvoorbeeld. De media portretteren hem – en nu kom ik even niet meer bij – als de George Clooney van Vlaanderen. Een zeer gebrekkige fantasie van de betreffende journalist (die de mosterd bij Bob Geldof haalde) – Peeters is hoogstens de William H. Macy macyvan Vlaanderen. En dat is dan nog flatterend bedoeld, want Macy is wel een erg goede acteur. Om maar te zeggen: Peeters is inderdaad niet het met gouden brilmontuur en zuur lachje getooide typische CD&V’ertje, maar de glamour van Italiaanse villa’s, martini en nespresso is ver te zoeken. Peeters doet me op zijn best aan een verdienstelijke bankdirecteur denken die ik niettemin van enige beschetenheid zou verdenken. Nee, dan stem ik nog liever voor Jean-Jaques De Gucht, wiens intelligentie, ervaring en zelfzekerheid niet moeten onderdoen voor zijn welbespraakthei… HAHAHAHAHA, ja daar had ik u even liggen.

Mijn stem zal dus zelfs niet in de buurt komen van iets oranje en ik gehoorzaam al evenmin Jean-Luc Dehaene, die ons vraagt niet op de kleine partijen te stemmen. Maar ik zie in mijn stemgedrag alleen maar wat ik in het dagelijks leven zo vaak zie: je hebt de massa en je hebt Sven. Mijn partij zal morgen geen potten breken, maar ik koester de illusie dat ik voor oprechte en degelijke mensen gekozen heb wiens ideeëngoed aansluit bij mijn eigen normen en waarden. Ik vraag van u niet hetzelfde, maar alstublieft, denk toch een heel klein beetje na straks in dat hokje.

 





Even knorren

19 02 2009

Nu ik weer volop van goeie boeken geniet, overviel me onlangs de drang één van mijn favoriete boeken, Bankvlees, te herlezen. Helaas, mijn exemplaar staat niet meer in de boekenkast en ik heb geen idee aan wie ik het uitgeleend heb.

Het moet al lang geleden uitgeleend zijn, want ik mis het toch al maanden. Ik noteer vrij vaak wie wat leent, maar dan vooral wat dvd’s betreft. Nu noteerde ik dus niét. Ik heb weinig boeken, leen ze dus ook nauwelijks uit en lig er dus des te sneller van wakker wanneer er eentje vermist is.

Ik kan daar eens om zuchten, maar ik zit zo niet in elkaar. Ik trek me dat aan en laat er slaap voor. Tracht mijn uitleengedrag te reconstrueren. Maak me héél erg boos op al die leners die maar lenen en lenen zonder mij er eens aan te herinneren dat ze iets van me hebben of een seintje te geven dat ze er nog niet aan begonnen zijn en of ik dus nog even geduld heb. Geduld heb ik in overschot, maar ik wil dan wel weten voor wie.

Ik wil mijn Bankvlees terug. En nu we er toch over begonnen zijn: ook de films Mean Creek, Inside Man, Adaptation, Fear & Loathing in Las Vegas en Where the Truth Lies, stilaan allemaal zowat langer dan een jaar vermist. Aan verschillende mensen uitgeleend.

Ik zou er wantrouwig durven vanuit gaan dat Boris nog over één van de verdwenen objecten beschikt en ik vrees dat ik in dat geval nog veel humeuriger wordt want dan moet ik er zeker nog tot juni op wachten. Maar eigenlijk verdenk ik anderen.

Ja, mijn irritatiedrempel was laag vandaag dus beschouw dit beslist als een knorrig bericht.





We zullen wel zien

3 06 2008

maart 2008:
-Goeiedag, met de klantendienst van de NMBS? Ik wou graag melding doen van schade.
-Ja meneer, waarover gaat het precies?
-Wel, ik heb vastgesteld dat de muur van de parking van het station Dampoort voor een deel is ingestort en op het fietspad ligt.
-Oei, dat gaan we zeker doorgeven. Dank voor uw oproep, meneer.

De volgende dag:
– Met Patrick De Geyter, Coördinatie Werken.
– Goeiedag, meneer De Geyter, u spreekt met Katia Meganck van de klantendienst. We kregen een telefoontje dat er een muur vernield is van de parking aan het station Dampoort. Een deel ervan ligt op het fietspad. Mag ik deze zaak aan u overdragen?
– Neen madam, dat is werk voor de Dienst Gebouwen. Ik kan u niet helpen.
-Oké dank u wel.

– Met Dirk Vandevelde, Dienst Gebouwen.
– Meneer Vandevelde, u spreekt met Katia Meganck van de klantendienst. Er werd ons schade gemeld aan de muur van een parking van het station Dampoort. Kunt u die zaak aannemen?
-Dat is te zien of die parking NMBS-eigendom is of niet. Dat zoudt ge moeten navragen bij de dienst beheer. Zo ja, dan zal mijn dienst het nodige doen, maar anders is het aan de stad Gent.
– Kunnen er dranghekkens voorzien worden om het publiek af te schermen?
– Dat is afhankelijk van het antwoord op de vorige vraag.
– Goed, dank u wel. Ik zal dan eerst naar de dienst beheer bellen.
– Doe dat, maar ’t is 10 voor 4, daar zal niemand meer opnemen.
– Dan zal het voor maandag zijn.

Vier dagen later.
– Met Oscar Martens, Dienst Gebouwen.
– U spreekt met Katia Meganck van de klantendienst. Ik belde u vorige week over die ingestorte muur op de parking van station Dampoort.
– Dat zal mijn collega geweest zijn, want ik was hier vorige week niet.
– Kan ik dan diegene spreken die ik vorige week aan de lijn had?
– Als u Dirk Vandevelde bedoelt, nee, die heeft een dag sociaal verlof genomen.
– Ah zo. Wel, het gaat over die ingestorte muur op de parking van station Dampoort. Bent u op de hoogte van die zaak?
– Neen.
– Er werd ons gemeld dat een deel van de muur rond de parking van station Dampoort beschadigd werd en een deel ervan op het fietspad terechtgekomen is. Uw dienst zou dat kunnen oplossen?
– Dat is te zien of die parking NMBS-eigend…
– Ja, dat heb ik nagevraagd bij de dienst beheer.
– Goed, dan zullen wij dat zaakje regelen.
– Bedankt

Een halve dag later
-Frans, met Oscar hier. Er zou daar een stuk van muur ingestort zijn aan de parking van de Dampoort. Kunt ge dat eens gaan bekijken en wat opkuisen?
-Ja, jong, ik zit hier vandaag alleen. Morgen is Abdul hier, we zullen dat dan gaan bekijken.

De volgende dag 
– Oscar, ’t is Frans. Zeg, ik ben eens gaan kijken naar die ingestorte muur en …
– ’t is Dirk hier. Is dat die muur aan de Dampoort?
– Ja, Oscar had daar gisteren over gebeld.
– Jamaar, zijt ge zeker dat die muur van ons is?
– Daar heeft hij niks van gezegd.
– Aja, wacht dan voor ge d’er iets aan doet.
– Ja maar, we zijn al geweest. Dat zijn zware brokken jong, daar beginnen wij niet met ons blote handen aan. We zullen er wat hekkens rondzetten zeker?
– Dat is goed. Laat het daar voorlopig maar bij.
– Dat zal wel voor volgende week zijn, met dat verlof en die brugdag en al.
-Ja, da’s normaal hé.

Een week later
-Meneer Vandevelde? Met Katia Meganck van de klantendienst. Ik heb u vorige week gebeld in verband met een ingestorte muur aan de parking van station Dampoort. We kregen intussen diverse meldingen over dat puin.
-Ja, we zijn daar mee bezig, maar ik kan geen commando doorgeven als ik geen bevestiging heb van het feit of de NMBS eigenaar is van het terrein.
-Maar dat heb ik vorige week aan uw collega al doorgegeven.
-Oscar? Ah, maar die is met vakantie en ik heb hem nog niet gezien. Zodus.
-Zou d’er eerstdaags dan toch iets kunnen gedaan worden aan dat puin op de rijweg?
-Ik zal zien wat ik kan doen.

De volgende dag.
– Frans, met Dirk hier. Kunt gij hekkens gaan plaatsen rond dat puin aan de Dampoort?
– Ja, maar opkuisen, daar begin ik niet aan hé. Ik heb het tegen Oscar ook gezegd, daar hebben we het juiste gerief niet voor.
-Alleen hekkens is goed dan. We zullen dan wel zien wat we er verder aan doen.

April 2008

Mei 2008

Juni 2008

Nog even geduld.





Vermijd bosrijke gebieden

9 03 2008

… aldus Sabine Hagedoren vandaag in het weerbericht.

Dat wordt een gezellige bosklas.

Tot volgende week.





Bijtende bloggers

19 11 2007

Een woelige dag op en rond deze blog. Meer zelfs nog op gerdernissen.

Op enkele blogs werd er giftig gereageerd op de meningen die ik hier bracht over enkele van de genomineerde blogs. Gerda werd nog strenger aangepakt en her en der door het slijk gehaald omdat ze waagt haar eigen criteria op te stellen voor wat een goede blog zou horen te zijn.

Wat hebben we geleerd?

–  Een tegenreactie gaat steeds vergezeld van verwijten, minachting en niet ter zake doende argumenten.

– Een artikel wordt niet grondig gelezen want anders moet je een genuanceerde of relativerende reactie plaatsen in plaats van gal. Er wordt geen moeite gedaan iemand echt te begrijpen of de zaak vanuit een ander standpunt te bekijken.

-Niemand kan tegen kritiek. Ook niet als die niet persoonlijk is, geargumenteerd is en voorzien is van positieve accenten of tips.

-Je familie mag niet dezelfde mening hebben als jezelf of je mag enkel iemand bijtreden als je geen familie bent.

-Iemand in het harnas jagen, geeft die persoon ook veel inspiratie. Zowel Volume12 als Tales of Drudgery & Boredom wijten ellenlange artikels aan hun reactie op de kritiek op hun blog.

-Als je kritiek hebt op een genomineerde blog MOET je wel gefrustreerd zijn dat je zelf niet genomineerd bent.  

-Door anderen bespuwd worden levert héél veel bezoekers op.

-Bloggers die in werkelijkheid waarschijnlijk sympathieke mensen zijn, vinden er plezier in op hun blog bijzonder antipathiek uit de hoek te komen.

-Het is erg verstandig van vele bloggers om met geen woord over de blogverkiezing te reppen. Ik weet wat ik volgend jaar ga doen.

-We weten zelf ook allemaal dat we beter niét reageren op kritiek of een reactie op onze kritiek of een tegenreactie op een reactie op onze kritiek, maar we doen het toch.

-We willen eigenlijk allemaal enkel reacties van mensen die het met ons eens zijn. Als er ons iemand lik op stuk geeft, doen we alsof ons dat niets doet.

-We schrijven allemaal alleen voor onszelf, willen alleen maar ons ei kwijt zonder reacties van anderen nodig te hebben en trekken ons dus helemaal niets aan over wat anderen van onze blog vinden. Niemand noemt zijn eigen blog echt goed. Tegelijk willen we ook veel bezoekers, appreciatie en waardering en vooral een nominatie en vinden we onze eigen blog beter dan de (meeste) andere.

-We beseffen zelden dat onze uitlatingen en zelfs beledigingen eigenlijk altijd hard aankomen bij iemand. En deze pastoorswoorden komen van iemand die nochtans graag en vaak (bekende) mensen te kakken zet.

Wijze woorden, al zeg ik zelf.





En nu?

18 10 2007

“Van alles heeft de tijd ons wel geleerd dat je je nooit moet laten bedotten door het aanschijn der dingen, dat uiteindelijk alles tegenvalt, voorbijgaat, vergeten wordt.” (R. Giphart)

30_happens.jpg

 

oei pff uw tijd gaat nu in zucht amai waw nee nee! nééééééééééé oké alé dan de nooduitgang bevindt zich links van u shit zeg dju snik ochot miljaarde eindelijk? please no grr bwaark lekker awoert zie handleiding voor gebruik ay caramba okelidokeli gruwelijk boehoehoe SveN kan het nie aan fuck 30 héhéhé moest verboden worden de pot op paniek de derde ronde is kweetnie de derde ronde is gevaar! 30 rocks nen dag gelijk nen anderen als we maar gezond zijn 11 uur en nog gene patat geschild santé olé olé doe je mee de grote oversteek bloemen noch kransen in case i don’t see ya good afternoon, good evening and good night …

Herlees vooral mijn verzuchtingen: ‘3, 13 of 30?





Lombarrasdusjwa

30 09 2007

Woensdag kreeg ik de catalogus van het op stapel staande Gentse filmfestival in handen: 140 films staan er op het menu. Net iets minder dan vorig jaar en dat spijt me niet. Het is immers erg moeilijk kiezen. L’embarras du choix, zoals men wel eens zegt, want voor het overgrote deel zijn het allemaal films waar ik vrijwel niets over weet en dus allemaal potentiële topfilms. Hoe de knopen doorhakken?

Vroeger overliep ik de hele catalogus en gaf elke film een nummer, op basis van het verhaal, de regisseur (als ik die al kende) of de prijzen die de film al gewonnen had op andere festivals. Een 1 was dan een film die ik absoluut wilde zien, een twee betekende eventueel en drie was een njet. Vervolgens zocht ik dan op wanneer elke nummer 1 gedraaid werd en zo puzzelde ik dan een schema in elkaar dat dan opgevuld werd met nummers 2. Lang werk en uiteindelijk toch gedemotiveerd zijn door het resultaat, want er waren altijd wel enkele nummers 1 die geen plaatsje in het schema vonden.

Dit jaar besloot ik het anders aan te pakken en gewoon het programma helemaal te overlopen van dag tot dag en voor elk moment waarop ik plande naar het festival te gaan, één van de films te kiezen die op dat moment speelden. Over de films die niet aan de orde waren zou ik dan gewoon niets lezen of opzoeken zodat ik ook niet wist wat ik miste.

En dan begin je er aan. Eerste voorstelling, keuze uit 5 films. Hoe kies je daaruit? De plotbeschrijving blijft de voornaamste factor. Zo valt er mogelijk al eentje af. Gewoonlijk liggen alle genres me, maar als je soms drie films per dag ziet laat ik de plattelandsfilms of historische prenten het eerst vallen. Het land van oorsprong bepaalt de volgende selectie. Jammer voor Polen, China, Rusland en om het even welk Centraal-Afrikaans land, zij vallen eerst af. Vervolgens kijk ik naar de duur van de film. Die kan me gewoonlijk niet schelen, maar op een festival heb ik mijn films liefst kort. En als er dan nog meer dan één film overblijft, kies ik simpelweg voor de film die in de dichtsbijzijnde bioscoop draait. De vier locaties van het festival zijn weliswaar allemaal dichtbij, maar ééntje is gewoon tegenover mijn deur en dan twijfel ik niet meer. Maar dat is dus pas van belang in de laatste instantie natuurlijk. Kunt u nog volgen? 

En zo slaag ik er dan toch in een planning op te stellen. Na een uur of twee en heel wat gepuzzel. Het leven zou soms misschien wel een stuk eenvoudiger zijn zonder zoveel keuzes, niet? 

Waaruit kunt u zo moeilijk kiezen?  





3, 13 of 30?

31 08 2007

zone301.gif

Nu ik al meer dan een jaar op dezelfde school aan het werk ben, vond ik dat al mijn dierbare collega’s een plaats op mijn verjaardagskalender verdienden. De geboortedata werden dus genoteerd en ik maakte van de gelegenheid gebruik om even uit te rekenen wat de gemiddelde leeftijd is bij ons op school. Die blijkt 32 te zijn. Ik ben dus jonger dan de gemiddelde leerkracht bij ons, en dat verrast me. Ik word de laatste jaren niet meer als ‘jong’ beschouwd, tenzij door het  handvol bejaarde dames die in mijn woonblok gehuisvest zijn en me vragen of ik goede examenresultaten behaald heb.

Vorige week bevond ik me op een bijscholingsdriedaagse. Op de tweede avond zaten we daar met een groepje van minstens 10 mensen samen en we besloten een spelletje te doen. De jongste mocht beginnen. Aangezien we elkaar niet kenden, was het nodig dat iedereen zijn geboortejaar vermeldde. Ik bleek de jongste te zijn en dat was echt een verrassing. Ik kan me niet herinneren dat ik recent nog ergens de jongste was.

Zulke dingen doen me uiteraard stil staan bij mijn leeftijd. 29, maar iedereen zegt al 30. Men gunt je zelfs die laatste maanden voor de 3 niet meer. 30 zul je zijn, oktober of niet. En de self-fullfilling prophecy werkt. Ik zeg bijna zelf dat ik 30 ben, zodanig ben ik al onder de invloed van de grote overstap. Je kunt je niet blijven wentelen in halfvolwassenheid. Ga pensioensparen. Koop een huis. Sticht een gezin. Make up your mind. Wat wil je zijn? 13 of 30?

Het helpt niet dat mijn grootouders langs moeders kant nog geen achterkleinkinderen hebben. Ik blijf dus één van de (klein)kinderen, waarover men bezorgd is en die men een centje toestopt, want er zijn nog geen ukjes om zich zorgen over te maken. Een beschermende omgeving waarin ik niet mag trakteren op restaurant en mij gevraagd wordt of ik ‘vanavond uitga?’.

En dus voel ik me geen 30 zoals andere dertigers, die zich zorgen moeten maken om de lening en de schoolkeuze voor de kinderen. Ik ben niet aan het verbouwen en moet niet naar de opendeurdag van kleuterscholen. Vreemd dat ik dat zeg, want in mijn vrienden- en kennissenkring zijn de niet-stereotiepe dertigers nochtans in de meerderheid. Ik gedraag me ook niet als een dertiger. Ik loop over de pas aangelegde richels van de verbouwde steenweg in Haaltert als een 8-jarige die zijn evenwicht zoekt. Ik trek strepen in de ramen van ongewassen auto’s. Ik bouw zandkastelen met mijn leerlingen. Ik ben verslaafd aan The Simpsons. Ik drink melk. Ik hou van gevechten met waterpistolen. Ik lust geen spruitjes of witloof. Ik herlees Jommekestrips en  snoep graag. Ik moet de drang om foptelefoontjes te plegen, onderdrukken. Ik wil met een karretje door de supermarkt racen. Ik wil ’s nacht door een bos lopen met de KSA. Ik wil leerkrachten uitlachen en me afzetten tegen despoten. Ik ben en blijf ook 13. Of 3.

En dat is niet erg. Er bestaan al voldoende dertigers of bijna-dertigers die zich geconformeerd hebben en meer op hun ouders gelijken dan goed voor hen is. Iedereen gaat elkaar imiteren en verwacht ook dat alle andere dertigers een gelijkaardige levensstijl aannemen. Laat hen maar een generatie op zichzef vormen. Ik reageer nog altijd zeer verwonderd als iemand me vraagt of ik kinderen heb. Zien ze dan niet dat ik daar veel te jong voor ben? Maar ze kunnen niet in mijn hoofd kijken natuurlijk. Als ik in de bank sta of een overdachte aankoop van iets duur overweeg, denk ik niet serieus genomen te worden omdat ik te jong ben. Maar dat gebeurt nooit, integendeel. Ik zie er dertig uit en wordt ook zo behandeld.

En toch ook weer niet. De ouders van mijn leerlingen vinden me een jonge leerkracht. Maar dat heeft met ervaring te maken en niet met leeftijd. Mijn leerlingen vinden me net nog jong genoeg – binnen afzienbare tijd ben ik voor hen te oud. Grapjes over mijn leeftijd (vrijwel altijd door jongere mensen) vind ik extreem flauw. Blijkbaar krenkt dat mijn ego. Mijn identiteit staat toch los van mijn leeftijd? Maar misschien gedraag ik me ondanks de voorgaande beschrijvingen vaak als een dertiger. Ik kraak pubermode af en bekritiseer de verwaarloosde maatschappelijke waarden. Ik zit graag rustig thuis. Ik zeur als iemand uitgeleende spullen niet goed behandeld. Ik verdraag geen luide MP3’s op de trein en draag geen sportschoenen. Ik heb een ouderwetse GSM en help bejaarden met het inladen van hun bagage in de trein. Ik maak me zorgen over de verdere studies van mijn leerlingen. Ik ga graag op restaurant en snauw jobstudenten af als ze hun werk slecht doen. Ik lees wel eens De Standaard en kijk naar Ter zake. Erg volwassen allemaal. Ik ben wel degelijk bijna dertig.

Hoe zit het dus? Hoe oud ben ik eigenlijk? Mentaal gezien of fysisch? Het zou niet moeten uitmaken. De jongere mensen die er lacherig over doen, staan er niet bij stil dat het hen ook te wachten staat. Zo was ik ook, jaren geleden. De ouderen reageren mild, maar veroordelen je goedbedoeld tot de routine van de dertiger. De wankele conclusie die ik voorlopig handhaaf, is dat het alleen maar bergaf gaat. Het leven wordt korter, saaier, eentoniger, harder, meedogenlozer. Of zijn er plusdertigers die dat kunnen tegenspreken?

Wat er ook van zij, als ik me al minder gelukkig zou voelen omwille van mijn leeftijd, dan ligt dat aan de samenleving met de enge verwachtingspatronen – los van de occasionele ochtend waarbij het gezicht in de spiegel wel honderd lijkt. Dus hoop ik nog lang naar The Simpsons te mogen kijken en toch heel fatsoenlijk belasting te betalen. Luchtgitaar te spelen en toch klachtenbrieven te sturen over onveilige verkeerssituaties. 13 zijn én 30.

Maar voorlopig nog even 29.





USA: dag 21 & 22

31 07 2007

Op een onmenselijk vroeg uur hijsen we ons uit het iets te kleine bed in de verder excellente jeugdhostel in Santa Monica (Los Angeles). Het is feitelijk nog midden in de nacht, maar de vele uren die we op het vliegtuig zullen moeten doorbrengen, zijn een troostend vooruitzicht. Voor een ontbijt is geen tijd of gelegenheid. Om half zes zijn we op weg naar LAX, de luchthaven van Los Angeles. De laatste rit door deze wereldstad wordt verstoord door een discussie over de juiste weg. Maar na het inleveren van de al bij al niet al te zeer afgeleefde auto bij het verhuurbedrijf, staan we om zeven uur toch tijdig in de rij om de bagage in te leveren. Bizar genoeg weegt mijn rugzak nu meer dan in het heengaan, terwijl ik vrijwel niets extra heb gekocht. Zweet en zand?

Om half tien gaan we aan boord richting New York. Ik geniet onderweg nog maar eens van een filmpje. Banaal, maar momenteel snak ik naar cinema, dus ik slik alles. Behalve het eten dan, dat alweer van bedenkelijke kwaliteit is. We landen om drie uur, maar mogen we onze klok meteen drie uur vooruitdraaien. Vrijwel meteen reizen we verder. Om half acht vertrekt immers de nachtvlucht naar Brussel. Aan boord wordt het me iets te moede. Alsof er ironie mee gemoeid is, tref ik aan boord een massa Vlamingen aan die me wel erg snel ontnuchteren. Degelijke katholieke gezinnen, een Leuvens meisjeskoor dat op dit moment uit werkelijk afstotelijke en domme bakvissen lijkt te bestaan, gepensioneerden die in Blankenberge een verkeerde afrit namen, Antwerps gekwek en Kortrijks geneuzel, … ik verafschuw mijn eigen volk zoals ik nog nooit eerder heb gedaan. Wat zijn ze banaal en eng. Onbewust moet het reizen door een reusachtig en gevarieerd land als de Verenigde Staten – waarbij je dan nog eens een massa andere nationaliteiten tegenkomt – mij enigszins hebben bevrijd van die Vlaamse kettingen, maar nu worden ze meedogenloos hard aangetrokken. Op de stewardess na spreekt niemand nog Engels en het gezanik van de Vlaamse vracht, in trainingen en T-shirts die hun vakantiestops benadrukken, benauwt me.

Ik hoopte op nog een film, maar de povere geluidskwaliteit van dit Belgische vliegtuig verhindert dat. Slapen in een vliegtuigstoel lukt moeilijk als je bijna twee meter groot bent. Dan maar wat sudoku’s invullen (dank u, Knack, voor het vakantieboekje vol puzzels). Maar we zijn vlug in België. De terugreis lijkt altijd korter (en dat is ze eigenlijk ook, want we hebben de luchtstroom mee) (wat klinkt het gek dat de natuur uiteindelijk nog invloed blijft hebben op een indrukwekkende uitvinding als het vliegtuig – dit even terzijde).

Wanneer we in Brussel landen, ben ik weer goedgehumeurd. De reis heeft lang genoeg geduurd. We zijn intussen nog een dag verder, want de tweede vlucht heeft zes uur geduurd en de kleine wijzer mag nog zes rondjes doen. Ik ben moe, maar nu ik enkele duizenden kilometers meer van deze aardbol heb gezien, voel ik een zekere tevredenheid. Ik vraag me af welke vorm dit gevoel de komende dagen aan zal nemen. Voldoening? Euforie? Een zakelijk ‘dat hebben we weer gehad’? Wat zal deze reis uiteindelijk losgemaakt hebben? Ik denk ook aan alles waar ik aan gehecht ben in het dagelijks leven. Ik kijk uit naar de routine en de sleur, vreemd genoeg. Wil dat zeggen dat de batterijen opgeladen zijn, ondanks het feit dat ik eigenlijk eerder een vakantie dan een reis nodig had? Alleszins is thuiskomen blijkbaar nog prettiger dan vertrekken.

In de komende dagen zullen alle verslagen nog worden verbeterd en aangevuld!  








%d bloggers liken dit: