Anti-Sven (3): De Steigerende Studiemeester

6 02 2010

We zijn al aan de derde aflevering toe van deze reeks, waarin ik terugblik op conflicten uit mijn verleden, ontstaan door mijn drammerige geschrijf. Vandaag staat een studiemeester centraal aan wie in geenszins positieve herinneringen heb.

Toen ik als 13-jarige mijn eerste stappen zette op de middelbare school, werd ik net als velen voor mij en nog heel wat na mij, tijdens de  middagpauze geconfronteerd met de onzinnige discipline van een op hol geslagen studiemeester. Ik heb het hier al eerder over hem gehad. Die feiten zijn van weinig belang. Laat ons zeggen dat de niet meteen mensvriendelijke omgang met de leerlingen, de man niet bepaald geliefd maakte. Maar soit, een jaar later mocht je aan de overkant eten en mocht de heer R. opgaan in een zwavelwolk van herinneringen.

Zo’n 8 jaar later was ik net als de meeste zomers op post als hoofmonitor van de speelpleinwerking in ons dorp. De dochter van meneer R. diende zich daar op een dag aan als monitrice. Ze sloot zich aan bij onze leuke groep en toen enkele dagen ‘ontdekt’ werd wie haar vader was, deed dat er eigenlijk niet zoveel toe. Er werd wat gegrapt en bovendien wist dat meisje zelf wel dat haar vader niet zo populair was. Maar nu waren we allemaal toch al verstandiger en volwassener en de feiten werden zondermeer aanvaard.

De zomer van plezier en samenhorigheid werd afgesloten met een barbecue. Ieder legde 300 frank uit en we kochten een massa eten en drank om er een fijne avond van te maken. Iemand stelde zijn tuin open, een ander ging winkelen en ik ontfermde me over de financiën. Dat verliep niet vlot. Voor de doorsnee monitor was 300 frank al een hele hap uit het budget en we werden nog lang niet uitbetaald. Dus had ik nog hier en daar wat tegoed. Na een week kwam dat zo ongeveer wel in orde. U beseft waar dit verhaal naartoe gaat: uitgerekend de dochter van meneer R. had me nog niet betaald en de laatste werkdag was afgelopen. We woonden niet dicht bij elkaar, er was nog geen mail of gsm en ik moest via gemeenschappelijke vrienden aandringen om alsnog betaald te worden.

Twee maanden later vond er een soort reünie plaats. Ik confronteerde het meisje met haar schuld en sprak mijn ongenoegen uit over de gang van zaken. Ik kreeg enkel een boze blik en daar bleef het bij. Ik achtte mezelf toen bij momenten al heel assertief, op het brallerige af. Mijn 23-jarige ego gevoed door wat ik als sociale successen beschouwde. Ik had intussen zo goed als mijn diploma op zak en was tijdens mijn opleiding erg zelfzeker geworden. Ik vond dus dat ik de zaak op een goede manier afhandelde en was zo verbolgen door het gedrag van ‘dat kind’, dat ik besloot haar ouders een brief te schrijven.

Ik formuleerde beleefd maar wellicht ongenuanceerd wat er gebeurd was – jammer dat ik deze brief niet meer terugvind. Ik vroeg hun begrip dat ik hen nu moest lastigvallen maar na vele pogingen enzovoort. Het was het begin van een turbulente stroom gebeurtenissen die ik niet allemaal even aangenaam vond en die nu eigenlijk het vertellen niet meer waard zijn. Ik kreeg een razende en verontwaardigde brief terug, werd een leugenaar genoemd, er werd familie van me bij betrokken, ik schreef nog eens terug, de man ging zijn professionele boekje te buiten door de zaak op school uit te smeren, hij bracht ook de jeugddienst op de hoogte omdat mijn gedrag een hoofdmonitor onwaardig was, enz. Een heel gedoe dus, ik lag er even wakker van, voelde me wat wankelen op mijn stoute schoenen, maar alles ging voorbij en na enkele maanden kreeg ik via via toch nog de betreffende 300 frank, met het verzoek niet aan die ouders te vertellen dat ik eigenlijk al die tijd wel recht van spreken gehad had. Case closed.

Zou je denken. Een jaar of twee later besloot ik weer te gaan studeren en daarvoor had ik een kopie nodig van mijn middelbareschooldiploma. Op een verloren dinsdag of zo trok ik dus naar mijn oude school, betrad de akelige gangen waar ik gelukkig maar zelden op het matje was geroepen en wendde me tot de eerste de beste die ik aantrof.

Zijn vriendelijke aanwijzing liet mijn bloed ijskoud door mijn aders jagen. Wat ik heel vaag al gevreesd had, bleek dan toch te gaan gebeuren: alsof de school maar één personeelslid had, bleek meneer R. net degene te zijn bij wie ik me diende aan te melden. Ik zou de confrontatie moeten aangaan met iemand die ik op papier en van op afstand flink had tegengesproken. Het was tijd om te tonen dat ik niet alleen uit woorden bestond.  Met loden schoenen en koud zweet in mijn handen, stapte ik de trap op. Voor de deur zamelde ik al mijn moed in, slikte een bolletje van angst door dat in mijn keel stak , haalde mijn meest zelfzekere blik boven en klopte aan.

Alsof hij zijn hele leven op dit moment gewacht had, keek meneer R. me aan toen ik in zijn deurgat verscheen, met zijn typische nijdige blik die  van mij meteen weer een 13-jarige jongetje maakte. Mijn naam was hem al bekend nog voor ik me voorgesteld had. Hij wist het gewoon. Instantly. We doorliepen razendsnel het beleefde protocol waarbij ik stamelde wat ik kwam doen, naar dat moment racend waarbij hij mijn naam zou vragen terwijl we allebei al wisten dat ik het was. Die van die brief. Die van dat geld. Die van dat gedoe met zijn dochter. ‘Ik dacht het direct’ brulde hij nog voor de laatste lettergreep van mijn naam van over mijn lippen gerold was. Het over twee jaar opgespaarde  ongenoegen kwam er in één teug uit. Met of zonder secretaresse in de kamer.  ‘Dat was nogal wat, zeg! Wat gij daar allemaal hebt geschreven! Ge moet nogal durven!’ Intussen  deed hij zijn werk. In archiefkasten zoekend en stempels zettend en zo, fulmineerde hij maar door. Ik kreeg nog eens alles te horen wat hij me al geschreven had en onderging dit schijnbaar stoïcijns. Dat leek me de beste houding, net geen spottende grijns op mijn gezicht. Ik begon me alleen maar sterker te voelen. Wat kon hij me maken? Ik zou sowieso met mijn documenten naar buiten gaan. Ik vond het vooral triest. Twee jaar lang niets beter te doen hebben gehad dan woede opsparen. In bijzijn van collega’s zich zo laten gaan. En vooral volkomen onwetend van de ware afloop van de gebeurtenissen.

Ik bleef uitermate koel. Ik heb maar een ding gezegd en heb gezorgd dat het er zo kalm en nonchalant mogelijk uitkwam: ”Ik denk eigenlijk niet dat u toen goed wist waar u mee bezig was. De waarheid hebt u nooit geweten”. Of iets dergelijks dat lang niet zo dramatisch zal geklonken hebben als het hier te lezen staat, maar dat me wel een triomfantelijk gevoel gaf. Met een echte grijns op mijn gezicht stapte ik het kantoortje uit, hem vriendelijk bedankend en beseffend dat ik zijn frustratie alleen maar groter maakte door de discussie geenszins aan te gaan. Ik vind het nu nog altijd wonderbaarlijk wijs gedrag van mij. Of misschien was ik gewoon een broekschijter.

Om het even, ik vond deze gebeurtenis uiteindelijk memorabel. Het was een stap naar de (toen nog lang niet bereikte) realisatie dat conflicten en discussies op te lossen zijn op een andere manier dan met arrogante brieven – en zeker niet met gebrul en gefoeter. Het deed me ook beseffen dat je altijd met de juiste woorden moet bewapend zijn, voorzien op onverwachte confrontaties met je eigen gedrag en geschrijf. Misschien suggereert u als lezer eerder dat ik beter gewoon mijn mond zou houden? Een reflectie op mijn drang naar meningsuiting en de daarbijhorende conflicten, volgt zeker later nog.

Lees ook:

deel 1: De Fiere Filiaalhouder
deel 2: De Potsierlijke Politici
en binnenkort deel 4: de Zure Zuster





Teacher Talk

5 02 2010

In de leraarskamer.

Sarah tegen Lieselot: Er is iets met mijn fiets. Met het wiel. Ja, hoe zeg je dat, euh… Sven zal dat weten. Sven?
Sven: Ik ga dat weten als grote fietsdeskundige? Of als vocabulair verantwoordelijke?
Sarah: Wel ja, hoe noem je dat, zo een slag in je wiel?
Sven: Wel, een slag in je wiel dus.
Sarah: Nee dat bedoel ik niet, zo een ander woord.
Geert: Mijn wiel staat paraplu?
Sarah: Ja dat bedoel ik.

Het is dus niet alleen in de klas zelf dat het wel eens allemaal nergens op slaat.





Friends Forever!

31 01 2010

Nu ik een vorig artikel voor mezelf en eventueel voor u één en ander duidelijk maakte in verband met mijn Facebookgebruik, wou ik me nu even bezighouden met het kritisch bekijken van wie dan wél mijn virtuele vrienden zijn. Defriending was de trend van 2009 maar ik heb het nog maar zelden iemand weten doen.

Ik ben zelf één keer gedefriend, voor zover ik dat gemerkt heb, en hoewel ik niet zo close was met die defriender, zag ik daar echt geen enkele aanleiding voor en was ik dus toch wat beledigd. Vooral omdat ik toch wel erg weloverwogen verzoeken stuur. Maar goed, ik pleit zelf  altijd voor minder hypocrisie, dus ik kan er mee leven.

Nu schiet ik zelf in actie. Ik meldde het al, 147 Facebookvrienden begin ik wat benauwend te vinden.  Dat blijft maar groeien, zelfs al zet er zio nu en dan iemand zijn account stop. Ik stel ook vast dat ik mijn weloverdachte criteria eigenlijk niet altijd correct gehanteerd heb. Anders gezegd: ik heb wel wat volk toegevoegd waarmee ik niet zo erg betrokken voel en dus… ga ik vandaag defrienden.

Een aantal mensen op mijn vriendenlijst zou ik in het dagelijks leven immers nauwelijks herkennen. Of ik zou me haast verstoppen om een gênant moment van niet-weten-wat-zeggen te vermijden. Er zijn mensen die ik gewoonweg veel te oppervlakkig ken of met wie ik de laatste jaren eigenlijk geen contact meer heb. Met wie ik sowieso al weinig contact had. Die moeten er maar eens uit. Wat voor zin heeft het?

De ballast was kleiner dan ik dacht. 9 Mensen gedefriend. Dat ging snel en makkelijk. Ik denk dat ik onbewust al lang wist wie er niet meer bij hoefde. En hoewel dit allemaal weinig voorstelt, voel ik me weer een correcter mens.

En nu ga ik stoppen met deze extreme egoberichtgeving over echt wel zeer futiele zaken.





Verzoek genegeerd

29 01 2010

Met 147 vrienden zit ik eerlijk gezegd zo wel een beetje aan mijn Facebookgrens, vermoed ik. Dat komt in de eerste plaats omdat ik maar een bescheiden belangstelling vertoon in andere mensen. Ik heb het gewoon niet zo voor de mens in het algemeen en stel vaak genoeg vast dat ik mensen toch wel pas echt apprecieer na lange tijd en volgens zeer specifieke maar van mens tot mens verschillende criteria. Een psycholoog zou daar vanalles achterzoeken en ik heb daar ook zo mijn eigen conclusies over, die ik u en mezelf liever bespaar. We houden het er bij dat ik de meeste mensen niet zo heel interessant vind. Hoe arrogant dat ook mag klinken.

Dat is al een voorname reden waarom ik het op Facebook bescheiden hou. Daarnaast stuur ik gewoon geen vriendschapsverzoeken  naar mensen die ik niet zo bijzonder goed ken of met wie ik in het dagelijks leven niet zo bar veel contact heb. Ik neem het niemand kwalijk dat wel te doen, al stel ik me wel eens vragen bij mensen met 512 vrienden. U kunt al die mensen beslist kennen, maar wil u ze zonodig in uw  on-line woonkamer? Wil u met elk van hen in contact staan? Los van professionele argumenten – hoewel, heeft Facebook echt een professionele meerwaarde? – kan ik mezelf moeilijk motiveren contact te houden met meer dan deze 145 mensen. En zelfs die hoeveelheid vind ik al wat benauwend.

Ik heb zelf nog nooit meegemaakt dat mijn vriendschapsverzoek niet aanvaard werd. Dat komt omdat ik er weinig stuur maar vooral omdat alle mensen die nog overblijven als potentiële vriend me gewoonweg niet bekend genoeg zijn. Dat leidt me tot mijn eigen, enige criterium om verzoekjes te sturen: ik wil enkel mensen als vriend met wie ik in het dagelijks leven graag minstens een babbeltje maak. Ik klamp dus niemand aan en vermijd absoluut dat halve bekenden een vriendschapsverzoek ontvangen waarop ze zouden reageren met ‘Oei, die wil vriendschap met mij. Alé oke dan. Of nog erger: dat je zelf enkel dient om het vriendenaantal van een ander de hoogte in te helpen… Ik stel me dus enigszins gereserveerd op en vind dat best zo.

Daarnaast ken ik dan weer veel te veel mensen die gewoonweg een volkomen gebrek aan interesse vertonen in deze virtuele ontmoetingsplek. Mensen die ik wel interessant vind en graag als virtuele vriend zou zien, voelen zich geenszins aangesproken door het feestboek. Ik neem ze dat niet kwalijk en wil in dit stukje ook geenszins ingaan op de waarde van Facebook. Gelieve u dus in eventuele reacties die moeite te besparen. Ik geniet ervan maar neem aan dat anderen het maar niets vinden. Punt. Maar die mensen vallen dus af als Facebookvrienden.

En dan zijn er tenslotte nog redelijk wat mensen die mij een vriendschapsverzoek sturen maar die ik dan weer weiger. Ik voeg daar meteen aan toe dat enkele daarvan wellicht wél een babbeltje waard zouden zijn, maar dat ik die gewoonweg niet genoeg ken. Voor het beantwoorden van vriendschapsverzoeken hanteer ik dus blijkbaar een tweede criterium, en dat is dus de afstand tot die persoon. Ik zei het al, Facebook is zo’n beetje mijn woonkamer en daar laat ik toch liever enkel bekend volk binnen. Deze blog is als voortuin/inkomhal al persoonlijk genoeg en is wél publiek terrein.

Wie zijn die mensen eigenlijk wiens vriendschapsverzoeken ik niet beantwoord?

  • broers en zussen van vrienden. Tja, daar moeten we eerlijk in zijn. Ofwel was ik u in de loop der jaren ook als een vriend of goede kennis gaan beschouwen, ofwel niet. Broer of zus zijn van is gewoonweg  niet genoeg.
  • mensen van vroeger: toegegeven, had Facebook destijds bestaan, we waren wél Facebookvrienden. Maar dat was niet het geval en intussen is ons moment voorbij.
  • oud-klasgenoten: tot in de leerkrachtenopleiding wil ik nog teruggaan, met mate. Maar de mensen uit het middelbaar onderwijs zijn echt maar schimmen meer, wat niets afdoet aan de fijne herinneringen. Maar wie zijn die mensen nu? Geen idee en ik zie niet genoeg aanleiding om dat wel nog te willen weten. Als Facebook niet zou bestaan, zou dat contact ook onbestaande zijn, maar dat vind ik nu eigenlijk maar een zwak argument. Facebook bestaat wél en dus moet je daar niet onnozel over doen.
  • familieleden, en dan concreter heel wat achterneven en -nichten. Ik ga al sinds mijn tienerjaren niet meer naar die groots opgezette familiebijeenkomsten en de meeste van hen laten me eigenlijk steenkoud. Ik heb ze al jaren en jaren niet meer ontmoet en zou niet weten waar het met hen over te hebben. Een familienaam delen of grootouders hebben die in hetzelfde gezin opgroeiden – die waren thuis met véél – , vind ik een even lukrake voorwaarde als pakweg graag naar Top Gear kijken of geen zout op je frieten willen.
  • leerlingen: daar trek ik gewoon een lijn. Ik heb bedenkingen bij virtuele vriendschappen tussen kinderen en hun meester of juf. Daar kan ik makkelijk dieper op ingaan, maar u bent intelligent genoeg om daar zelf argumenten voor te bedenken. Gezond verstand, toch? Ik geef wel toe dat dat voor lesgevers in het middelbaar onderwijs misschien anders ligt.
  • andere bloggers: ik vind dit de meest aannemelijke verzoeken, want het houdt net in dat deze mensen je heel bewust hebben uitgekozen omdat ze jou of je blog blijkbaar interessant vinden. Ik vind het dus helemaal niet vreemd maar ik hou voet bij stuk: ik kies geen Facebookvrienden die ik nog nooit in werkelijkheid ontmoet heb.
  • oud-collega’s. Veel van hen apprecieer ik wel, maar ik voel geen behoefte om een verleden in stand te houden dat enkele op een professionele samenwerking gebaseerd was en waar weinig persoonlijke aspecten mee verbonden waren. De oud-collega’s met wie ik vriendschap heb gesloten, waren dan ook echt vrienden.
  • oud-leerlingen: die weiger ik niet uit principe, want er staan er wel degelijk enkele in mijn lijst. Maar als het echt te lang geleden is, laat ik dat toch liever rusten. Weten die intussen groot geworden kinderen veel  wie ik ben. Al te zot zijn de verzoeken van jongeren die niet eens in mijn klas zelf zaten. Waar moet het ophouden?
  • Helemaal gek vond ik het vriendschapsverzoek van een man die enkel mensen met De Schutter als familienaam als Facebookvriend wilde. Nee dank u. Ook niet onder het mom van eens onbezonnen meegaan in de zotheid van een ander.
  • mensen waar ik gewoonweg niets mee heb. Mensen die ik dus weliswaar ken, meestal vaag, met wie ik wel wat gemeenschappelijke vrienden heb en die duidelijk zelf zelf minder strenge criteria hanteren in het selecteren van Facebookvrienden.
  • en tenslotte mensen die ik simpelweg nauwelijks ken. Ooit eens ontmoet maar verder eigenlijk geen idee wie ze eigenlijk zijn.

Als ik dat dus echt zou willen, zit ik zo aan 200 vrienden. Wat nog relatief is en nog steeds niet betekent. Omdat het allemaal niets betekent. Maar binnen de al dan niet zinloze nonsens die Facebook eigenlijk is wil ik nog altijd principes hanteren. Maar dat ik dat blijkbaar wil verantwoorden wil toch ook weer wat zeggen?

Volgende keer: defrienden of niet? (Ja! Maar wie?)





400 recensies

28 01 2010

Als ik het hier al eens over film heb, tracht ik het toch enigszins te kaderen. Deze keer blijft het bij de vreugdevolle aankondiging van mijn 400e filmrecensie in 10 jaar tijd: Up in the Air, een film die ik u trouwens kan aanbevelen.

De volledige lijst van recensies die ik de voorbije 10 jaar bijeenschreef vindt u hier.





Minder dominant aanwezig

23 01 2010

Dat ik nogal eens dominant aanwezig ben, heb ik hier vroeger al eens bekend. Soms moet ik mezelf wat behoeden om niet al te veel mensen te irriteren op vergaderingen of groepsgebeurens. Vandaag bracht ik de hele dag door met 20 onbekende mensen die ik de komende jaren veel ga zien en na afloop kwam ik tot een soort beschouwing. Hoe opdringerig/dominant/alwetend kwam ik uit de hoek?

We maakten kennis met elkaar als cursisten van een pedagogische opleiding die drie jaar zal duren en waarin feedback, persoonlijk ontwikkeling en eerlijke communicatie voor een groot deel de opleiding mee bepalen. Het moet dus toch wat min of meer snor zitten tussen de deelnemers. Ik kende al drie van de groepsleden en dat zou wel eens kunnen volstaan voor mij om me niet al te zeer op de achtergrond te houden, vreesde ik. Zou ik al na een uur moeten vaststellen dat ik flauwe grappen maakte of mensen beledigde met mijn opmerkingen? Zou men mij bazig of negatief vinden omdat ik mijn mening zeg en niet meteen alle voorstellen goed vind? Ja, ik dacht daar vooraf wel even over na. Nogmaals, niet iedereen hoeft mij aardig te vinden hoor, maar ik kijk erg uit naar deze opleiding en wil er toch de sfeer in houden.

Ik had me vooraf al enigszins laten opmerken door een mailtje te sturen naar alle deelnemers, waarvan de meeste me dus nog nooit ontmoet hadden. Het was een nogal veelzeggend mailtje met echter een positieve boodschap. Niettemin had ik me dus toch al laten opmerken en je wist maar nooit in hoeverre alle mensen dat waardeerden. Anderzijds, ik ben een volwassen mens die zijn eigen tekortkomingen kent en men moet me dus maar nemen zoals ik ben. Ik was dus geheel mezelf toen ik de anderen ontmoette.

Alles verliep in een ongedwongen sfeer en ik moest snel vaststellen dat ik weinig drang voelde mezelf te manifesteren. Ik was rustig en vriendelijk, stak braaf mijn hand op en verkocht geen prietpraat. Zo verliep de dag vlotjes zonder dat ik meer sprak dan luisterde. En ik moest daarvoor zelfs geen moeite doen! Wat evolueert een mens toch, niet? Toen de dag afgesloten wordt, was er een snelle evaluatie. ‘Kom, Sven, begin maar, ik heb je van heel de dag nog niet gehoord!’ merkte de gespreksleidster op. Waw! Een hele dag met mij in dezelfde ruimte en dan mijn inbreng zo kunnen minimaliseren! En dat terwijl de onderwerpen me echt wel lagen en ik echt wel veel meningen had!

Ik moet dus concluderen dat ik alweer vorderingen heb gemaakt. Minder dominant aanwezig en toch mijn ei kwijt. Nuances, rust, kalmte, geduld, ik had het allemaal vandaag. Ik word écht wel volwassen. Straks ben ik een full-size grijze muis.





The Broken or the Holy

22 01 2010

De kans is groot dat u er al genoeg van heeft en u het al op talloze andere blogs aantrof, de Hallelujah-versie van Gabriel Rios en Nataulia.  Maar ik ben er weg van. Sowieso al een pracht van een nummer, nu nog een keer gebracht door twee stemmen van formaat, met een passend gevoel voor dramatiek. Verrassend en uitzonderlijk boven de middelmaat uitstekend in ons amateurlandje, is dit een nummer dat die aandacht best verdient.

Voor het eerst overigens dat Natalia me iets doet. Zonde dat met die stem niets mooiers wordt gedaan.





Anti-Sven (2): de Potsierlijke Politici

20 01 2010

Tijd voor deel twee in de serie van mensen die ik vele jaren van bloggen en meningen spuien, tegen de borst heb gestoten. Na de Fiere Filiaalhouder is het de beurt aan

Deel 2: De Potsierlijke Policiti.

In de aanloop van de gemeenteraadsverkiezingen van 2006, verscheen op mijn toen nog veel minder gelezen blog een artikel waarin ik me eens goed liet gaan. Ik had genoeg van het simplistische niveau waarop in Haaltert politiek gevoerd werd, na enkele jaren als lid van een jeugdvereniging geconfronteerd te zijn met besluiteloosheid, gepamper, leugens en simpele onkunde. Ik ergerde me ook dood aan de infantiele manier van campagne voeren. Bovenal zag ik in deze lokale strijd om de macht vooral de mens in al zijn lelijkheid: amateuristisch, hypocriet, machtsbelust, snakkend naar enige erkenning als iets meer dan een simpele boerenkinkel. De vanzelfsprekendheid waarmee de zich zowat onkwetsbaar wanende bingokoning en officieuze burgemeester Willy Michiels de gemeente en zijn slaafse volgelingen naar zijn hand zette, was me er toen zelfs te veel aan. Ik reageerde op de enige manier die ik daar toen voor geschikt vond, zijnde een poging tot sterke satire.

Het artikel vind ik  – al zeg ik het zelf – nog steeds amusant leesvoer. Ik was er destijds ook erg tevreden over. Maar het maakte heel wat los. Zo’n half jaar later schreef ik dan ook een vervolg. In deze terugblik beschreef ik welke reacties en gevolgen er waren op het artikel. Het is nog steeds mijn meest besproken blogstukje en laat ons eerlijk zijn, dat is, misschien heel onbewust, toch ook een beetje waarom we schrijven. Overigens voegde ik kort na het verschijnen van het artikel wel een soort verantwoording toe, waarmee ik hoopte dat de lezers dit toch als iets meer zouden zien dan een uitlachfestijn.

Toen enkele weken na het verschijnen van het artikel de eerste tekenen van beroering duidelijk werden, heb ik het misschien een dag of wat benauwd gehad. Niet voor de gevolgen voor mezelf – wie kon me wat maken? – wel voor mijn familie. Mijn moeder vond het alweer allemaal erg grappig, het is dan ook van haar dat ik mijn bewustzijn voor bekrompenheid en idiotie geërfd heb. Mijn grootouders vonden dat allemaal wel best, al waren ze natuurlijk wel heel erg bevriend met één van de geviseerde personen. Toch zagen zij de bredere context en hebben ze er geen minuut van wakker gelegen. Mijn grootvader wist zo weer wat te vertellen bij pot en pint en is nu zelfs een veel meer ontevreden burger dan ik destijds.

Maar ik had ook mijn familie niet gespaard. Eén van de bespotte gemeenteraadsleden was de broer van mijn vader. Ik heb tijdens het schrijven misschien even geaarzeld, maar de beslissing viel al snel: potsierlijkheid dient aangepakt te worden. Op een dag trof ik  dan wel een geshockeerde grootmoeder aan: ‘Sven, ebde gij op de computer iets geschreven over Nonkel Marc?’ . Dat was even slikken. Mijn oma is een eenvoudige vrouw die haar hele leven doet wat de samenleving dicteert en vindt dat men zich in het leven vooral kalm en onopgemerkt moet houden. Dat uitgangspunt heeft ook mijn vader geërfd. Aan hen uitleggen wat mij drijft en waarom een toevallige bloedband dat niet verhindert, was misschien wel het pijnpunt van dit hele initiatief. Mijn oom zelf, die ik eigenlijk nauwelijks zie, heb ik daarover nooit gesproken. Toen ik hem pas vele maanden later eens tegen het lijf liep, repte hij er met geen woord over. Ik zag daar geen overwinning in hoor, – eerder opluchting zelfs want zo’n grote mond op een blog is toch iets anders dan in werkelijkheid – maar ik vond het ook veelzeggend. Een confrontatie  op volwassen niveau levert vaak empathie en nuancering op, maar misschien werd ik daar te min voor geacht? Stiekem denk ik echter dat hij gewoon een beetje bang van me was. Zou het?

Verder heb ik nadien nooit meer iemand ontmoet die in het artikel vermeld werd. Een beetje onverwacht eigenlijk, al liep deze periode ook wat gelijk met het moment waarop ik Gent als thuishaven koos. Was het dan een soort afscheidsbrief? Toch heb ik nadien nog vaak over de strapatsen van het Haaltertse beleid gerapporteerd op deze blog en ergens ben ik wel altijd gewapend geweest tegen een onverwachte ontmoeting en eventueel bijhorende confrontatie met de geviseerde lieden.

Nu niet meer. Het artikel is nog steeds relevant want er is weinig veranderd, maar voor mij is dit verleden tijd. Ik sta achter wat ik toen schreef, moet zelfs lachen om bepaalde beledigingen, maar vier jaar later vind ik dit allemaal compleet onbelangrijk. Het stelt allemaal zo weinig voor en ik heb het wat te doen met de mensen voor wie de Haaltertse politiek een leefwereld is waarbinnen ze zich geestelijk en sociaal moeten ontwikkelen. Het bestuur van Haaltert symboliseert voor mij nu de ultieme bekrompenheid. Gelukkig ver uit mijn gezichtsveld.

Lees ook: deel 1: De Fiere Filiaalhouder
en deel 3: De Steigerende Studiemeester





Even uitrazen (3)

18 01 2010

“De Broeders van Liefde zijn tevreden met de aanstelling van Léonard.” Daar zat ik op te wachten. Deze steeds verder in de tijd terugkerende orde deed onlangs een voorstel om scholen op te richten waarbinnen het katholiek geloof veel strikter beleden kan worden. Ik heb daar eerder al eens over geraasd, zoals u zich misschien herinnert. Het is intussen even uit de aandacht verdwenen en ik zou dus haast gaan hopen dat ze die plannen maar meteen voorgoed hebben opgeborgen. Maar met de aanstelling van de als zeer conservatief bestempelde André-Mutien Léonard tot kardinaal aartsbisschop, waarmee ze daar in Broederland uiteraard erg in hun nopjes zijn, wordt de slaagkans van hun losgeslagen idee alleen maar groter. Het kan hun zaak alleen maar ten goede komen, kan er lekker conservatief gekonkelfoesd worden op hoog niveau.

Ik zou het daar qua occasionele katholieken-bashing verder maar bij laten, zij het dat ik u nog even deelgenoot wou maken van een klein leedvermaakje  van mijnentwege toen Mieke Van Hecke onlangs in Ter Zake werd geconfronteerd met haar eigen conservatieve uitspraken als  directeur-generaal van het Katholiek Onderwijs en ze daar niet zo meteen mee wegraakte. Zij zal er niet van wakker gelegen hebben natuurlijk, maar tegenover alle gruwel die dit soort mensen op minder verdraagzame momenten bij me oproept, mag al eens een schampere grijns staan.





MnnmsYnnWckmr

16 01 2010

Tennissen op hoog niveau, dat brengt toch wat op? Enkele spraak- en ademhalingssessies bij een goede logopedist moeten er voor Yanina Wickmayer toch afkunnen? Alsjeblieft, dit nasale gemekker en onverstaanbare geratel iedere keer weer – zie ook Kim Clijsters – zetten telkens weer een rem op mijn patriottisme.





Anti-Sven (1): De Fiere Filiaalhouder

15 01 2010

In de loop der jaren heeft de dwingende nood mijn mening te laten horen via blog, lezers- of klachtenbrief me al meer dan één keer een confrontatie opgeleverd met beledigde en boze mensen. Dat heeft me hoogstens eens laten schrikken, heeft me veel geleerd over communiceren en de menselijke kleingeestigheid en was vooral een versterking van mijn overtuigingen, die zich in vurige anekdotiek laten samenvatten waardoor de gebeurtenissen meteen ook gerelativeerd worden. Maar onlangs kwam het besef dat ik al die jaren gebral en gebulder, al een mooi lijstje van rabiate tegenstanders heb. Dat roept om een overzichtje.

Deel 1: De Fiere Filiaalhouder

Toen ik een jaar of 19 was, was een bezoek aan de Haaltertse Cash*Fresh voor mij een ware marteling. De onbeleefdheid en boertigheid van het personeel was al jaren het mikpunt van mijn spot – net als de soms lachwekkende,, volkse praat van de klanten (‘elf uur en nog gene patat geschild!‘). Tot ik er op een dag de humor niet meer van kon inzien en de filiaalhouder een boze brief schreef na wel heel erg geïrriteerd thuisgekomen te zijn van het boodschappen doen.

Ik uitte beleefd maar opdringerig mijn mening over de winkel en de mensen die er werkten. Er was geen service, geen orde, geen beleefdheid, geen deskundigheid. Daar kwam mijn lange brief op neer. Ik stuurde een kopie naar de hoofdzetel van Cash*Fresh, overtuigd als ik was dat men daar helemaal niet op de hoogte was van de prutserijen in hun Haaltertse filiaal.

Dit was mijn brief – die ik na 13 jaar nog op mijn pc bleek te hebben staan. De toon en het taalgebruik zijn niet al te fameus, ik hoop intussen geëvolueerd te zijn, maar u mag gerust meelezen:

Mevrouw, Mijnheer, Mijne Heren,

Toen de Unic van Haaltert Cash*Fresh werd hoopte ik, en velen met mij, dat er eindelijk eens aangenaam zou kunnen gewinkeld worden in Haaltert. Niets is minder waar. Integendeel, het is er nog op verslechterd. Ik wil dan ook de erbarmelijke toestand van Cash*Fresh Haaltert, de winkel waar ik wekelijks wel eens langsga, aanklagen.

Weliswaar is het produktengamma uitgebreid, is de kwaliteit van de producten iets verbeterd, en juich ik de wekelijks promoties en geschenken toe, maar dit wordt allemaal tenietgedaan door andere zaken.

Zopas bracht ik een bezoek aan de winkel.  Het product dat ik wenste te kopen was niet verkrijgbaar.  Tot daar aan toe, het kan voorkomen dat iets is uitverkocht.  Maar het gebeurt voor mijn part wat teveel. En dat is niet het ergste. Blijkt ook dat ik de winkel niet kan verlaten zonder aankopen te doen, want de uitgang wordt mij ontzegd door een automatisch deurtje, en langs de kassa’s kan ik ook niet passeren, of je hebt de ogen van het hele personeel op je rug gericht, want je hebt waarschijnlijk iets gestolen. Dat is allesbehalve klantvriendelijkheid!

Nog meer van die service? Het personeel heeft waarschijnlijk nog nooit van ‘dank u wel’ of alstublieft’ gehoord.  Nergens kom je zulke onbeleefde personeelsleden tegen! En niet alleen lijken ze allemaal hun job tegen hun zin te doen (wat een gezichten zeg!), ze vinden het bovendien nodig te kauwgommen terwijl ze de mensen bedienen, of uitgebreid hun beklag te doen over hun job. Plezierig winkelen is anders! ‘t is niet omdat bejaarden en huisvrouwtjes deze manier van bedienen aangenaam vinden, dat het standaardbediening moet worden! Die “vriendelijk!” uit uw slogan kunt u al vergeten!

Dat er hier sprake is van een zeer incompetent personeelsbeleid, staat vast. U heeft er als filiaalhouder heeft er niet veel kaas van gegeten.  En met elk nieuw personeelslid dat u aanwerft, verslechtert het nog!  Ik zou nog denken dat het een verschrikkelijke job is, maar in andere supermarkten word ik altijd vriendelijk bediend!

Vergeef me de heftige en ongenuanceerde toon van mijn brief, maar ik kom net terug van het boodschappen doen, en er broeit heel wat woede in mij, die ik hier kwijt wil!

Hopende op een reactie,

Enkele dagen later kreeg ik een brief terug van de filiaalhouder van Cash*Fresh. De man ving zijn brief aan met de klacht dat ik nooit thuis te vinden was, want hij was al enkele keren bij me aan de deur geweest om me persoonlijk mijn zaligheid te geven. Want wat wist ik als onnozel studentje van het runnen van een supermarkt? Dat waren niet zijn preciese woorden hoor, maar hij was alleszins duidelijk in zijn wiek geschoten en kon niet verstoppen mij maar een nietig figuur te vinden.

Vervolgens ging hij dieper in op alle aspecten van mijn brief, waarbij hij ook vermeldde dat ik geen datum op mijn brief gezet had. Dat vond ik al behoorlijk naast de kwestie, het kenmerkte voor mij deze man ook als iemand die zijn gelijk desnoods haalde met non-argumenten. Zo noemde hij me ook laagdunkend omdat ik het had over ‘bejaarden en huisvrouwtjes‘.  Al mijn klachten werden weggelachen (‘er is nog nooit iemand moeten overnachten in onze winkel’ repliceerde hij op mijn klacht dat je zonder aankopen maar moeilijk de winkel kunt verlaten) en verder viel vooral zijn toorn op die mijn brief had losgemaakt. Het kwam er allemaal op neer dat hij en enkel hij wist wat hij deed en ik als klant mijn mond moest houden (‘wat weet u over het runnen van een landelijk warenhuis?’). En dat ik zijn personeel beledigd had door hen lelijk te noemen – wat een geheel verkeerde interpretatie was – en het toch wel schandalig was dat ik ook de hoofdzetel op de hoogte had gebracht! Hij ondertekende met zijn naam, en als titel ‘fiere filiaalhouder‘.

Ik stond eerst een halve dag perplex, want eerlijk gezegd had ik helemaal geen reactie verwacht, zelfs al vroeg ik er om. Ik vroeg me af of er nog iets van mijn klacht overeind bleef en of ik niet overdreven had. Mijn moeder moest lachen, vooral met die filiaalhouder, mijn vader keurde mijn drang naar gerechtigheid een beetje af, mijn grootouders waren gegeneerd en ongerust. Later vond ik mijn strijdlust terug. Moet je het normaal vinden dat iemand naar wie je een klachtenbrief stuurt, je je vet komt geven aan je voordeur? Had ik eigenlijk wel iets verkeerd gezegd? Nee! Ik kroop een dag nadien weer in mijn pen.

Beste Meneer *****,

Met evenveel tegenzin, en ondanks dat u deze “zwanenzang” als afgesloten beschouwt, vind ik het toch nodig te reageren op de brief die u in mijn bus deponeerde.

Allereerst vraag ik me af of dit de manier van werken is, wanneer iemand zich beklaagt over uw winkel.  Gaat u bij iedereen op bezoek die te klagen heeft?  Richt u een persoonlijk schrijven tot alle ontevreden klanten?  Ik vermoed van niet, en het feit dat dat nu wel gebeurt, bewijst dat u danig van uw stuk gebracht bent door mijn “woedeaanval”.  Misschien wel begrijpelijk, maar of u staat niet open voor kritiek, of er zijn maar erg weinig mensen die durven klagen of dit was gewoon de druppel die de emmer deed overlopen.  In dat geval moet u de frustratie niet bij mij zoeken.

Een ander vermoeden dat bij mij rees, was dat de arrogante stijl van mijn brief uw bloed deed koken.  Misschien hebben de mogelijke ontevreden klanten zich in het verleden wat bedeesder opgesteld (iemand met een belangrijke functie roept immers ontzag op), maar nochtans, meneer, was deze brief, zij het weliswaar nogal agressief en misschien iets te impulsief van aard, naar mijn mening helemaal niet buitensporig.  Integendeel, dit is de stijl waarop de mondige jongeren tegenwoordig communiceren:  openhartig, direct en assertief.  Als u dat gefrustreerd en epileptisch noemt, dan is dat uw probleem, maar het is de mening van een klant, en die is niet altijd zalvend!

U vindt trouwens dat mijn brief “een zeer incompetente analyse van een omhooggevallen individuutje” is.  Meneer, tegenwoordig kun je geen tijdschrift meer openslaan of programma bekijken, of het gaat over “management” en “personeelsbeleid”.  Bovendien heb ik daar tijdens mijn vorige studie ook al één en ander over opgestoken.  Dat maakt mij verre van een specialist, die pretentie heb ik niet, maar ik loop niet op de wereld met oogkleppen op, dus ik ontwikkelde een kritische geest en een vlotte babbel om mijn mening te kunnen zeggen.

Dat u dan nog veronderstelt dat ik “mijn gal in het rond stamp”, is erg.  In plaats van u en uw zaak te bekritiseren in de plaatselijke frituren zoals dat in het landelijke Haaltert de gewoonte is, of ‘s morgens op de trein, richt ik me nog tenminste tot u persoonlijk, en in eigen naam.  Het helpt u en mij niets vooruit van mijn ontstemming een publieke zaak te maken.  En als u doelt op mijn brief naar de directie:  ik verwachtte eerlijk gezegd geen reactie van u en daarom verwittigde ik ook hen.  Dat ik u hier niet op wees, was ongepast.  Daarvoor toch mijn excuses.

Maar wat me nog het meest verrastte in uw reactie is dat u mij gewoon niet gelooft.  De winkel verlaten zonder boodschappen brengt me als klant wél in een moeilijk parket, uw personeel loopt zeer zeker te kauwgommen, en zij zijn bovendien beslist wèl onvriendelijk en onbehulpzaam.  Over hun uiterlijk heb ik trouwens met geen woord gerept (ik weet niet waar u dat haalt), maar elke mens is mooi als hij vriendelijk is!  De bediening in Cash *Fresh Haaltert is allerminst vriendelijk of bereidwillig, en ik ben niet alleen met die mening!  Maar ja, ik ben maar een ‘studentje’, zoals u het al even laatdunkend als ik kan uitdrukken.

Ik ga nu niet beweren dat u mij nooit meer ziet in Cash*Fresh, Meneer, want ik kan soms gewoon nergens anders terecht, en ik hoop immers aldoor op verbetering, dus laat ons beiden op onze twee oren kunnen slapen zodat we onze tijd allebei aan nuttiger dingen kunnen besteden dan aan het schrijven van reacties.  Dus take it easy!

Met vriendelijke groeten,

Sven De Schutter, Standvastige Student

Het is daarbij gebleven, al heb ik nadien vermoed dat enkele personeelsleden van de betreffende winkel op de hoogte waren van het gebeuren, want ik werd soms opvallend vriendelijk bediend in de winkel, in de daaropvolgende maanden. Maar dat kan maar een gevoel zijn. De man zelf heb ik nooit ontmoet.

U  kan zich voorstellen dat dit voor een 19-jarige zoet smaakt, zo’n overwinning op de burgerlijkheid en kleingeestigheid van mensen die de zin voor relativering kwijt zijn. Dat ik er plezier in had mijn argumenten zo klaar en welklinkend los te laten op papier. De dwaze nasmaak van het laatste woord! Hahaha!

Het anekdotische succes van deze gebeurtenis, kreeg een bitter randje toen de man zich jaren later van het leven beroofde. Over mijn visie daarop, ga ik niet uitwijden, en hou het fijn door daar ook niet naar te verwijzen in eventuele reacties. Deze brief is voor mij nog altijd een soort begin van de manier waarop ik vanaf dat moment in het leven wilde staan: je niet neerleggen bij zaken die niet correct verlopen, een zelfkritische instelling verwachten van iedereen. Een beetje tegen de schenen schoppen, maar niet zonder reden. Later is daar ook het openstaan voor andere visies bijgekomen en uiteraard ook een fatsoenlijkere verwoording van argumenten en klachten. Zoals u in misschien zelf kan vaststellen in deel 2: De Potsierlijke Politici of deel 3: De Steigerende Studiemeester.





Lectuurtip: Hoe ik nimmer de ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won

14 01 2010

Deze welklinkende, veelbelovende titel leverde Ivo Victoria in 2009 tal van goede recensies op. Ik was dan ook vrij benieuwd naar wat deze roman te bieden had als terugblik van een dertiger op zijn jeugdjaren. Specifiek gaat Hoe ik nimmer de ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won dieper in op de spijt en bitterheid van ene Ivo die in zijn kinderjaren zijn beste vriend mooie verhalen voorschotelt over een niet-bestaande wielercarrière. Het is een nogal nuchter, of zelfs ontnuchterend relaas want als Ivo opgroeit en terugkijkt op zijn vreemde gedrag, blijkt hij daar zelf helemaal niet zo’n punt van te maken.

De authenticiteit die Victoria oproept van het leven in een Vlaams dorpje in de jaren ‘80, is raak maar geenszins charmant. De soms wat gênante leugens van Ivo komen bruut en dwaas over. Je kunt  hem dan ook moeilijk een sympathiek personage noemen en zijn bizarre gedrag zorgt voor enige vervreemding. In die zin is dit helemaal geen boek dat je met plezier verder leest. Jammer genoeg zijn de vele details en verhaalelementen uit de wielerwereld voor mij dan ook nog een keer oersaai – een wel heel subjectief oordeel, ik ben me ervan bewust – waardoor ik dit boek lang niet zo meeslepend vond als verwacht. Ik had het ook moeilijk met het gebrek aan (inter)actie van de personages, op enkele dialogen en gezinstaferelen na, is dit toch grotendeels een innerlijke monoloog, een echte beschouwing. En hoe fantastisch de pen van Victoria ook, hoe gevat sommige stukjes,  ik haastte me soms ongeïnteresseerd door de vele zinnen van beklag en beschouwing.

Een voorbeeldje: “Als ik zing, voel ik intens geluk. Het geeft me rust. Eindelijk rust. En daar draait het om. Dat is waar wij allemaal naar streven of moeten streven, naar rust. Volmaaktheid. Voltooiing. Telkens wanneer ik zo’n moment van volmaaktheid meemaak, speelt de film van mijn leven zich af voor mijn ogen. Het is een steeds  langer wordende serie van perfecte momenten. Naar verluidt is dat een ervaring die alleen is weggelegd voor mensen die in accuut levensgevaar verkeren, maar daar geloof ik niks van. Ik beleef het omdat ik iedere keer een nieuwe stap zet. Omdat ik steeds dichter bij de ultieme vervulling van mijn leven kom. Nu ja, dat dénk ik hè. Telkens als ik weer zo’n stap zet komt de film, als een voorlopige tussenstand, zo je wil. En het ziet er goed uit. Ik moet volhouden zodat ik later, wanneer ik sterf, onbevreesd het eeuwige niks in zal kunnen zweven. Zodat ik niet zal leeglopen als een ballon maar opstijg, steeds verder de lucht in, zingen, zweven, oplossen in helderblauw. Dat zou mooi zijn.”

Ik voel dat hoofdpersonage door dit soort uitlatingen weliswaar beter aan, het blijft toch een wat abstracte gedachtenstroom die mij niet helemaal kan bekoren. Als ik vergelijk met andere Vlaamse schrijvers die ik graag lees, zoals Jan Van Loy, Dimitri Verhulst of Peter Terrin, heb ik het gevoel toch nu iets te wazige lectuur voorgeschoteld te krijgen.

Nu, een afknapper was dit boek niet hoor. Alle lof is aannemelijk. Maar het was gewoon niet mijn ding. Ik vind het nog vroeg om Victoria een groot talent te noemen. Hij schrijft formidabel en er is niets mis met de opbouw van zijn boek, maar ik wil hem nu vooral zien bevestigen met een tweede.





Advies van een kijker

7 01 2010

Wil de redactie van De Slimste Mens ter Wereld, ten einde hun programma nog een stuk aangenamer te laten wezen, volgende aandachtspunten in acht nemen?

- Doe iets aan het scherm waarop de kandidaten foto’s te zien krijgen. Linda De Win is niet de enige die er niets van ziet. Het staat gewoon te ver of het is te klein. Wanneer dringt dat tot jullie door?

- Is er een wezenlijk verschil tussen Sien Eggers die een mop vertelt in De Slimste Mens en Jackie Lafon in HT&D op VTM? Nee. Grappen en moppen, het is niet hetzelfde. Haal Eggers uit dat Lafonniveau.

- Laat K3 waar ze zijn. Platte, dwaze, onnozele, infantiele trienen. Zelfs al winnen ze. Linda De Win had  die rosse overjaarse mojjer zo ingemaakt.

Zo.





Geen goesting

7 01 2010

Ik ben een trouwe supporter van Vlaamse fictie en ging deze week dan ook zitten voor twee nieuwe series. Oud België overtuigde vrij snel want de personages kwamen meteen tot leven in een authentiek aandoend decor. Ik wacht met goesting op de volgende aflevering. Veel minder goesting zal er zijn voor Goesting, een soort komische serie die zich in een restaurant afspeelt en waarvan de eerste aflevering zo snel verteerd was dat ik alleen maar kon concluderen dat ik gebakken lucht tot me genomen had.

In eerste instantie viel me op hoe lelijk de fotografie van deze serie was. De begingeneriek, die een echo was van Dexter en Van Vlees en Bloed, waarbij voedingsproducten in close-up genomen worden, blonk uit in amateurisme. Ik heb geen benul van de diverse beeldstijlen, maar zag wel meteen dat dit gewoonweg veel te plat in beeld gebracht was. Geen filmische uitstraling zeg maar. Nu goed, dit is geen peperduur prestigeproject natuurlijk, maar het had qua look en feel alleszins niets te betekenen.

Redelijk wat aanvaardbaar acteertalent wel, al kon ik me meteen een tiental geschiktere (lees: betere) actrices voorstellen voor de rol die Patsy Van der Meeren vertolkte. Gezien de werkloosheid onder de acteurs had het geen probleem mogen zijn iemand te vinden die toch over iets meer naturel beschikt. Gene Bervoets moet de meubelen redden door de bekendste acteur uit het ensemble te zijn. Zijn voice-over irriteerde me echter: in vlot en natuurlijk Nederlands, maar wel in de ‘gij’-vorm, wat echt onnodig was.

Maar dat maakt allemaal niets uit als het al fout loopt bij de opzet van de serie en de daarbijhorende scenario’s. We zien het personeelsbestand van een would-be sterrenrestaurant verzeild geraken in allerlei volkomen onuitgewerkte situaties die niet interessant zijn en evenmin grappig.  Een vervelende klant in zijn broek laten kakken en zo. Hilarisch hoor.

Ik weet er genoeg van om te weten dat het in Vlaanderen niet makkelijk is drama van niveau te betekenen. Uit sympathie voor de makers zou ik me bijna gaan voornemen wekelijks te kijken. Maar zo edelmoedig ben ik niet.

Zoutloos en lauw. Zo lust ik eten noch series. Ik kijk niet meer.





Gelezen in 2009

2 01 2010

Ik vond blijkbaar de tijd om het voorbije jaar 27 romans te lezen, wat toch wat meer is dan vorig jaar en zowat het gemiddelde is van wat ik de voorbije 10 jaar las. Alleen klop ik mezelf op de borst om meer literair verantwoorde boeken te lezen. Ik lees nog altijd wat ik graag lees, maar ik merk dat mijn smaak en appreciatie verfijnd en dat ik meer begrijp van het soort boeken die in de prijzen vallen. Meer literatuur dan lectuur, zeg maar. Het zal gaan tijd worden na al die jaren fervent lezen.

Sinds dit jaar lees ik ook vaker recentere boeken. Ik vond het dan ook fijn dat uit de top 20 die het weekblad Humo vorige week publiceerde, ik er toch wel 5 gelezen had (‘t is te zeggen, aan eentje ervan ben ik nog bezig) en 2 ervan staan op mijn lijstje.

Ik bracht hier het hele jaar door geregeld leestips, dus ik ga geen echte besprekingen meer bieden (hier vind u ze allemaal op een rijtje). Voor het tweede jaar op rij las ik geen boek dat ik echt weergaloos of grandioos vond, al kwamen enkele zeker in de buurt. Het is dus al van De Pruimelaarstraat geleden dat ik nog een echt formidabel boek las. Manifesteert zich in mijn leesgedrag hetzelfde als bij het films kijken? Dat hoe meer ik lees, hoe hoger mijn eigen norm komt te liggen dus hoe minder ik eigenlijk goed ga vinden? Jammer eigenlijk.

Maar goed, hier nog een overzichtje:

  1. Wij / Jeroen Olyslaeghers/ 2009/ België
  2. De Eenzaamheid van de Priemgetallen / Paolo Giordano/ 2008 / Italië
  3. Stad der Dieven / David Benioff / 2009 / USA
  4. Een stil geloof in Engelen / R.J. Ellory / 2007 / USA
  5. De Monsters van Templeton / Lauren Groff / 2008 / USA
  6. Caesarion / Tommy Wieringa / 2009 / NL
  7. De Bewaker / Peter Terrin / 2009 / België
  8. Talk Talk / T.C. Boyle / 2006 / USA
  9. Onzichtbaar / Paul Auster / 2009 / USA
  10. De Heining / Jan Van Loy / 2008 / België
  11. De Kauwgomdief / Douglas Coupland / 2007 / USA
  12. Nemen wij dan samen afscheid van de liefde / Paul Baeten Gronda / 2008 / België
  13. Petropolis / Anya Ulinich / 2007 / Rusland
  14. Mr. Toppin / Charles Elton / 2009 / UK
  15. Loslippig / Rita Mae Brown /1999 / USA
  16. Man in het Duister / Paul Auster / 2008 / USA
  17. De olifant verdwijnt / Haruki Murakami / 2005 / Japan
  18. Speeldrift / Juli Zeh / 2004 / Duitsland
  19. De vermoedens van Mr. Whincher / Kate Summerscale / 2008 / UK

De rest van de lijst bestaat vooral uit boeken die minder vermeldenswaardig zijn, waaronder die andere Wij, van Elvis Peeters, die ik dus toch vermeld om te benadrukken dat het echt niets bijzonders was. Ook de iets té Hollandse P.F. Thomèse wist me niet voor zich te winnen met Vladiwostok!.

Lees ook mijn overzicht uit 2007 (want in 2008 schreef ik er blijkbaar geen).





De Films van 2009

31 12 2009

Ik kan tevreden terugkijken op het filmjaar 2009, waarin ik o.a. mijn 1000e bioscoopfilm beleefde en de kaap van 2800 geziene films overschreed. Het voorbije jaar was goed voor 222 films, dat zijn er 3 meer dan vorig jaar, maar nog steeds minder dan in de recordjaren 2006 (239 films) en 2005 (228). Net als vorig jaar ging ik 98 keer naar de bioscoop en dat vind ik eigenlijk wat weinig aangezien daar ook 32 films bijzaten uit het zomerfilmcollege en die zouden eigenlijk niet mogen meetellen. Dat is dus al een voornemen voor 2010.

Er verschenen in 2009 om en bij de 280 nieuwe films in de bioscoop. Daarvan zag ik er 81, maar er zijn dan ook nog heel wat films die géén bioscooprelease krijgen en evengoed tot het filmjaar 2009 behoren. Maar we moeten ergens een lijn trekken.

Ik miste slechts enkele ‘belangrijke’ films, waaronder Antichrist en The Hurt Locker, die straks ongetwijfeld Oscarnominaties binnenrijft. Met de geziene films viel vrij makkelijk een waardige top samen te stellen, waarbij, zo moet gezegd, échte rillingen en sensaties eigenlijk wat uitblijven.

1. Revolutionary Road

Ik had het wel voor deze in de realiteit gewortelde anti-romance, het verslag van een relatie tussen twee mensen die zich trachten af te zetten tegen het ‘gewone leven’, tegen de grijsheid en alledaagsheid van het bestaan. Sam Mendes (American Beauty) maakt er een sobere, strakke film van waarin Kate Winslet en Leonardo DiCaprio meer dan excellent zijn. Een interessante bijrol is er voor de onbekende Michael Shannon, als man die krankzinnig verklaard is, maar wel de enige is die het koppel begrijpt. Een aangrijpende, bescheiden film die in feite het turbulente mist waarin ik mijn drama’s graag zie wentelen, maar hé, dat zal ik ook maar als een teken van rijping beschouwen. Bloedmooie trailer ook.

2. Boy A

Deze te weinig geziene Britse film daagt de kijker uit mee te denken over de plaats in de maatschappij die mensen verdienen die iets verkeerd gedaan hebben. Wanneer is iemand vergeven of genoeg gestraft, in hoeverre heeft iemand recht op een tweede kans? Met zeer pure emoties, een intense pyschologische uitdieping en topacteerwerk wordt zo een broeiend drama gecreëerd dat echt aan je ribben blijft kleven en alle theorieën rond straffen en boete aan het wankelen brengt. Mijn recensie lees je hier. De trailer is niet representatief genoeg en focust op de verkeerde dingen.

3. Involuntary (= Happy Sweden = De Ofrivilliga)

Drie titels, dat is misschien wel meer dan het aantal bezoekers voor deze fascinerende sociologische studie, een zeer raak geobserveerde film waarin telkens het gedrag van de mens centraal staat in een groep waarin iets mis gaat. De camera beweegt geen enkele keer in deze film, alsof het een pure registratie betreft en dat geeft de film een unieke beeldtaal die de kijker dwingt een eigen standpunt te zoeken. Bovendien beschikt deze film over een ietwat typische Scandinavische laag ironie, zoals in het relaas van een tourbus waarvan de chauffeur niet verder wil vooraleer iemand bekent schade aangericht te hebben in het toilet. Verder zien we een groep mannen op vrijgezellenweekend, dronken tieners, een lerares die haar collega’s berispt, een familiefeest waar iemand een hartaanval krijgt en twee prille stoeipoezen die de wereld uitdagen. Zeer veelzeggend en tegelijk ook amusant.

4. Inglourious Basterds

Destijds keerde ik tevreden maar niets helemaal onder de indruk huiswaarts. Heel wat scènes uit deze bloederige actiefilm bleven echter hangen, waardoor het visuele vernuft en de originele visie van Quentin Tarantino stilaan nog maar eens bevestigd worden en je eigenlijk niets liever wil dan deze film nog een keer zien. Als dat geen stevig argument is om zo’n film tot de beste 10 van het jaar te laten horen? Fijn ook dat Tarantino het charisma van de Franse Mélanie Laurent ontdekte, die moeiteloos de weliswaar erg mooie maar levensloze Diane Kruger overklast.

5. Troubled Water

De grote overeenkomst tussen dit Noorse drama en Boy A is de thematiek rond straf en berouw, waarbij eveneens een jongeman centraal staat die het leven tracht te hervatten na gestraft te zijn voor een afschuwelijke misdaad. Qua beeldsymboliek en scenarioconstructie  wat bedachter dan de realiteit van Boy A, maar niettemin een zeer beklijvende en intense film. (recensie)

6. Das Weisse Band

De immer steengoede Oostenrijker Michael Haneke toont zich in één van zijn strafste films minder de provocateur uit het verleden dan wel een nietsontziende beschouwer van menselijke bruutheid (die hij ook altijd al was). Deze dorpsgeschiedenis is een pijnlijke blootlegging van de mechanieken die een samenleving ongewild in gang zet om de onschuld van het nageslacht om zeep te helpen. De uitermate fijne en preciese visuele stijl krijgt u er bovenop. Een meesterwerk, al mogen we gerust toegeven dat dit geen spek is naar ieders bek. Een tweede keer bekijken zit er ook niet meteen in, vrees ik. Hoewel, vermoedelijk zal het meesterschap van Haneke dan des te duidelijker blijken.

7. Elève Libre

Belgisch talent Joachim Lafosse voert ons mee in een misselijkmakend relaas waarin perverse manipulaties het hoofdpersonage én de kijker volkomen misleiden. Een zeer doordacht, intelligent opgebouwd scenario, geniaal in al zijn subtiliteit, wordt versterkt door knappe vertolkingen. Een film die genadeloos de ziekelijkheden onthult waartoe de door lust gedreven mensheid in staat is.

8. Doubt

Onversneden Hollywooddramatiek van de bovenste plank, waarin vooral de ijzersterke, knetterende dialogen de kijker een duel met zichzelf laten aangaan. Weer diezelfde thematieken immers: misleiding en manipulatie, de kijker moet zijn eigen standpunt in vraag stellen en keer op keer veranderen. De film heeft zijn sterkte trouwens niet in het minst te danken aan de fenomenale acteerprestaties van Meryl Streep, Philip Seymour Hoffman, Amy Adams en Viola Davis, alle 4 genomineerd voor een Oscar. (recensie)

9. Synecdoche, New York

Een heel andere, alweer steengoede Philip Seymour Hoffman, in de rol van een op hol geslagen schrijver/regisseur, die zijn eigen leven in beeld brengt, maar zolang dat leven vordert, wordt ook de enscenering complexer en wordt een nieuw bestaan gecreëerd binnen het huidige bestaan.  Als je op den duur acteurs nodig hebt om de acteurs te spelen die de mensen uit je omgeving vertolken, is het einde zoek. Bent u nog mee? U moet het zelf gezien hebben, deze op surrealistische wijze volkomen logische, maar irrationeel vertelde opeenstapeling van werkelijkheden. Uit de geniale koker van Charlie Kaufman, bedenker van Being John Malkovich en Eternal Sunshine, maar wellicht zijn minst hapklare filmbrok.

10. Star Trek

Nooit gedacht dat ik zou genieten van de (niet altijd even) nonsensicale wereld van Star Trek, waarvan ik nooit eerder een film of serie zag. Deze opfrissing wist me mee te slepen van begin tot eind, door zijn sensationele actie-avonturen maar evengoed door zijn prachtige, uitgewerkte personages. Op alle vlakken overtreft deze vakkundige film de doorsnee blockbuster en de passie van regisseur J.J. Abrams, voor het origineel maar ook voor film in het algemeen, spat van het scherm. Als het dan actie en escapisme moet zijn, dan wel van dit niveau. Een sequel, en wel snel aub!

11. Altiplano

Deze wel heel bijzondere Belgische productie, gefilmd in Peru, is een soort spirituele en antropologische bespiegeling over verlies en rouw, waar enige bereidheid vereist is. Het visueel verbluffende aspect van de film is op zich al de moeite waard en biedt deze krachtige film een soort aura waarvan de straling op je over slaat.

12. Stella

Een prachtige nostalische trip naar de jeugdjaren van een meisje dat in een café opgroeit. Sublieme sfeerschepping en een aandoenlijk, zij het nergens melig, verhaal. Franse klasse.

13. Gran Torino

Clint Eastwood voor de laatste keer op het scherm in wat op zich eigenlijk een te sentimenteel macho-verhaal is. Maar het werkt, met sobere klasse in beeld gezet. Prachtfilm.

14. The Reader

Dit post-Holocaustdrama kreeg flink wat kritiek en regisseur Stephen Daldry (The Hours) wordt wel eens mooifilmerij verweten. Maar dit krachtige drama wist me helemaal in te pakken. En Kate Winslet is gewoonweg fenomenaal.

15. The Wrestler

Mickey Rourke is terug in een zeer bescheiden, teder filmpje over iemand die met wat brokstukken zijn leven nog een heel klein beetje vorm tracht te geven. Mooi!

Ook heel goed: de praatfilm Frost/Nixon, de Franse avonturenprent Micmacs à tire-larigot, de biografische films Milk, en Bright Star, het Zweedse vampierendrama Let the Right One in, de Vlaamse successen De Helaasheid der Dingen en Dossier K., de sci-fi District 9, de Britse degelijkheid van Fish Tank, het mooie Vlaamse, ondergewaardeerde Lost Persons Area, het ijzingwekkende Paranormal Activity, de eigenzinnige thriller The Box, de slimme komedie The Informant!, het liefdesdrama Two Lovers en het wondermooie Up.

Ook genoten van (500) Days of Summer, Appaloosa, Bancs Publics, Chéri, Dirty Mind, Ice Age 3, In the Electric Mist, Los Abrazos Rotos, Mammoth, Meisjes, O’Horten, My Queen Karo, Slumdog Millionnaire, Taking Woodstock, The Burning Plain, The International, The Duchess, The Young Victoria, Towelhead, Valkyrie, Un Prophète en nóg een Belgische film, Unspoken.

Tegenvallers: Avatar (goed maar niet meer dan dat), Benjamin Button (saaaaaaaai), Harry Potter and the Half-Blood Prince (vreselijk saaaaai), Terminator Salvation (dom). Er waren nog heel wat middelmatige en veel slechtere films hoor, maar die zijn geen vermelding  waard.

En o ja, ik schreef dit jaar 51 nieuwe recensies! Niet slecht, vind ik.

En wat hebt u gezien in 2009?





Lectuurtip: Onzichtbaar

30 12 2009

Het werk van Paul Auster, één van de beste huidige Amerikaanse schrijvers, kon me al eerder bekoren, maar het is toch lectuur om met mate te consumeren, bedacht ik zo. Ook in Onzichtbaar blijkt de dwingende, gefocuste schrijfstijl van Auster voor allesbehalve ontspannende lectuur te zorgen. Enig ongemak maakt zich meester van de lezer, want Auster’s verhalen zijn vaak wat confronterend en de personages worden niet ontzien, zonder dat hen daarom grote dramatische gebeurtenissen overkomen.

In Onzichtbaar, opmerkelijk geconstrueerd, staat een ontmoeting centraal tussen een student en een praatjesmaker, die tot 40 jaar later een impact heeft op bepaalde betrokkenen. Het hoofdpersonage verliest zijn rol halverwege, waarna anderen op de voorgrond treden. Het verhaal weet mee te slepen, maar dat ligt eerder aan de beleving van de personages dan aan de gebeurtenissen. Onzichtbaar wordt zo een reflectie op het verschil tussen het zijn en het schrijven, een soort spel van geheugen en feiten, waarbij de lezer meer te weten komt over de personages dan hij eigenlijk zou willen.

Met deze boeiende roman sluit ik dit leesjaar af!  Binnen enkele dagen volgt het jaaroverzicht.





Geraaskal met een strikje om

29 12 2009

Na jaren ervaring is me één ding duidelijk: de ellendigste dag van het jaar is die ene dag zo ergens tussen Kerst en Nieuwjaar waarop ik na lang uitstellen beslis cadeautjes te gaan kopen. Goed, niemand vindt dat echt leuk, maar laat me u met tegenzin overtreffen: er is doorgaans niets dat me een ellendiger gevoel geeft dan het op zoek moeten gaan naar geschenken.

Dat heeft in tegenstelling tot wat u zou verwachten, niets te maken met volle winkels, drukke straten en hinderlijke medemensen. Ik woon midden in de stad en als ik dat zou willen, kan ik de drukste momenten met gemak vermijden. De treurigheid en zinloosheid van het winkelen, de doelloosheid van de hele onderneming, maken dat ik terneergeslagen geen oog of oor heb voor de massa om me heen.

Al dat stappen door de straten – deze week net ook nog eens een kapotte fiets, dus alles gebeurt te voet – biedt me de tijd om één en ander te analyseren. Het is niet dat ik mijn dierbaren niets gun, integendeel: mijn favoriete dagdroom is winnen met de lotto en mijn familie alles geven wat ze begeren. En dat brengt ons  dan ook tot het punt waar ik het treurigst van wordt: deze mensen hebben in feite helemaal niets nodig. Zelfs al bedroeg mijn budget het tienvoudige, ik zou nog niet weten waarmee hen een plezier te doen.

Want dàt is het grote lijden: dagen, nee weken vooraf beginnen piekeren over wat nu precies geschikt is voor al deze mensen. Ze hebben toch hobby’s en interesses, hoor ik u al zeggen. Wel, dat wil wel eens tegenvallen, maar daar wil ik optimistisch over blijven. Alleen ben ik er van overtuigd dat wie in min of meerdere mate fanatiek met iets bezig is, of het nu breien, koken, klassieke muziek, interieurvormgeving, muziek, voetbal of wat dan ook is, zelf veel beter weet wat hij of zij wil, of door al jaren met die hobby bezig te zijn, al lang over alles en nog wat beschikt om deze bezigheid naar believen uit te voeren. De wereldreiziger heeft al een rugzak, een veldbed en een zaklamp. De jazzfanaat heeft all de  juiste cd’s. De gezelschapsspeler heeft zich de nieuwste spelletjes zelf al aangeschaft. Die oma heeft al pantoffels, zakdoekjes en koekendozen (700 zelfs!). De plezante nonkel heeft al 6 keer een onnozel gadget gekregen. Genoeg is genoeg, toch?

Dus strompel je langs etalages vol lelijke en overbodige spullen die niemand wil kopen – laat staat krijgen!  Hoe mooi versierd ook, hoe prachtig uitgestald, de meeste winkels liggen vol bazaar. Een geschenkenwinkel zelf is nog het ergste.  Kitschparadijzen. Of al die pakketten en cadeaubons die mensen dan verplicht moeten gebruiken. Nee, dank u. Dus bedenk je dan toch maar iets min of meer aanvaardbaar waarbij persoonlijk en origineel al lang geen passende adjectieven meer zijn, gewoon een kwestie van die nieuwjaarswensen niet met legen handen te moeten overbrengen. Ik vind mezelf dan eigenlijk een beetje zielig, mag dat? Omdat ik weet dat wat ik dan uitkies, eigenlijk nietszeggend is. Omdat bij het afgeven van het geschenk alle betrokken partijen weten dat dit een formaliteit is die moet afgehandeld worden.

Dat zou je tot in het absurde kunnen doortrekken. Mijn broer Boris en ik bedachten een keer dat je met een zeer bizar of volstrekt onnozel geschenk zou kunnen komen aanzetten, dat je dan afgeeft met een ernstig gezicht en waarbij je dus braaf je plicht vervuld hebt: een cavia voor mijn vader, een vislijn voor mijn moeder, een fietshelm voor mijn oma, een waterpistool voor mijn opa. Blij zouden ze er niet mee zijn, maar ik ben er wel vanaf en er kan me niets verweten worden.

In de loop der jaren tref je wel eens een passend geschenk aan natuurlijk. Of je hebt goed waargenomen wat er nodig is. Of je hebt het de betrokkene gewoon gevraagd: wat heb je nodig, waarmee kan ik je een plezier doen? Dat helpt tegenwoordig niet meer. Die mensen weten zelf ook niet wat ze willen of nodig hebben. Een fruitmand, besliste mijn oma dit jaar. Ik eet iedere zondag braaf alle bananen op die ze me toestopt.  Zij eet nooit fruit, hoogstens een gedroogde vijg. Wat moet ze met een fruitmand? Mijn vader weet het al helemaal niet meer. Consumeren is al zijn hobby. Mijn moeder dan weer wel, waarop ik dan precies koop wat ze zegt en ze dus blij maar geenszins verrast dvd’s en boeken ontvangt die op haar verlanglijstje stonden.

Het ideale geschenk, zo heb ik vroeger al een keer geconcludeerd, is iets dat vanuit het hart komt. Dat klopt, mijn oma ’s dierbaarste geschenk is een rijmpje dat ik schreef en dat nu ingekaderd op een ereplaats hangt in de woonkamer. Mijn vader doen we – vermoedelijk-  een plezier door hem een uitstap of etentje te beloven. Maar dat weegt dan toch weer erg licht, zeker op het moment van overhandiging. En het lijkt toch ook weer van te weinig moeite te getuigen.Een lief woord, een klein gebaar, als het er op aankomt is dat not done.

Ik ben nu anderhalve dag door weer en wind op zoek geweest en ben eens te meer zeer treurig gestemd geraakt. Ik lijk ieder jaar hetzelfde te kopen, of anders datgene van twee jaar ervoor. Ik heb nog niet voor iedereen iets en neem mijn uitvlucht tot clichés. Ik heb vooral veel voor mezelf gekocht, want dat is het gekke: ik weet wél precies wat ik wil en nodig heb.

Dat is dan het positieve aan dit hele gedoe: ik krijg zelf vooral envelopjes. Ook geen verrassingen, ook geen moeite voor de schenker. Maar ik ben er wel blij mee. Toch zit ook daar weer een wrange nasmaak aan. Moet ik concluderen dat ik eigenlijk betaald wordt voor dat gepieker en door weer en wind-gewandel? Komt het daar eigenlijk op neer? Loon naar werken? Die geschenkentijd moet trouwens sowieso gewoon onze economische kringloop draaiende houden. De verwachtingen van mensen zijn mee gegroeid met onze welvaart en welstand. We zijn verwend, door- en door. Op het akelige af. Ten koste van onze geestelijke gezondheid (al die stress en zorgen om wat geschenkjes) én het milieu, want de productie van al die brol brol brol uit die brolwinkels eist zijn tol.

Dit blogstukje barst uit zijn voeten, ik dreig te gaan raaskallen. Maar het zit me hoog. Geen boosheid of ergernis maar droefnis. Maar er is niemand schuldig aan en er zijn geen oplossingen voor want niemand zal de trend in gang zetten om géén cadeautjes meer te willen – en dat is eigenlijk ook  trouwens niet wat ik wil.  Maar het is een smet op mijn vakantie. Verstoorde dromen. Doembeelden van ontevreden familieleden, teleurgesteld in zoon en kleinzoon. Eén jaar om het goed te maken. En dan is het weer van dat.

Dank voor uw geduld.





Lectuurtip: Caesarion

26 12 2009

Van de Nederlander Tommy Wieringa las ik enkele jaren geleden het steengoede Joe Speedboot. Ik vond zijn schrijfstijl zo krachtig en meeslepend, dat ik kort nadien ook Alles over Tristan las, een roman waarvan ik nu moet bekennen dat ik me er niets van herinner, zelfs al herlees ik de korte inhoud. Maar het bleef me wel bij dat ik nog veel meer wilde lezen van deze formidabele auteur.

Caesarion is Wieringa’s recentste roman en hoewel ik hem toch iets minder meeslepend en memorabel  vond – want minder happy en lang niet zo Hollands - dan Joe Speedboot, kan ik toch stellen dat dit een geweldig boek is. Wieringa is een echte woordkunstenaar, wiens zinnen inventieve pareltjes zijn, wonderbaarlijke woordkettingen die je verbeelding doen werken en het verhaal van een bijna aanraakbare atmosfeer voorzien.

De jonge Ludwig is de Caserion uit de titel, wat verwijst naar de bijnaam die de zoon van Cleopatra en Julius Caesar kreeg. Een kind van twee grootheden, net als Ludwig. We maken zijn levensloop mee van zijn kinderjaren tot hij bijna dertig is en hij eindelijk heeft afgerekend met de schaduw die zijn afwezige vader en eigenzinnige moeder over zijn bestaan hebben geworpen. Deze odyssee speelt zich af op diverse plaatsen over de hele wereld, telkens door Wieringa met zin voor detail beschreven. Ludwig is eigenlijk een soort niemand, die enkel bepaald wordt door wie zijn ouders zijn. De turbulente relatie met zijn moeder komt zeer beknellend over, maar is anderzijds ook Ludwig’s enige houvast in een thuisloos bestaan.

Wieringa’s schrijfstijl en de interessante personages wegen voor mij door op de eigenlijke plot van dit boek, waarvan de symboliek, betekenis en literaire referenties in feite wat te hoog gegrepen zijn voor mij. Ik snap dat het zoeken naar zingeving en het wat fatalistische gemoed van Ludwig, deel uitmaken van de thematiek, maar daar zo precies de vinger op leggen, lukt me niet. Dat ik Caesarion ondanks de soms wat psychologische beschouwingen toch zeer vlot leesbaar vond, bewijst wat een groot talent Tommy Wieringa is.

Mocht iemand me overigens de betekenis van de cover kunnen verklaren…?





De geldbus van Studio Brossel

22 12 2009

Ook ik heb mijn duit in het zakje gedaan voor Music for Life, in tegenstelling tot wat sommige lezers hier beweren. Samen met collega’s, leerlingen en ouders verzamelden we bij ons op school een mooi sommetje voor de kinderen in Malaria, waar dat ook mag liggen. Vrijdagnacht, toen het glazen huis amper een paar uur open was, trotseerden we met een klein groepje de ijselijke koude om onze centjes te deponeren. Ik heb me daarbij geenszins geërgerd: de wachttijd was ontzettend kort en ik mocht dan ook nog het woord voeren, mediageil als ik ben. Maar ik heb toch enkele bedenkingen bij de constructie van de geldbus van Stubru.

Aangezien onze gift gefilmd werd, kun je hier zelf zien dat het geenszins meeviel onze munten en bankbiljetten fatsoenlijk te deponeren. De gleuf waar het geld doorgeen gepropt diende te worden, was namelijk veel te horizontaal. Een mens kan zijn geld dus niet echt in de bus ‘gieten’ maar moet dat allemaal ‘overscheppen’. Toch wat onhandig.

Nog een blijk van ondoordachtheid, was dat het geld voor een groot deel op de grond terechtkwam – gebrossel dus, voor de mensen die mijn streektaal machtig zijn. De ‘emmer’ was nogal klein en reikte ook niet hoog genoeg. Sam De Bruyne en de zijnen moeten dus zelf het geld oprapen dat er naast valt.

Alles kan altijd beter, zo kunnen we eens te meer stellen. Als je al voor het zoveelste jaar een glazen huis neerpoot, worden er toch vaststellingen gedaan voor wat vatbaar is voor verbetering?  

Maar kom, er zijn erger dingen. Malaria en zo.